Adviezen

RvA no. RA/12-17-LV

Uitgebracht op : 04/07/2017
Publicatie datum: 28/07/2017

Initiatiefontwerplandsverordening regelende de vaststelling van regels met betrekking tot het ambt van deurwaarder op Curaçao (Deurwaarderslandsverordening) (Zittingsjaar 2016-2017-114)

Advies:  Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 10 mei 2017 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op  3 juli 2017, bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

De toelichting op het ontwerp

Het Deurwaardersreglement (P.B. 1986, no. 61) is na de staatkundige veranderingen van 10 oktober 2010 vervallen. Met de initiatiefontwerplandsverordening regelende de vaststelling van regels met betrekking tot het ambt van deurwaarder op Curaçao (Deurwaarderslandsverordening) (hierna: het ontwerp) beogen de initiatiefnemers in een regeling voor deurwaarders te voorzien die in de plaats moet komen van de vervallen regeling. Volgens de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (pagina 1, tweede tekstblok) heeft de Deurwaarderswet BES die overeenkomt met het vervallen Deurwaardersreglement als uitgangspunt gediend voor het ontwerp. De aangebrachte inhoudelijke wijzigingen zouden volgens de memorie van toelichting daarin zijn toegelicht.

Op pagina 2 van de memorie van toelichting, onder “II. Artikelsgewijze toelichting”, eerste tekstblok, staat voorts het volgende: “Een aantal bepalingen zijn overgenomen uit het Deurwaardersreglement. Deze gaan terug tot 1868 en hoeven niet nader te worden toegelicht”.

De toelichting op een ontwerpregeling moet in grote lijnen los van de toelichting op een reeds bestaande of vervallen regeling gelezen en begrepen kunnen worden. Om die reden meent de Raad dat in de memorie van toelichting inhoudelijk op de artikelen van het ontwerp ingegaan moet worden, daar waar die bepalingen een nadere toelichting behoeven. Daarbij is niet relevant of de met het ontwerp overeenkomende bepalingen van het vervallen Deurwaardersreglement of de Deurwaarderswet BES in de toelichting daarop worden toegelicht. Het gaat immers om een zelfstandige nieuwe regeling van Curaçao waarvan de toelichting los van elk ander vervallen toelichting of toelichting van een ander openbaar lichaam gelezen en begrepen moet kunnenworden. De toelichting dient motivering en uitleg te geven van de nieuwe regeling. Het louter opmerken dat een artikel van het ontwerp overeenkomt met een artikel van het vervallen Deurwaardersreglement of met een artikel van de Gerechtsdeurwaarderswet[1], heeft geen toelichtende waarde. Ook het in de toelichting herhalen van hetgeen reeds in het artikel staat, is  - mede gezien aanwijzing 160 van de Aanwijzingen voor de regelgeving - niet juist (zie bijvoorbeeld de toelichting op de artikelen 5, 9 en 10 van het ontwerp). Een mogelijkheid is om de toelichting op de overeenkomende bepalingen van het vervallen Deurwaardersreglement of de Deurwaarderswet BES te kopiëren, indien deze nog onverkort toepasbaar is, en op te nemen in de toelichting op het ontwerp.

Geadviseerd wordt de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Actualiseren van regels voor deurwaarders

Voor het ontwerp heeft - zoals hiervoor aangegeven - de Deurwaarderswet BES als uitgangspunt gediend. De Deurwaarderswet BES komt, op een aantal punten na, overeen met het vervallen Deurwaardersreglement. Echter, in de Gerechtsdeurwaarderswet zijn meer juridische details opgenomen dan in de Deurwaarderswet BES. Aangezien het de bedoeling is om een nieuwe regeling tot stand te brengen, kan het goed zijn om van de gelegenheid gebruik te maken om de regelingen betreffende deurwaarders te actualiseren en eventuele tekortkomingen te corrigeren. Om die reden wijst de Raad hierna op een aantal bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet die in woorden van min of meer gelijke strekking overgenomen kunnen worden in het ontwerp.

Artikel 7 betreffende de benoemingsprocedure tot deurwaarder;

Artikel 9, vierde lid, betreffende het opstellen van een proces-verbaal van het afleggen van de eed of belofte;

Artikel 12a, eerste en tweede lid, betreffende het waarborgen van een onafhankelijke ambtsuitoefening (mede gezien de privatisering ten aanzien van deurwaarders);

Artikel 24, zesde lid, betreffende de kosten van waarneming;

Artikel 43, zesde lid, betreffende de termijn waarin een opgelegde geldboete moet worden betaald;

Artikel 51 betreffende schorsingsgronden; en

Artikel 52, derde lid, betreffende de gronden voor facultatief ontslag (curatele, faillissement, veroordeling tot vrijheidsstraf of ziekte van de deurwaarder).

II.   Inhoudelijke opmerkingen

Het ontwerp

Artikel 2

1o. De positie van de deurwaarder

De deurwaarder is op grond van artikel 2 van het ontwerp een openbaar ambtenaar. Volgens de memorie van toelichting (pagina 1, laatste tekstblok) heeft ten aanzien van deurwaarders privatisering plaatsgevonden waardoor bijvoorbeeld het bezoldigingsbesluit dat op ambtenaren van toepassing is, niet op de deurwaarder van toepassing is. Aan de andere kant is hoofdstuk VIII van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (hierna: de LMA) op deurwaarders van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 19, onderdeel f, van het ontwerp. Ook kunnen bijvoorbeeld ambtenaren van het Korps Politie Curaçao de functie van strafdeurwaarder worden opgedragen (artikel 8, eerste lid, van het ontwerp).

Ter wille van de duidelijkheid en in het licht van het voorgaande is het gewenst dat in de memorie van toelichting een onderdeel wordt opgenomen waarin de (rechts)positie van deurwaarders duidelijk in kaart wordt gebracht.

2o. Bepalingen die niet van toepassing zijn op de strafdeurwaarder

Artikel 2, vijfde lid, van het ontwerp bepaalt dat artikel 15 (bepaling omtrent het register, de administratie en de boekhouding) niet van toepassing is op de strafdeurwaarder.

Het met artikel 2, vijfde lid, van het ontwerp overeenkomende artikel 1, vierde lid, van het vervallen Deurwaardersreglement bepaalde dat ook het tweede, derde en vierde lid van artikel 13 van het vervallen reglement niet van toepassing zijn op de strafdeurwaarder. Artikel 13 van het vervallen Deurwaardersreglement komt overeen met artikel 17 van het ontwerp.

Aangezien volgens de memorie van toelichting inhoudelijke “afwijkingen” van het vervallen Deurwaardersreglement in de toelichting zouden zijn toegelicht, verwacht de Raad dat uit de memorie van toelichting opgemaakt zou kunnen worden of het achterwege blijven van een verwijzing in artikel 2, vijfde lid, van het ontwerp naar artikel 17, tweede en derde lid[2], van het ontwerp een bewuste keuze is geweest van de initiatiefnemers of een omissie.

Geadviseerd wordt in de memorie van toelichting met het voorgaande rekening te houden.

3o. Kantoor van de strafdeurwaarder

Op grond van artikel 2, zevende lid van het ontwerp hoeft de strafdeurwaarder geen kantoor te houden in Curaçao. Volgens de memorie van toelichting (pagina 1, laatste tekstblok) houdt de strafdeurwaarder kantoor bij het Openbaar Ministerie. Dit laatste dient uit de tekst van het ontwerp zelf te blijken.

Geadviseerd wordt in de tekst van het ontwerp op te nemen dat de strafdeurwaarder kantoor houdt bij het Openbaar Ministerie.

Artikel 3

1o. Vereiste van Nederlanderschap

Uit artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp volgt naar de letter van het voorgestelde artikel dat de tot deurwaarder te benoemen persoon op het moment van zijn benoeming – onmiddellijk voorafgaand aan de benoeming - de hoedanigheid moet hebben van aspirant-deurwaarder. Het vereiste van Nederlanderschap zal in dat geval impliciet tevens een benoemingsvereiste zijn voor de deurwaarder. In het andere geval - dat is als betrokkene niet onmiddellijk voorafgaand aan de benoeming de hoedanigheid heeft van aspirant-deurwaarder - zal het niet bezitten van de Nederlandse nationaliteit slechts een ontslaggrond zijn (artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van het ontwerp). Het bezitten van de Nederlandse nationaliteit is naar de letter van het ontwerp in dat geval geen benoemingsvereiste.

Een toelichting op artikel 3 van het ontwerp in de memorie van toelichting zou eventuele misverstanden in de toekomst kunnen voorkomen.

Geadviseerd wordt de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen.

2o. Opleidingseisen

In artikel 3 van het ontwerp zijn geen opleidingseisen (zie ook artikel 22 van het ontwerp) opgenomen voor de benoeming tot (aspirant)deurwaarder.

Voorgesteld wordt om ter wille van de duidelijkheid en consistentie in de indeling van het ontwerp het met goed gevolg doorlopen van de opleiding tot deurwaarder in artikel 3 van het ontwerp als benoemingsvereiste op te nemen. Zolang er geen opleidingseisen zijn vastgesteld kan op die bepaling een uitzondering worden gemaakt.

3o. Procedure voor benoeming tot deurwaarder

In het ontwerp is geen procedure opgenomen voor de benoeming tot deurwaarder. Het komt de Raad voor dat degene die voor benoeming tot deurwaarder in aanmerking wenst te komen, moet weten of hij bijvoorbeeld een verzoek daartoe moet indienen bij de Minister van Justitie of niet. Binnen een bepaalde periode zal die minister dan op dat verzoek een beslissing moeten nemen. Daarbij kan bepaald worden dat de minister alleen in specifiek in de wet opgenomen gevallen afwijzend op het verzoek kan oordelen. Zie ter vergelijking artikel 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Geadviseerd wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Artikel 5

1o. Disciplinaire straf en ontslag

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het ontwerp wordt de deurwaarder (verplicht en niet facultatief) ontslag verleend op grond van toepassing van de disciplinaire straf, bedoeld in de LMA.

Op grond van artikel 5, tweede lid, van het ontwerp kan ontslag overwogen worden bij herhaalde verwaarlozing van ambtsplichten bedoeld in artikel 19 van het ontwerp. Bij bedoelde ambtsverwaarlozing kunnen volgens artikel 19, onderdeel f, van het ontwerp de disciplinaire straffen genoemd in de LMA worden toegepast.

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het ontwerp zal betrokkene vanaf de eerste toepassing van een disciplinaire straf op grond van de LMA ontslagen worden. Artikel 5, tweede lid, van het ontwerp is uitgaande daarvan alleen relevant indien ambtsverwaarlozing geconstateerd wordt zonder oplegging van een disciplinaire straf in de zin van de LMA.

Geadviseerd wordt artikel 5 van het ontwerp met inachtneming van het voorgaande in de memorie van toelichting toe te lichten.

2o. Ontslag en schriftelijke berisping

In het voorgaande is gesteld dat het opleggen van een disciplinaire straf op grond van de LMA tot ontslag van de deurwaarder moet leiden (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het ontwerp). Elke schriftelijke berisping (artikel 89, eerste lid, onderdeel a, van de LMA) of schorsing (artikel 89, eerste lid, onderdeel h, van de LMA) bijvoorbeeld - gegeven op grond van de LMA – zal onder die omstandigheden tot ontslag van betrokkene leiden.

De Raad is van oordeel dat het voorgaande op gespannen voet kan komen te staan met de artikelen 19, onderdeel b, en 20 van het ontwerp.

Geadviseerd wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

3o. Ontslag wordt overwogen bij herhaling

Indien een deurwaarder meer dan één keer zijn ambtsplicht verwaarloost op een wijze omschreven in artikel 19, onderdeel b, van het ontwerp kan volgens artikel 5, tweede lid, van het ontwerp zijn ontslag overwogen worden.

Artikel 5, tweede lid, van het ontwerp bepaalt niet wat er na het overwegen van het ontslag dient te gebeuren. Bijvoorbeeld dat betrokkene bij landsbesluit (vergelijk artikel 5, eerste lid, aanhef) ontslag wordt verleend en de administratieve procedure daaraan voorafgaand (bijvoorbeeld het horen van de betrokkene).

Geadviseerd wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te vullen.

4o. Handelen en nalaten

Artikel 5, tweede lid, van het ontwerp betreft bovendien slechts het “herhalen van handelingen overeenkomstig artikel 19”. De Raad gaat ervan uit dat met de verwijzing naar artikel 19 van het ontwerp specifiek bedoeld wordt artikel 19, onderdeel a, van het ontwerp. In dat artikelonderdeel worden niet alleen handelingen, maar ook nalaten en ambtsverwaarlozing zijdens de deurwaarder aangehaald.

Indien het de bedoeling van de initiatiefnemers is om ook herhaald nalaten onder de reikwijdte van artikel 5, tweede lid, van het ontwerp te brengen, wordt geadviseerd in het ontwerp met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 9

1o. Legitimatieplicht

Op grond van artikel 9, tweede lid, van het ontwerp dient de deurwaarder zich “desverlangd” te identificeren.

Het kan zijn dat de belanghebbende niet op de hoogte is dat hij de deurwaarder mag vragen om zich te legitimeren. Het kan dus zijn dat belanghebbende zijn verlangen niet kenbaar maakt.

Door de legitimatieplicht van de deurwaarder in alle gevallen verplicht te stellen, kunnen misverstanden voorkomen worden.

Geadviseerd wordt de legitimatieplicht van de deurwaarder in alle gevallen verplicht te stellen.

2o. Inleveren legitimatiebewijs

Op grond van artikel 9, derde lid, van het ontwerp dient de deurwaarder die geschorst of ontslagen is het legitimatiebewijs in te leveren bij de griffier van het Hof.

Uit de memorie van toelichting blijkt niet waarom het legitimatiebewijs dat door of namens de Minister van Justitie wordt afgegeven niet bij die instantie zelf ingeleverd moet worden. Los daarvan bepaalt het betreffende artikelonderdeel niet wat de griffier van het Hof met het ingeleverde legitimatiebewijs moet doen. Uit de memorie van toelichting kan de Raad bovendien niet opmaken of in dit geval bewust geen onderscheid gemaakt wordt tussen de strafdeurwaarder en de deurwaarder bij het Hof.

Geadviseerd wordt in het ontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting rekening te houden met het voorgaande.

Artikel 11

1o. Volkenrechtelijke verplichtingen

In het eerste en tweede lid van artikel 11 van het ontwerp wordt verwezen naar volkenrechtelijke verplichtingen voor de nakoming waarvan het Land verantwoordelijkheid draagt.

De Staat het Koninkrijk der Nederlanden is volkenrechtelijk de entiteit die verplichtingen met derde Staten kan sluiten. Die verplichtingen kunnen Curaçao al dan niet mede binden. Voor de nakoming van verplichtingen met derde Staten is het Koninkrijk der Nederlanden aansprakelijk. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden draagt elk land intern een eigen verantwoordelijkheid voor de nakoming van volkenrechtelijke verplichtingen.

De Raad begrijpt dat de formulering van artikel 11, eerste lid, van het ontwerp op het voorgaande zinspeelt. In de memorie van toelichting kan het een en ander duidelijker worden toegelicht.

Geadviseerd wordt de memorie van toelichting rekening houdende met het voorgaande aan te passen.

2o. Ambtshalve

Voorgesteld wordt in de memorie van toelichting aan te geven wat bedoeld wordt met “uitsluitend ambtshalve” in artikel 11, derde lid, van het ontwerp.

3o. De gewone rechter

Geadviseerd wordt in de tekst van artikel 11, zevende lid, van het ontwerp te verwijzen naar het betreffende artikel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende de gewone rechter.

Artikel 12

Het aanwijzen van tijdelijke waarnemers

Artikel 12 van het ontwerp bepaalt dat indien de noodzaak daartoe aanwezig is, een of meer geschikte en vertrouwde personen tijdelijk als waarnemend deurwaarder aangewezen kunnen worden.

Volgens de toelichting (pagina 3, onder “Artikel 12”) is de mogelijkheid van het aanwijzen van tijdelijke waarnemers “verruimd tot alle gevallen waarin de noodzaak daartoe aanwezig is, bijvoorbeeld bij langdurige ziekte van een deurwaarder”.

De Raad acht de term “noodzaak” in dit geval vaag en vraagt waarom niet gekozen is voor bijvoorbeeld de term “belet”. Er is sprake van belet als betrokkene zijn functie tijdelijk niet kan of mag uitoefenen, bijvoorbeeld bij schorsing, ziekte of afwezigheid. Indien tevens een functie voor deurwaarder vrijkomt, is er sprake van de term “ontstentenis”.

Geadviseerd wordt bovendien in het ontwerp op te nemen wanneer de waarneming eindigt. Zie ter vergelijking artikel 23, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Bovendien kan naar het oordeel van de Raad de term “geschikte en vertrouwde personen” op verschillende manieren uitgelegd worden. Geadviseerd wordt daarom in het ontwerp zelf te bepalen wie tot waarnemend deurwaarder benoemd kan worden. Zie ter vergelijking artikel 23, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Artikel 16

Het stellen van nadere regels

Op grond van artikel 16, zevende lid, van het ontwerp kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze van berekening en uitkering van de rente van de op de bijzondere rekening gestorte gelden. In die vast te stellen regels zal bepaald worden wanneer geen rente verschuldigd is.

Het komt de Raad voor dat in bovenbedoeld geval bedoelde regels moeten en niet kunnen worden gesteld. Geadviseerd wordt daarom om het artikellid gebiedend te formuleren.

Bovendien zullen de hiervoor bedoelde regels in navolging van aanwijzing 19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, moeten worden opgenomen en niet in een ministeriële regeling met algemene werking.

Geadviseerd wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Artikel 19

Disciplinaire straffen en de LMA

Artikel 19, onderdeel f, van het ontwerp verklaart hoofdstuk VIII van de LMA (disciplinaire straffen) naast de bepalingen van artikel 19, eerste tot en met derde lid (lees onderdelen a tot en met c), van het ontwerp van overeenkomstige toepassing op deurwaarders.

Voor de Raad is zonder nadere toelichting niet duidelijk wat de bedoeling en de reikwijdte van het voorgestelde artikel 19, onderdeel f, van het ontwerp zijn. Het kan bijvoorbeeld de bedoeling zijn dat ook straffen die niet in artikel 19, onderdeel b, van het ontwerp worden genoemd - naast een berisping, boete of tijdelijke schorsing door het Hof - als disciplinaire straf opgelegd kunnen worden voor dezelfde gedraging of hetzelfde nalaten. Het kan ook zijn dat artikel 19, onderdeel f, van het ontwerp bedoeld is voor ambtenaren in de zin van de LMA die tevens als deurwaarder dienst doen. In dat laatste geval is een verwijzing naar de LMA overbodig, omdat deze op betrokkenen reeds van toepassing is.

De van overeenkomstige toepassing verklaring van hoofdstuk VIII van de LMA wordt in de memorie van toelichting niet toegelicht. Het is belangrijk dat de samenhang met de LMA - het materieel ambtenarenrecht - zowel in het ontwerp als in de memorie van toelichting blijkt. Evenmin blijkt uit de toelichting waarom gekozen is voor de term van “overeenkomstige toepassing” en niet voor de term “van toepassing”. Met andere woorden, het is niet duidelijk op welke onderdelen de artikelen van de LMA waarnaar verwezen wordt, niet “van toepassing” zijn, maar slechts “van overeenkomstige toepassing” zijn.

Naar het oordeel van de Raad zal het duidelijker zijn om in het ontwerp zelf bepalingen op te nemen die overeenkomen met de bepalingen van hoofdstuk VIII van de LMA. 

Geadviseerd wordt het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Artikel 22

1o. Opleidingseisen

In artikel 22, eerste lid, van het ontwerp wordt het stellen van regels betreffende de opleiding en examens voor deurwaarders facultatief gesteld.

Het kan zijn dat de hiervoor bedoelde regels juist nodig zijn om willekeur te voorkomen en om de kwaliteit van de beroepsgroep te waarborgen. Het stellen van regels betreffende opleiding en examens voor deurwaarders zou in dat geval gebiedend geformuleerd moeten worden. Bovendien zullen deze regels in navolging van aanwijzing 19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, moeten worden opgenomen en niet in een ministeriële regeling met algemene werking.

Geadviseerd wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

2o. Criteria zolang opleidingseisen ontbreken

Zolang de hiervoor bedoelde regels betreffende de opleiding en examen voor toekomstige aspirant-deurwaarders niet zijn vastgesteld, kan op grond van het derde lid van het voorgestelde artikel 22 tot aspirant-(straf)deurwaarder benoemd worden degene die door het Hof respectievelijk de procureur-generaal geschikt wordt geacht.

Uit het ontwerp noch uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid aan welke criteria het Hof respectievelijk de procureur-generaal bovenbedoelde geschiktheid toetst. Duidelijke criteria zijn zowel voor de toetsers als voor de aspirant-(straf)deurwaarder van belang.

Geadviseerd wordt de criteria waaraan getoetst moet worden bij het ontbreken van opleidingseisen in het ontwerp op te nemen.

3o. Tijdelijke duur overgangsbepaling

In de memorie van toelichting (pagina 4, voorlaatste tekstblok) staat voorts dat het wenselijk is dat de opleiding een verplicht permanent karakter krijgt.

Mede gelet daarop adviseert de Raad aan de overgangsbepaling opgenomen in artikel 22, derde lid, van het ontwerp een tijdelijk karakter te geven. Met een tijdelijke werkingsduur voor artikel 22, derde lid, van het ontwerp kan worden bevorderd dat bedoelde opleidingseisen met voortvarendheid tot stand worden gebracht.

Artikel 26

1o. Verwijzing naar bepaling die niet terugwerkt

Artikel 26 van het ontwerp beoogt terugwerkende kracht aan de inwerkingtreding van de voorgenomen regeling te verlenen. Van de terugwerkende kracht zijn een aantal artikelen uitgezonderd. De reden voor de terugwerkende kracht wordt in de memorie van toelichting aangegeven.

Het is de Raad opgevallen dat in een aantal artikelen waaraan terugwerkende kracht wordt verleend, terugverwezen wordt naar artikelen die van de terugwerkende kracht zijn uitgesloten. In de artikelen 1 en 8, tweede lid, van het ontwerp wordt verwezen naar onderdelen van artikel 3 die van terugwerkende kracht worden uitgesloten. In artikel 5, tweede lid, en 8, tweede lid, van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 19 dat van terugwerkende kracht wordt uitgesloten. In artikel 18 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 17 dat van terugwerkende kracht wordt uitgesloten.

Uw bijzondere aandacht wordt voor het voorgaande gevraagd.

2o. Terugwerkende kracht van belastende bepaling

Daarnaast wordt aan artikel 5, tweede lid en artikel 9 van het ontwerp terugwerkende kracht verleend. In die artikelen zijn voor de deurwaarder belastende bepalingen opgenomen. Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen geen terugwerkende kracht verleend. Dat van een uitzonderlijk geval dat terugwerkende kracht van een belastende bepaling rechtvaardigt sprake is, dient uit de memorie van toelichting te blijken. Daarnaast mag een feit dat vóór de inwerkingtreding van de regeling heeft plaatsgevonden, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld. Zie aanwijzing 126 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Uit de memorie van toelichting blijkt niet dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat terugwerkende kracht van belastende bepalingen in dit geval rechtvaardigt.

Geadviseerd wordt met het voorgaande zowel in het ontwerp als in de memorie van toelichting rekening te houden.

3o. Inwerkingtreding en uitvoeringsvoorschriften

Op grond van artikel 26 van het ontwerp is er sprake van directe inwerkingtreding van de daarin opgenomen regels met uitzondering van een aantal nader aangeduide bepalingen. Aangezien op grond van het ontwerp uitvoeringsvoorschriften tot stand moeten worden gebracht, adviseert de Raad de inwerkingtreding van het ontwerp bij landsbesluit te laten plaatsvinden.

De memorie van toelichting

Algemeen

1o. Raadpleging van belanghebbende bij het opstellen van het ontwerp

Op pagina 2 van de memorie van toelichting, tweede tekstblok, staat dat de initiatiefnemers als uitgangspunt hebben genomen een door prof. mr. J. de Boer opgesteld concept voor een nieuwe regeling voor deurwaarders. De initiatiefnemers vermelden in de memorie van toelichting begrepen te hebben dat naast de deurwaarders van Aruba, Bonaire, Curaçao en Sint Maarten en de advocatuur ook het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geraadpleegd is door prof. mr. J. de Boer. Aan het concept van laatstgenoemde hebben de initiatiefnemers een aantal aanvullingen gedaan ter verduidelijking van het een en ander.

Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt in welke periode het concept waarnaar gerefereerd wordt is opgesteld, in welke mate met de inbreng van de geraadpleegden rekening is gehouden, op welke punten de initiatiefnemers het concept aangevuld hebben en of degenen die in een eerdere fase bij het opstellen van het oorspronkelijke concept betrokken waren thans achter de inhoud van het aangepaste concept staan.

Geadviseerd wordt in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

2o. Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie

In het tweede tekstblok van het Algemeen deel van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp wordt gesuggereerd dat het neerleggen van de op deurwaarders betrekking hebbende regels conform artikel 17 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in een landsverordening dient plaats te vinden.

Artikel 17 van laatstgenoemde rijkswet betreft echter de bevoegdheden van het Hof. Genoemd artikel zou daarom voor wat betreft deurwaarders slechts betrekking kunnen hebben op de gevallen waarin het Hof rechtspreekt in tuchtrechtspraak of andere taken die het Hof bij landsverordening zijn opgedragen en die in relatie tot deurwaarders staan.

Geadviseerd wordt bij de verwijzing naar artikel 17 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie met het voorgaande rekening te houden.

3o. Concordantie

Volgens het tweede tekstblok van het Algemeen deel van de memorie van toelichting is bij het opstellen van het ontwerp uit oogpunt van concordantie uitgegaan van de inhoud van de Deurwaarderswet BES. Dat is om praktische overwegingen niet verkeerd. Wel vraagt de Raad of de initiatiefnemers bij het opstellen van het ontwerp ook het Arubaanse ontwerp voor een deurwaardersverordening dat thans het wetgevingstraject doorloopt, bestudeerd hebben.

Geadviseerd wordt in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

4o. Pensioneringsleeftijd

Volgens de toelichting op het ontwerp (pagina 1, laatste tekstblok) is in artikel 5, tweede lid, van het ontwerp (lees: 5, derde lid) een verplichte pensioneringsleeftijd van 70 jaar opgenomen voor deurwaarders. Dat is volgens de toelichting gebeurd omdat ten aanzien van deurwaarders privatisering heeft plaatsgevonden.

De pensioengerechtigde leeftijd – de leeftijd waarop betrokkenen in Curaçao recht hebben op een pensioenuitkering als bedoeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering - is per 1 maart 2013 voor Curaçao gesteld op 65 jaar. Uit de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid of bij het opstellen van het ontwerp met de rechtstreeks belanghebbenden onder andere ter zake dit punt overleg is gevoerd.

Indien bedoeld overleg niet heeft plaatsgevonden, wordt geadviseerd zulks alsnog te doen en om het resultaat daarvan in de memorie van toelichting te vermelden.

5o. Derdengeldrekening

Volgens de memorie van toelichting is in navolging van de Deurwaarderswet BES een derdengeldrekening verplicht gesteld in artikel 16 van het ontwerp.

Indien de initiatiefnemers willen motiveren wat de achtergrondgedachte of de noodzaak van het voorgestelde artikel 16 is, dan kan volgens de Raad niet worden volstaan met de mededeling dat dit artikel in navolging van - in dit geval - de Deurwaarderswet BES in het ontwerp is opgenomen. Voor de memorie van toelichting heeft dit immers geen toegevoegde waarde. Het zegt niets over de vraag waarom dit artikel (ook) voor Curaçao van belang is.

Geadviseerd wordt de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen.

Artikel 3

Geadviseerd wordt artikel 3, derde lid, van het ontwerp in de memorie van toelichting toe te lichten en daarbij met een voorbeeld aan te geven wanneer een dergelijke uitzondering aan de orde is.

Artikel 8

De toelichting op artikel 8 van het ontwerp sluit niet volledig aan bij de tekst van het ontwerp. Immers, in de toelichting wordt ervan uitgegaan dat artikel 8 alleen van toepassing is bij “afwezigheid of tekort van andere deurwaarders”. Uit de tekst van het ontwerp kan worden afgeleid dat de afwezigheid of ontstentenis alleen betrekking heeft op het uitvoeren van de diensten bedoeld in artikel 7 van het ontwerp.

Geadviseerd wordt de tekst van artikel 8 van het ontwerp en de toelichting daarop met elkaar in overeenstemming te brengen.

Artikel 11

In de toelichting op artikel 11 van het ontwerp (pagina 3, onder “Artikel 11”, derde volzin) wordt ten aanzien van de rechtsmacht van de rechter in Curaçao verwezen naar artikel 15 bis van de Algemene bepalingen der wetgeving van Curaçao. Deze verwijzing is naar het oordeel van de Raad in dit verband niet relevant.

De volzin die daarop volgt, geeft geen toelichting (nadere uitleg of verklaring) op artikel 11, eerste lid, van het ontwerp en heeft aldus geen informatiewaarde. Die volzin kan geschrapt worden. Daarna wordt zonder nadere uitleg verwezen naar het vervallen Deurwaarders-reglement, wordt er niets gezegd over de reden voor de aanscherping in artikel 11, vijfde lid, van het ontwerp en wordt voor de rest verwezen naar de Gerechtsdeurwaarderswet.

Geadviseerd wordt de toelichting op artikel 11 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

Artikel 15

Volgens de toelichting op artikel 15 van het ontwerp is het register genoemd in het eerste lid hetzelfde als het repertoire genoemd in datzelfde artikellid.

Het gebruik van verschillende termen voor hetzelfde begrip dient in wetgeving vermeden te worden.[3]

Aan de andere kant lijkt de uitleg die in de toelichting op genoemd artikel wordt gegeven – een lijst waarop bepaalde informatie wordt bijgehouden - meer te duiden op een repertoire dan op een register. In het artikel zou onderscheid gemaakt kunnen worden tussen het repertoire in bovenbedoelde zin en het register waarin afschriften van opgemaakte en ondertekende exploten, processen-verbaal, akten en verklaringen bewaard kunnen worden.

Geadviseerd wordt met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 22

Uit de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid wie voor de daar bedoelde cursussen moet zorgdragen en wie de kosten daarvan zal dragen.

Geadviseerd wordt de memorie van toelichting op bovenbedoeld punt aan te passen.

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Willemstad, 4 juli 2017

de Ondervoorzitter,                                                     de Secretaris,

                                                                                    namens deze,

 

____________________                                            ___________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                mevr. mr. I. Hiemcke

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/12-17-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1.   Het ontwerp

Algemeen

Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien, indien dit voor de toegankelijkheid van de regeling noodzakelijk is.

Bij bepaalde artikelen van het ontwerp is achter of onder de nummering een opschrift toegevoegd. Het lijkt er echter op dat dat opschrift voor meerdere artikelen geldt en als zodanig een hoofdstuk van het ontwerp moet aanduiden. Indien dat het geval is wordt in overweging gegeven het opschrift niet na of onder de nummering van een artikel te plaatsen, maar ervoor en met de toevoeging van hoofdstukken. Is het echter de bedoeling om artikelen van een opschrift te voorzien dan wordt voorgesteld alle artikelen van een opschrift te voorzien en niet alleen enkele artikelen van het ontwerp. In dit kader wordt voorts verwezen naar aanwijzingen 74 en 75 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Het opschrift

Voorgesteld wordt in het opschrift “op Curaçao” te vervangen door “in Curaçao”.

De aanhef

Voorgesteld wordt “De Gouverneur van Curaçao,” en “In overweging genomen hebbende:” op aparte regels te schrijven.

Voorgesteld wordt in de overwegingen van de aanhef te doen blijken dat het betreft regels met betrekking tot de organisatie van het ambt van deurwaarder en met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deurwaarder.

Artikel 1

Voorgesteld wordt in de aanhef van artikel 1 “de landsverordening” te vervangen door “deze landsverordening”.

Voorgesteld wordt in de definitie van “strafdeurwaarder” de verwijzing naar “artikel 3, lid 3” te vervangen door “artikel 2, vierde lid”.

Voorgesteld wordt in de definitie van “aspirant-deurwaarder” de verwijzing naar “artikel 22, lid 3” te vervangen door “artikel 22, derde lid, onderdeel a”.

Voorgesteld wordt in de definitie van “aspirant-strafdeurwaarder” de verwijzing naar “artikel 22, lid 3” te vervangen door “artikel 22, derde lid, onderdeel b”.

Voorgesteld wordt in de definitie van “Minister” “van Curaçao” te schrappen.

Voorgesteld wordt in de definitie van “ambtshandelingen”, “van deze landsverordening” te schrappen.

Artikel 2

Voorgesteld wordt in het vierde lid de verwijzing naar het tweede lid te vervangen door een verwijzing naar het derde lid.

Artikel 3

Voorgesteld wordt de inhoud van voetnoot 1 in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel e, van het ontwerp op te nemen.

Artikel 4

Voorgesteld wordt in de eed of belofte in het eerste lid na “Koning” in te voegen “het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Staatsregeling van Curaçao” en “wettelijke regelingen” te vervangen door “wettelijke regelingen van Curaçao op mijn ambt van toepassing”.

Voorgesteld wordt de eed of belofte in het eerste lid en de eed of verklaring van zuivering in het tweede lid met een aanhalingsteken af te sluiten.

Ook wordt voorgesteld in het derde lid na “verklaring” in te voegen “van zuivering”.

Artikel 5

Artikel 5, eerste lid, van het ontwerp geeft de gevallen aan wanneer ontslag wordt verleend aan de deurwaarder. Het artikel is gebiedend (wordt) en niet facultatief (kan) geformuleerd.

Voorgesteld wordt de memorie van toelichting (kan) en het ontwerp (wordt) op bovengenoemd punt met elkaar in overeenstemming te brengen.

Voorgesteld wordt in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp op te nemen dat het om een rechterlijke veroordeling van betrokkene moet gaan. Artikel 52 van de Gerechtsdeurwaarderswet waarnaar in de memorie van toelichting (pagina 2, onder “Artikel 5) wordt verwezen, is wel juist geformuleerd. Immers, in dat artikel wordt terugverwezen naar een ander artikel dat duidelijk maakt wat in dit geval met “ontzetting uit het ambt” bedoeld wordt.

Artikel 5, tweede lid, van het ontwerp is taalkundig niet juist geformuleerd. Voorgesteld wordt de formulering van artikel 19, onderdeel b, van het ontwerp over te nemen in combinatie met woorden van de volgende strekking “De deurwaarder kan bij landsbesluit ontslagen worden (…)”.

Artikel 6

Indien in onderdeel a van het eerste lid “oproepingen” als synoniem voor “dagvaardingen” wordt gebruikt, wordt voorgesteld slechts één van de twee termen te gebruiken. Indien met de twee termen verschillende betekenissen worden beoogd, wordt voorgesteld de “/” te vervangen door een komma en een toelichting op genoemde begrippen te geven.

10.   Artikel 7

Voorgesteld wordt het vierde lid de tweede komma te vervangen door een punt. In een nieuwe volzin kan bepaald worden dat de regeling van de dienst door de president van het Hof voor strafdeurwaarders plaatsvindt voor zover dat niet door of vanwege de procureur-generaal is geschied.

Artikel 8

Voorgesteld wordt de verwijzing in het eerste lid naar “artikel 4” te vervangen door een verwijzing naar “artikel 6, eerste lid ”.

Voorgesteld wordt de verwijzing in het tweede lid naar de artikelen 2, tweede en vijfde lid en 19, tweede en derde lid te vervangen door een verwijzing naar de artikelen 2, derde lid respectievelijk 19, onderdelen c en d. Zie ten aanzien van laatstgenoemd artikel punt 15 in deze bijlage.

Artikel 10

Voorgesteld wordt in de memorie van toelichting aan te geven wie bedoeld wordt met partijen in het tweede lid.

Artikel 11

Voorgesteld wordt in de memorie van toelichting aan te geven wie bedoeld wordt met partijen in het tweede lid.

Voorgesteld wordt in het zesde lid “het land” te vervangen door “het Land”.

Artikel 15

Voorgesteld wordt voor de formulering van de delegatiebepaling, opgenomen in artikel 15, vierde lid, laatste volzin van het ontwerp aan te sluiten bij aanwijzing 22, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikel 16

Artikel 16, vijfde lid, van het ontwerp is zodanig geformuleerd dat de verwijzing naar de artikelen 476a, 477 en 477a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in zijn geheel refereert naar “veroordeeld is overeenkomstig”.

Echter, in artikel 16, vijfde lid, van het ontwerp behoort de verwijzing naar de artikelen 476a en 477 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betrekking te hebben op de verklaring die door de deurwaarder wordt gedaan. Alleen de verwijzing naar artikel 477a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoort te refereren naar de in dat artikel bedoelde veroordeling.

Voorgesteld wordt aan het slot van het vierde lid een punt te plaatsen.

Artikel 19

In onderdeel f van artikel 19 van het ontwerp wordt verwezen naar “het eerste tot en met derde lid” van dit artikel. Echter artikel 19 van het ontwerp is niet in leden maar in onderdelen onderverdeeld. Gezien aanwijzing 76, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt voorgesteld de onderdelen in artikel 19 met Arabische cijfers aan te duiden en de verwijzingen naar de onderdelen van dat artikel waar nodig aan te passen.

Artikel 22

Voorgesteld wordt het derde lid op te nemen als overgangsbepaling en tevens in dat lid “deze” te vervangen door “de”.

Artikel 25

Voorgesteld wordt na “inwerkingtreding” in het eerste lid “van deze landsverordening” in te voegen.

Volgens artikel 25, tweede lid, van het ontwerp wordt de waarnemend deurwaarder die op het moment dat het ontwerp in werking treedt in functie is, geacht benoemd te zijn overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige landsverordening.

De Raad merkt hierover op dat de waarnemend deurwaarder in zijn functie wordt aangewezen en niet benoemd. De bepalingen die op de benoeming betrekking hebben zijn op hem ook niet van toepassing (zie artikel 12 van het ontwerp).

Geadviseerd wordt artikel 25, tweede lid, van het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

Voorgesteld wordt voorts in het tweede lid “Landsverordening” te vervangen door “landsverordening”.

Artikel 26

In artikel 26 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van het ontwerp. Het eerste lid van artikel 3 van het ontwerp heeft echter geen onderdeel e.

Artikel 27

Voorgesteld wordt tussen “als” en “Deurwaarderslandsverordening” een dubbele punt te plaatsen.[4]

2.   De memorie van toelichting

Het opschrift

Voorgesteld wordt in het opschrift “op Curaçao” te vervangen door “in Curaçao”.

Algemeen

Voorgesteld wordt de vindplaats van de uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba waarnaar in het eerste tekstblok wordt gerefereerd, in een voetnoot op te nemen.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste volzin, “de Rijkswet” te vervangen door “die rijkswet”.

De laatste volzin van het eerste tekstblok is uit de uitspraak van 25 juni 2013 van het Hof[5] gehaald, waar deze ook juist is gebruikt. Het ontwerp betreft echter meer dan een regeling van de tuchtrechtspraak voor deurwaarders. Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste volzin, “, zijnde een uitvoeringsregeling,” en “biedt voor de tuchtrechtspraak ten aanzien van deurwaarders” te schrappen en aan de rest van de zin toe te voegen “heeft”.

Voor wat betreft het stellen van regels voor deurwaarders geldt geen concordantieplicht[6] voor de landen van het Koninkrijk. Het streven naar concordantie kan in dit geval van praktische aard zijn. Om die reden stelt de Raad voor in het tweede tekstblok, laatste volzin, “uit oogpunt van concordantie” te vervangen door “uit praktisch oogpunt”.

Het Deurwaardersreglement is per 10 oktober 2010 vervallen. Om die reden wordt voorgesteld in de toelichting op de bepalingen in het ontwerp die anders luiden dan de daarmee corresponderende bepalingen in het vervallen Deurwaardersreglement, niet te refereren naar het schrappen van artikelen van genoemd reglement of het toevoegen van bepalingen. Het ontwerp betreft immers een nieuwe regeling en geen wijziging van het reeds vervallen Deurwaardersreglement. Artikelen van het vervallen Deurwaardersreglement kunnen niet meer geschrapt worden, omdat deze niet meer bestaan. Zie bijvoorbeeld op pagina 1 de laatste volzin van het derde tekstblok van het Algemeen deel van de memorie van toelichting. Ook het toevoegen van bepalingen is niet aan de orde aangezien er geen regeling meer is waarin bepalingen kunnen worden ingevoegd. Zie bijvoorbeeld pagina 2, onder “II. Artikelsgewijze toelichting”, derde tekstblok.

Voorgesteld wordt op pagina 1, laatste tekstblok, de verwijzing naar artikel 5, tweede lid, te vervangen door een verwijzing naar artikel 5, derde lid, van het ontwerp.

Artikel 5

Voorgesteld wordt de verwijzing naar artikel 52, onderdeel b” te vervangen door “artikel 52, eerste lid). Overigens komen in de toelichting op artikel 5 van het ontwerp elementen voor die niet in de tekst van het ontwerp voorkomen. Bijvoorbeeld de rechterlijke veroordeling. 

Artikel 19

De toelichting onder “Artikel 19” behoort bij artikel 20 van het ontwerp.

[1] Zie bijvoorbeeld de toelichting op de artikelen 5, 6 en 11 van het ontwerp.

[2] Artikel 13, derde lid, van het vervallen Deurwaardersreglement heeft betrekking op de situatie voor het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen met de verschillende eilandgebieden.

[3] Zie aanwijzing 44 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

[4] Aanwijzing 147, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

[5] ECLI:NL:OGHACMB:2013:12

[6] Artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.