Adviezen

RvA no. RA/27-17-LV

Uitgebracht op : 07/02/2018
Publicatie datum: 27/02/2018

Initiatiefontwerplandsverordening houdende vaststelling van regels inzake het welzijn van dieren en de uitoefening van diergeneeskunde (Landsverordening dierenwelzijn) (Lei pa bienestar di animal) (Zittingsjaar 2017-2018-118)

Advies:  Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 4 oktober 2017 om het oordeel van de Raad van Advies[1] inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 5 februari 2018, bericht de Raad u als volgt.

Algemene opmerkingen

Uitvoerbaarheid en effectiviteit van het ontwerp

De Curaçaose samenleving en de intrinsieke waarde van dieren

Het uitgangspunt en de motivering van de initiatiefontwerplandsverordening houdende vaststelling van regels inzake het welzijn van dieren en de uitoefening van diergeneeskunde (Landsverordening dierenwelzijn) (Lei pa bienestar di animal) (hierna: het ontwerp) is het belang dat gehecht wordt aan de intrinsieke waarde van het dier. Daarmee bedoelt de initiatiefnemer de erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel die zorg behoeven (pagina 1, derde alinea, van de memorie van toelichting). In het verlengde daarvan wordt in de toelichting op artikel 3, derde en vierde lid, van het ontwerp ook vermeld dat de verplichting hulpbehoevende dieren, al dan niet in het wild levend, de nodige zorg te verlenen voortvloeit uit het algemeen levend besef in onze maatschappij dat aan hulpbehoevenden wordt tegemoet gekomen (pagina 14, onder “Artikel 3”, voorlaatste alinea).

Daarvan uitgaande zijn in het ontwerp enerzijds regels opgenomen die direct betrekking hebben op dieren en de zorgplicht van een ieder - met name de houder - voor die dieren (het dierenwelzijn in enge zin). Anderzijds wordt het beroep van dierenarts in het ontwerp erkend en gereguleerd.

De Raad onderkent de noodzaak van dergelijke regels zowel voor wat betreft het dierenwelzijn in enge zin alsook voor wat betreft de erkenning en de regulering van het beroep van dierenarts. Niettemin merkt de Raad hierbij op dat hij het standpunt van de initiatiefnemer niet deelt dat in de Curaçaose maatschappij thans een algemeen levend besef heerst in bovenbedoelde zin. Het schrijnend probleem van zwerfhonden en zware mishandeling en verwaarlozing van honden waarmee instanties als Curaçao Animal Rights Foundation (hierna: Stichting CARF) dagelijks mee te maken hebben, geven een indicatie dat het besef dat ook aan dieren hulp moet worden aangeboden, in Curaçao over het algemeen niet voldoende leeft. Dat geldt in even sterke mate voor katten waarmee onder andere Hulp voor Alle Dieren op Curaçao mee te maken heeft.

De uitvoerbaarheid en daarmee de effectiviteit van het ontwerp voor wat betreft regels die betrekking hebben op het dierenwelzijn in enge zin worden bemoeilijkt, doordat betrokkenen thans onvoldoende beseffen dat voor dieren op een in het ontwerp omschreven wijze gezorgd moet worden. Het (dreigen met) sanctioneren van de overtreding van artikel 3 van het ontwerp kan – indien inderdaad wordt overgegaan tot sanctionering – een afschrikwekkend effect hebben, maar betreft vaak slechts een repressief ingrijpen als reactie op een overtreding.

Voor wat betreft de erkenning en regulering van het beroep van dierenarts verwacht de Raad uitgaande van het bepaalde in het ontwerp en met inachtneming van het overige in dit advies aan de orde gestelde ter zake dat onderwerp geen onoverkomelijke problemen in de uitvoeringsfase.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande het bepaalde in het ontwerp voor wat betreft regels die betrekking hebben op het dierenwelzijn in enge zin aan de ene kant en regels betreffende de erkenning en de regulering van het beroep van dierenartsen aan de andere kant in afzonderlijke (ontwerp)landsverordeningen op te nemen. Voor wat betreft de bepalingen in het ontwerp die betrekking hebben op het dierenwelzijn in enge zin, adviseert de Raad bovendien tot gefaseerde invoering over te gaan. Dat betekent niet dat de Raad zich niet bewust is van de ernst van de situatie en de noodzaak tot gereguleerd ingrijpen. Het tegendeel is waar. De Raad verwacht evenwel dat door een gefaseerde invoering de eerstverantwoordelijke minister in staat gesteld wordt om te zorgen voor doelmatige en doeltreffende informatie aan burgers met het oogmerk om een duidelijke mentaliteitsverandering ter zake dit onderwerp teweeg te brengen. Ook wordt hiermee ruimte geschapen om zorg te dragen voor een gedegen uitvoeringsapparaat en kan rekening gehouden worden met de mogelijkheid voor uitvoeringsorganen en andere bij de regeling betrokkenen om zich tijdig op de regeling in te stellen (zie in dat verband onderdeel “4. Toezicht, handhaving en capaciteitstekort” op pagina 4 van dit advies). Daarmee wordt de kans reëler dat het beoogde doel van het ontwerp, zoveel mogelijk bereikt zal worden. (Zie verder ook pagina 17 van dit advies onder “y. Artikel 43”).

Informatieoverdracht en de naleving van normen

De Raad is van oordeel dat in het ontwerp bepalingen opgenomen zijn waaraan degene die thans niet de nodige zorg voor zijn dieren in acht neemt, bij de al dan niet gefaseerde invoering van de onderhavige landsverordening, niet vanzelfsprekend geneigd zal zijn om zich daaraan te houden. De Raad wijst in dat verband onder andere naar de toelichting op artikel 18 van het ontwerp op pagina 21 van de memorie van toelichting waar staat dat bij het vastleggen van een hond niet goed denkbaar is dat dat langer dan een tot twee uren duurt. In een dergelijk geval zal de hond minimaal ieder uur vrij moeten lopen. Overschrijding van die tijd zal volgens de memorie van toelichting in de regel in strijd zijn met de ingevolge het ontwerp aangepaste strafbepalingen. Daarnaast gaat het ontwerp ervan uit dat het drinkwater van het dier na een aantal uren ververst moet worden, dat de voeding van de hond of kat overeenkomstig de caloriebehoefte van het dier zal plaatsvinden (artikelen 14 en 22 van het ontwerp) en dat de hond gechipt en geregistreerd (artikelen 24 en 25 van het ontwerp) zal worden. In dat verband wijst de Raad ook op dierenwinkels waar honden te koop worden aangeboden en de omstandigheden waaronder deze honden in die winkels gehouden worden.

De Raad is van oordeel dat het ontwerp nog daargelaten een al dan niet gefaseerde invoering slechts het beoogde doel zal kunnen bereiken (effectiviteit van het ontwerp) bij het proactief toezicht houden om in een vroeg stadium mogelijke misstanden te kunnen signaleren, het daadwerkelijk sanctioneren van overtredingen, en niet op de laatste plaats door het kweken van het besef dat een dier meer is dan een “zaak”. Dat laatste is een proces van bewustwording waarbij het continu verschaffen van informatie via de media of andere kanalen een doorslaggevende rol speelt. Dat daarbij ook de jeugd betrokken wordt acht de Raad van uiterst belang.

De Raad geeft in het licht van het voorgaande in overweging in een informatieparagraaf in de memorie van toelichting aan te geven hoe de initiatiefnemer meent onder de bevolking van Curaçao het besef te kunnen doen leven dat dieren intrinsieke waarde hebben, zoals in artikel 2 van het ontwerp verwoord en de naleving van de in het ontwerp opgenomen bepalingen te kunnen stimuleren. De Raad geeft in dat kader mee dat naast het handhavend optreden, er verschillende andere vormen van interventies denkbaar zijn om de naleving van regels te vergroten. Denk daarbij onder andere aan publiciteit, voorlichting en scholing (informatieoverdracht) en ondersteuning (al dan niet van overheidswege) door het wegnemen van bepaalde lasten waardoor regels eenvoudiger nageleefd kunnen worden.

De Raad adviseert bovendien rekening te houden met de doelgroep van het ontwerp. Belangrijk daarbij is hoe deze doelgroep denkt en zal handelen. Aspecten die daarbij een rol spelen zijn de gepercipieerde detectiekans, de gepercipieerde verhoogde kans op controle en detectie door selectiviteit, de gepercipieerde sanctiekans en de gepercipieerde sanctie-ernst.

De reikwijdte van het ontwerp

In artikel 3, derde en vierde lid, van het ontwerp wordt een ieder verplicht hulpbehoevende dieren, al dan niet in het wild levend, de nodige zorg te verlenen. Volgens de toelichting op genoemde artikelleden (pagina 14, onder “Artikel 3”, voorlaatste alinea) kan daarbij gedacht worden aan een dier dat in een klem, tussen een hek of in een net gevangen zit, een aangereden dier langs de weg, of een in het wild aangetroffen dier dat eten of drinken behoeft. De Raad vraagt in verband met het voorgaande of de initiatiefnemer met het ontwerp zover wilt gaan dat bijvoorbeeld een automobilist verplicht wordt om uit zijn auto te stappen om hulp te bieden aan een door een derde aangereden hond of leguaan (artikel 3, derde lid, van het ontwerp) of om dat hulpbehoevende dier bij de Stichting Dierenbescherming (hierna: de Dierenbescherming) te melden (artikel 3, vierde lid, van het ontwerp).

Aangezien het zich niet houden aan laatstgenoemde artikelleden met een last onder dwangsom (artikel 29, eerste lid, van het ontwerp) of een rechterlijk bevel tot nakoming (artikel 39, eerste lid, van het ontwerp) gesanctioneerd kan worden, is het van uiterst belang dat een reële verhouding bestaat tussen wat de wetgever in redelijkheid van de burgers kan verwachten (de norm) en de sanctie op het zich niet houden aan de gestelde norm. Dat de hulpbehoevende toestand van het dier niet door betrokkene veroorzaakt is, kan daarbij een rol spelen. Daarnaast kan de reikwijdte van het ontwerp beperkt worden door definiëring (afbakening) van het begrip “dier” voor de toepassing van (bepaalde artikelen van) het ontwerp.

De Raad vraagt uw bijzondere aandacht voor het voorgaande.

Het aantal dieren, kosten en sterilisatie

Aan het houden en verzorgen van dieren zijn kosten verbonden. Het komt te vaak voor dat mensen die honden en katten houden en die financieel niet in staat zijn deze kosten te dragen, meerdere vruchtbare honden en katten hebben. Binnen de kortste tijd lopen er meerdere dieren onverzorgd rond die vaak ook nog voor overlast in de buurt zorgen. Ondanks informatiecampagnes betreffende sterilisatie van dieren en het gratis laten steriliseren van honden en katten door bepaalde instellingen, is het belang van sterilisatie van honden en katten nog niet bij een ieder doorgedrongen.

De Raad adviseert bij het geven van voorlichting als hiervoor onder “1. Uitvoerbaarheid en effectiviteit van het ontwerp”, “b. Informatieoverdracht en de naleving van normen” bedoeld, bijzondere aandacht aan het aspect van sterilisatie van honden en katten te besteden.

Toezicht, handhaving en capaciteitstekort

Op pagina 30, tweede tekstblok, van de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting wordt melding gemaakt van een tekort aan capaciteit om strafrechtelijk op te treden tegen dierenmishandeling. Met het invoeren van de bestuursrechtelijke sanctie van een “last onder dwangsom” en de mogelijkheid voor een ieder om een rechtsvordering bij de burgerlijke rechter in te stellen om nakoming van de bepalingen van het ontwerp af te dwingen, beoogt de initiatiefnemer bedoeld strafprocesrechtelijk tekort op te vangen.

De Raad vraagt of de initiatiefnemer bij het opstellen van het ontwerp heeft nagegaan of voor bestuursrechtelijk toezicht en handhaving wel voldoende capaciteit aanwezig is. Voorkomen moet worden dat handhaving vanwege capaciteitsbeperkingen verwordt tot willekeurig optreden door handhavers. Ook de vraag naar het aantal verwachte procedures bij de burgerlijke rechter naar aanleiding van het bepaalde in het ontwerp dient bij het opstellen van het ontwerp te zijn betrokken. Gewaakt moet worden dat het capaciteitsprobleem in de strafrechtelijke kolom niet verplaatst wordt naar het bestuursrecht of wellicht in mindere mate naar de burgerlijke rechter. Bovendien is het voor de Raad niet duidelijk of de initiatiefnemer er rekening mee heeft gehouden dat burgers over het algemeen niet snel geneigd zullen zijn naar de burgerlijke rechter te stappen om nakoming van bijvoorbeeld de buren te eisen. Zowel de financiële lasten voor het instellen van een burgerlijke rechtsvordering alsook de kans op burenruzie en represaille kunnen daarbij een hoge drempel vormen. Het doel van het ontwerp, dat is primair het bevorderen van het welzijn van dieren, is daarmee niet gediend.

Nadruk ontwerp alleen op honden en katten

In de memorie van toelichting staat op pagina 6, derde alinea, dat dieren, vooral honden, maar ook paarden en ezels niet goed verzorgd worden, onvoldoende water en voedsel krijgen en vaak hele dagen aan een ketting of in een ruimte die onvoldoende beschutting biedt, worden gehouden. In het ontwerp wordt ondanks die constatering slechts nadruk gelegd op het welzijn van honden en katten. Paarden en ezels, maar ook kleine dieren als hamsters, vogels en schildpadden krijgen geen aparte aandacht in het ontwerp. Voor die dieren geldt de algemene zorgplicht opgenomen in artikel 3 van het ontwerp. Nadere regels voor wat betreft die dieren zullen op grond van artikel 23 van het ontwerp bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden gesteld. Ook het stellen van regels betreffende de koop, verkoop en verhandeling van dieren is aan de lagere regelgever gedelegeerd.

Gezien het belang dat de initiatiefnemer met het ontwerp wilt dienen en de even grote waarde van dieren die geen hond of kat zijn, adviseert de Raad de totstandkoming van nadere regels als hiervoor bedoeld aan te sporen door steeds op genoemd belang te blijven wijzen.

Sancties

De keuze tussen strafsanctie en bestuurlijke boete

Wanneer bij het opstellen van een ontwerpregeling gekozen moet worden voor een bestuurlijke boete en/of een strafsanctie kan als criteria gebruikt worden de ernst van het delict en de zwaarte van de straf. Overtreding van de artikelen 14 tot en met 18 en 21 van het ontwerp is op grond van artikel 41, onderdeel II, onder A van het ontwerp, door wijziging van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) (het voorgestelde artikel 2:335, derde lid, onder c, van het WvSr), strafbaar gesteld. Gezien de door initiatiefnemer zelf aangegeven tekort in de strafprocesrechtelijke sfeer, kan de vraag gesteld worden of het stellen van een bestuurlijke boete op de overtreding van bedoelde artikelen wellicht meer soelaas kan bieden.

De Raad vraagt of de initiatiefnemer in het licht van het voorgaande bij het opstellen van het ontwerp naast het invoeren van de “last onder dwangsom” overwogen heeft om tevens de “bestuurlijke boete” in te voeren.

De last onder dwangsom en artikel 3 van het ontwerp

Overtreding van artikel 3 van het ontwerp wordt gesanctioneerd met een last onder dwangsom (artikel 29 van het ontwerp). De last onder dwangsom is een herstelsanctie dat primair gericht is op het herstellen van een overtreding. Bij overtreding van het bepaalde in artikel 3 van het ontwerp, in het bijzonder het derde en vierde lid, zal herstel over het algemeen niet meer mogelijk zijn. Het dreigen met een last onder dwangsom is in die gevallen niet effectief. Bovendien is overtreding van artikel 3 van het ontwerp niet strafbaar gesteld in artikel 41, onderdeel II, onder A van het ontwerp (wijziging van artikel 2:335 van het WvSr.

De Raad adviseert het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Overtreding normen diergeneeskunde en sanctionering

Het ontwerp stelt regels waaraan personen die beroepsmatig de diergeneeskunde uitoefenen zich moeten houden. Behoudens het bepaalde in artikel 39 van het ontwerp en afhankelijk van de formulering van de eis, wordt overtreding van deze regels in het ontwerp niet gesanctioneerd. Wel regelt artikel 40 van het ontwerp onder andere dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bepaald kan worden bij welke overtredingen de tuchtrechtspraak voor bedoelde beroepsgroep van toepassing is.

De Raad is van oordeel dat veterinaire tuchtrechtspraak zich met name zal moeten richten op overtreding van de zorgplicht van bedoelde beroepspersonen. Overtreding van andere in het ontwerp opgenomen normen, dient naar het oordeel van de Raad bestuursrechtelijk (bijvoorbeeld de meldingsplicht (artikel 9 van het ontwerp) en de registratieplicht (artikel 10 van het ontwerp)) danwel strafrechtelijk (toelating dierenartsen (artikel 4 van het ontwerp) en titelbescherming dierenartsen (artikel 8 van het ontwerp)) gesanctioneerd te worden.

De Raad adviseert het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Overleg met het Openbaar Ministerie

Bij de totstandkoming van het WvSr zijn verschillende actoren betrokken geweest via een gemengde voorbereidingscommissie.

Onder verwijzing naar onderdeel “v. Artikel 41, onderdeel II, onder A”, “1o. Verhogen strafmaxima en kwalificatie misdrijf” van dit advies (pagina’s 15 en 16) geeft de Raad in overweging het Openbaar Ministerie te horen ter zake hetgeen in dat onderdeel aan de orde is gesteld.

Zorgplicht bij uitoefening diergeneeskunde

Het is de Raad opgevallen dat in het ontwerp geen bepaling is opgenomen die bepaalt dat personen die beroepsmatig de diergeneeskunde uitoefenen, niet door enig handelen of nalaten tekort mogen schieten in de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van een dier tot welke hun hulp is ingeroepen. Behoudens de algemene zorgplicht voor een ieder geldt voor hen ook niet dat zij als deskundige in geval van nood hulp behoren te verlenen aan een dier.

De Raad adviseert het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

II. Inhoudelijke opmerkingen

Het ontwerp

Artikel 1

1o. Dierenarts

Opleiding

In de definitie van het begrip “dierenarts” in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp is voor wat betreft de opleiding diergeneeskunde niet opgenomen dat het een masteropleiding op universitair niveau moet betreffen. Weliswaar wordt de opleiding diergeneeskunde thans alleen aan één Nederlandse universiteit gedoceerd, maar dat sluit niet uit dat daarin verandering kan komen. Theoretisch is het niet uitgesloten dat het in de toekomst mogelijk zal zijn om diergeneeskunde aan meerdere universiteiten te studeren of een opleiding diergeneeskunde op lager niveau (hbo) te volgen.

In verband met het bovenstaande adviseert de Raad om de definitie van het begrip “dierenarts” in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp aan te passen.

Opleiding dierengeneeskunde in Nederland

Op grond van het ontwerp wordt de opleiding diergeneeskunde in Nederland automatisch erkend en valt degene die een dergelijke opleiding voltooid heeft onder de definitie van het begrip “dierenarts” in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp. De Raad twijfelt niet aan de kwaliteit van bedoelde Nederlandse opleiding diergeneeskunde.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting aan te geven om welke reden voor de Nederlandse opleiding diergeneeskunde gekozen is en niet voor een evenzeer kwalitatief goede opleiding diergeneeskunde in een ander land.

Bevoegdheid in het betrokken land

Volgens de definitie van het begrip “dierenarts” in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp moet betrokkene naast het hebben van een diploma of graad als diergeneeskundige tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang in het betrokken land bevoegd zijn. Uit bedoelde definitie volgt niet absoluut wat met de woorden “in het betrokken land” bedoeld wordt. Het kan zijn dat daarmee bedoeld wordt het land waar de onderwijsinstelling waar het diploma of de graad behaald is, formeel juridisch gevestigd is. Een mogelijk andere betekenis kan zijn de plaats waar betrokkene gevestigd is. De memorie van toelichting behorende bij het ontwerp geeft geen duidelijkheid hierover.

Aangezien de betekenis van de woorden “in het betrokken land” in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp niet duidelijk is, adviseert de Raad in de memorie van toelichting duidelijkheid daarover te verschaffen.

2o. De Dierenbescherming en de dierenambulance

In het ontwerp wordt ervan uitgegaan dat de Dierenbescherming (en de door haar bediende dierenambulance) bij de uitvoering van de artikelen 19, 20 en 25 van het ontwerp betrokken zal zijn.

Volgens de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting (pagina 6, voorlaatste alinea) is met een aantal organisaties gesproken die het dierenwelzijn nastreven. Niet duidelijk is of bij het opstellen van het ontwerp ook met de Dierenbescherming gesproken is over de aan haar toebedeelde rol bij de uitvoering van het ontwerp.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

3o. Houder van dieren

Volgens artikel 1, onderdeel e, van het ontwerp wordt onder “houder van dieren” verstaan “een eigenaar, houder, hoeder of verzorger van dieren”.

De Raad adviseert ter wille van de duidelijkheid in de memorie van toelichting het verschil aan te geven tussen een hoeder en een verzorger van dieren.

4o. Lichamelijke ingreep

Volgens artikel 1, onderdeel g, van het ontwerp is er sprake van een “lichamelijke ingreep” wanneer een “instrumentale ingreep” plaatsvindt bij een dier en daarbij de natuurlijke samenhang van levend weefsel wordt verbroken. Op grond van laatstgenoemd artikelonderdeel, laatste zinsnede, is ook het afnemen van bloed bij een dier een “lichamelijke ingreep”.

Naar aanleiding van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het afnemen van bloed wel, maar het vaccineren van dieren waarschijnlijk niet onder een “lichamelijke ingreep” in de zin van het ontwerp valt.

Bovendien kan uit de definitie van een “lichamelijke” ingreep” worden afgeleid dat steeds met behulp van een “instrument” bij het dier moet zijn ingegrepen wil er sprake zijn van een “lichamelijke ingreep” in de zin van de onderhavige landsverordening.

Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of de initiatiefnemer bij de formulering van de definitie van een “lichamelijke ingreep” met deskundigen op het terrein van diergeneeskunde overleg heeft gevoerd en naar aanleiding van dat overleg bewust gekozen heeft om de definitie van “lichamelijke ingreep” te beperken tot die gevallen waarin met behulp van een “instrument” lichamelijk bij het dier wordt ingegrepen.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan. Ook wordt geadviseerd voor wat betreft het vaccineren van dieren in de memorie van toelichting duidelijkheid te verschaffen of dat wel of niet onder genoemde definitie valt en het ontwerp indien nodig op dat punt aan te passen.

5o. Uitoefening van diergeneeskunde

De in artikel 1, onderdeel l, onder 6, van het ontwerp aan te wijzen handelingen zullen voor een ieder die deze als beroep verrichten, ertoe leiden dat van de uitoefening van diergeneeskunde in de zin van artikel 1, onderdeel l, onder 6, van het ontwerp sprake is. Het betreft aldus een algemeen verbindend voorschrift.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande in artikel 1, onderdeel l, onder 6, van het ontwerp “landsbesluit” te vervangen door “landsbesluit, houdende algemene maatregelen”.

Artikel 4

Toelating dierenartsen

Het gebruiken in artikel 4 van het ontwerp van de woorden “onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 6” betekent naar de letter van genoemd artikel 4 dat naast dierenartsen ook degenen bedoeld in de artikelen 5 en 6 - en die dus geen dierenarts zijn - tot de uitoefening van de diergeneeskunde worden toegelaten.

Artikel 6 van het ontwerp heeft betrekking op de paraveterinair. De paraveterinair is geen dierenarts. De verwijzing in artikel 4 van het ontwerp naar artikel 6 van het ontwerp is daardoor correct.

Artikel 5 van het ontwerp heeft betrekking op het erkennen van buitenlandse diploma’s en de toelating van personen in het bezit van dergelijke diploma’s tot de uitoefening van de diergeneeskunde in Curaçao. Door bedoelde erkenning of toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde door de minister wordt betrokkene een dierenarts in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp De verwijzing naar artikel 5 in artikel 4 van het ontwerp is daarom onjuist.

De Raad adviseert de verwijzing naar artikel 5 van het ontwerp te schrappen.

Artikel 5

Toelating dierenartsen

In artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp wordt aangegeven wie als dierenarts in de zin van het ontwerp wordt aangemerkt. Artikel 4 van het ontwerp bepaalt dat dierenartsen tot de uitoefening van de diergeneeskunde worden toegelaten. In het licht van het voorgaande is artikel 5, tweede lid, van het ontwerp overbodig.

De Raad adviseert het tweede lid van artikel 5 van het ontwerp te schrappen.

Gelijkwaardigheid buitenlandse diploma’s

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het ontwerp worden bij ministeriële regeling met algemene werking buitenlandse universiteiten aangewezen die de volledige bevoegdheid verschaffen tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang. Daarnaast kan de minister op grond van het derde lid van laatstgenoemd artikel ook diploma’s of graden erkennen die niet aan een op grond van artikel 5, eerste lid, van het ontwerp aangewezen universiteit zijn behaald.

Om willekeur bij het aanwijzen van universiteiten of het erkennen van diploma’s als hiervoor bedoeld tegen te gaan, adviseert de Raad in artikel 5 van het ontwerp op te nemen dat een zodanige aanwijzing of erkenning alleen plaats kan vinden nadat een commissie van deskundigen waarvan de leden allen de hoedanigheid van dierenarts bezitten, gehoord is over de vraag of de betrokken opleiding ter verkrijging van de bedoelde graad of diploma gelijkwaardig mag worden geacht te zijn aan de master opleiding diergeneeskunde in Nederland, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp.[2]

Regels inzake toelating

Artikel 5, zesde lid, van het ontwerp bepaalt op welke aspecten de te stellen regels inzake toelating van personen die aan een niet-erkende buitenlandse universiteit afgestudeerd zijn, onder meer betrekking hebben.

Hoewel artikel 5, zesde lid, van het ontwerp niet limitatief geformuleerd is, adviseert de Raad aan genoemd artikellid toe te voegen “de gevallen waarin de toelating wordt ingetrokken” en “de geldigheidsduur van de toelating”.

Artikel 6

Toelating van de paraveterinair

Naast degene die de opleiding paraveterinair aan een hogeschool in Nederland met succes heeft voltooid, is ook een persoon die met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het ontwerp door een beschikking van de minister is toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde in beperkte omvang, op grond van artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp een paraveterinair.

Volgens de memorie van toelichting (pagina 16, eerste tekstblok, tweede alinea) worden degenen die genoemde opleiding hebben afgerond, rechtstreeks toegelaten. Dat blijkt echter niet uit de tekst van artikel 6, eerste lid, van het ontwerp. Uit artikel 6 van het ontwerp kan worden afgeleid dat ook die personen, om tot de uitoefening van de diergeneeskunde in beperkte omvang bevoegd te zijn, eerst bij beschikking van de minister moeten worden toegelaten.

In het licht van het voorgaande adviseert de Raad het ontwerp en de memorie van toelichting op elkaar te doen aansluiten.

Artikel 7

1o. Vrijstelling aan dierenartsen voorbehouden handelingen

Artikel 7, derde lid, van het ontwerp bepaalt dat de minister vrijstelling of ontheffing kan verlenen van het verbod aan anderen dan dierenartsen om anders dan beroepsmatig diergeneeskundige handelingen te verrichten.

De Raad adviseert de gronden voor vrijstelling en ontheffing van het in artikel 7, eerste lid, van het ontwerp opgenomen verbod in het ontwerp (of bij of krachtens lagere regeling) op te nemen).

2o. Vrijstelling voor houders van biggen

In artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het ontwerp worden houders van mannelijke biggen vrijgesteld van het verbod om die dieren zelf onvruchtbaar te maken, “voor zover en zolang zulks is toegestaan en met inachtneming van de daarbij gestelde regels”.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting toe te lichten om welke reden houders van mannelijke biggen vrijgesteld worden in bovenbedoelde zin. Bovendien wordt geadviseerd concreter te formuleren wat bedoeld wordt met de woorden “voor zover en zolang zulks is toegestaan en met inachtneming van de daarbij gestelde regels”. In elk geval wordt geadviseerd in het ontwerp zelf concreet te verwijzen naar de “daarbij gestelde regels” die bedoeld worden.

3o. Mogelijkheid intrekking of wijziging van een beschikking

Indien de intrekking of wijziging van een beschikking gegeven op grond van artikel 7 van het ontwerp naar het oordeel van de initiatiefnemer mogelijk moet zijn, dienen de bevoegdheid daartoe en de gronden die daartoe kunnen of moeten leiden, in het ontwerp regeling te vinden (aanwijzingen 102 en 103 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

De Raad adviseert met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 8

Titelbescherming dierenarts

In het eerste lid van artikel 8 van het ontwerp zijn verschillende verboden opgenomen. Kort gezegd gaat het enerzijds om het verbod voor anderen dan dierenartsen om in het openbaar aan te kondigen dat men diergeneeskunde uitoefent. Anderzijds is in dat artikellid ook het verbod opgenomen om de titel van dierenarts te voeren of een andere aanduiding die bij het publiek de indruk kan doen ontstaan dat men dierenarts is, terwijl dat niet het geval is. In het tweede lid van artikel 8 van het ontwerp worden beide in het eerste lid bedoelde verboden niet van toepassing verklaard op paraveterinairen en anderen die toegelaten zijn om de diergeneeskunde uit te oefenen.

Volgens de toelichting op artikel 8 van het ontwerp (pagina 16 van de memorie van toelichting) regelt genoemd artikel de titelbescherming van dierenartsen.

De Raad adviseert om paraveterinairen en anderen die tot de uitoefening van de diergeneeskunde in beperkte omvang zijn toegelaten om bovengenoemde reden (titelbescherming) niet van het tweede genoemde verbod vrij te stellen.

Artikel 9

1o. Beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften (derde lid)

Op grond van het derde lid van artikel 9 van het ontwerp stelt de Inspecteur-generaal voor de Volksgezondheid beleidsregels vast omtrent de wijze van aanmelding en omtrent de gegevens die met betrekking tot de aanmelding moeten worden verstrekt.

Een beleidsregel is een regel gemaakt door een bestuursorgaan die aangeeft hoe een bepaalde bevoegdheid van een bestuursorgaan uitgevoerd zal worden. Ze houden geen algemeen verbindende voorschriften in en binden alleen het bestuursorgaan zelf en niet de burger.

De in genoemd artikellid opgenomen aspecten, namelijk de wijze van aanmelding en de gegevens die met betrekking tot die aanmelding moeten worden verstrekt, binden in dit geval degene die zich op grond van artikel 9, eerste lid, van het ontwerp moeten melden. Regeling van die aspecten in beleidsregels is in dit geval niet mogelijk.

Gezien het voorgaande en gelet op aanwijzing 20, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving adviseert de Raad in het derde lid van artikel 9 van het ontwerp een delegatiebepaling aan de regering op te nemen. Zie in dat verband ook het zevende lid van artikel 9 van het ontwerp.

2o. Vrijstelling meldingsplicht (zesde lid)

Op grond van het zesde lid van artikel 9 van het ontwerp kan de minister vrijstelling verlenen van de meldingsplicht voor nieuwe beoefenaars van de diergeneeskunde. Dierenartsen en paraveterinairen die op het moment van inwerkingtreden van artikel 9 van de onderhavige landsverordening reeds als zodanig werkzaam zijn, dienen zich ingevolge het tweede lid van genoemd artikel echter onverwijld te melden. Op hen is artikel 9, zesde lid, van het ontwerp niet van toepassing.

De Raad adviseert de gronden voor het verlenen van vrijstelling en ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, van het ontwerp opgenomen meldingsplicht in het ontwerp (of bij of krachtens lagere regeling) op te nemen.

De Raad adviseert daarnaast om in de memorie van toelichting de reden aan te geven waarom alleen voor nieuwkomers vrijstelling van de meldingsplicht kan worden verleend en niet voor dierenartsen en paraveterinairen die bij de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening reeds als zodanig gevestigd zijn.

Artikel 10

1o. Bevoegdheid opleggen heffing in verband met kosten registratie (tweede lid)

De minister kan op grond van artikel 10, tweede lid, van het ontwerp een heffing opleggen ter vergoeding van de kosten van registratie van dierenartsen en paraveterinairen.

Deze discretionaire bevoegdheid van de minister wordt in de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp niet toegelicht.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op te nemen onder welke omstandigheden de minister tot het gebruiken van zijn discretionaire bevoegdheid over zal kunnen gaan.

2o. Onduidelijkheid over inhoud van het register (vijfde en zesde lid)

Artikel 10, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat zowel dierenartsen als paraveterinairen die hun beroep uitoefenen in een register worden ingeschreven.

Artikel 10, vijfde lid, van het ontwerp bepaalt welke gegevens dat register “ten minste” moet bevatten. Niet duidelijk is welke andere gegevens bedoeld register moet bevatten. Het kan zijn dat daarvoor gekeken moet worden naar artikel 10, zesde lid, onderdeel a, van het ontwerp (“de inrichting van het register”).

Uit de memorie van toelichting kan echter niet worden afgeleid wat bedoeld wordt met “de inrichting van het register” zodat de reikwijdte van artikel 10, zesde lid, onderdeel a, van het ontwerp en de nadere invulling van artikel 10, vijfde lid, van het ontwerp niet duidelijk zijn.

De Raad adviseert het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

3o. Toepasselijkheid van regels voor paraveterinairen (vijfde lid)

Voor wat betreft artikel 10, vijfde lid, van het ontwerp kan bovendien worden opgemerkt dat door het gebruik van de woorden “ten minste” geredeneerd zou kunnen worden dat het vijfde lid ook op de paraveterinair betrekking kan hebben. Toch is de gekozen formulering verwarrend in die zin dat het niet duidelijk is of deze minimumeisen (ten minste) alleen voor de dierenartsen zullen gelden of dat zij ook op paraveterinairen van toepassing zullen zijn.

De Raad adviseert het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

4o. Mandatering van algemeen verbindende voorschriften (zesde lid)

De in artikel 10, zesde lid, van het ontwerp bedoelde regels omtrent de inrichting van het register en de wijze van inzage in dat register zijn algemeen verbindende voorschriften. Deze regels worden volgens het ontwerp door de Inspecteur-generaal voor de Volksgezondheid gesteld en worden door de minister goedgekeurd. Het voorgaande betreft mandaatverlening tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan de Inspecteur-generaal voor de Volksgezondheid. Volgens de toelichting op aanwijzing 20, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving is mandatering van de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften – behoudens in zeer bijzondere omstandigheden - onwenselijk en onnodig. In het kader van de politieke verantwoordelijkheid aan het parlement, is het wenselijk dat de bewindspersoon zelf de regeling vaststelt.

De Raad adviseert het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen. Daarnaast wordt geadviseerd bij het stellen van regels betreffende het register ook regels te stellen die betrekking hebben op de overige gegevens die in het register worden opgenomen, de behoorlijke en zorgvuldige verwerking van de gegevens in het register en de duur van het bewaren van gegevens in het register.

Artikel 11

Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder a, van het ontwerp wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen bepaald dat de organisatie of instelling die zich met de regeling van en de opleiding tot specialismen in de uitoefening van de diergeneeskunde heeft belast, naar het oordeel van de minister representatief is.

In de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp wordt niet ingegaan op de aspecten die een rol spelen bij de vaststelling van bedoelde representativiteit.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

Artikel 12

Artikel 12 van het ontwerp bepaalt dat tijdelijke ontheffing van het bepaalde in hoofdstuk 2 van het ontwerp kan worden verleend aan dierenartsen en paraveterinairen.

De Raad adviseert de maximale duur van de ontheffing met eventuele mogelijkheid tot verlenging daarvan in artikel 12 van het ontwerp op te nemen.

Artikel 15

Aanlijnplicht

Artikel 15, eerste lid, van het ontwerp verplicht de houder van een hond om zijn hond aan te lijnen indien deze zich buiten zijn erf bevindt. Bovendien dient hij of een derde de hond buiten het erf te begeleiden. Op grond van het derde lid van genoemd artikel 15 geldt de aanlijnplicht niet buiten de bebouwde kom, tenzij het een openbare plaats betreft.

Het is voor de Raad niet duidelijk of met de term “openbare plaats” ook bedoeld wordt een “openbare weg”. Indien dat laatste het geval is vraagt de Raad aan welke plaatsen “buiten de bebouwde kom” gedacht kan worden waar geen aanlijnplicht geldt. De Raad wijst in dat verband ook op pagina 2, tweede alinea, van de memorie van toelichting betreffende verkeersveiligheid.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan en het ontwerp rekening houdend met het voorgaande duidelijker te formuleren.

Artikel 20

1o. Kosten veterinaire behandeling

Voor het in bewaring houden van gevangen honden worden op grond van artikel 20, eerste lid, van het ontwerp onderhoudskosten in rekening gebracht. De laatste volzin van genoemd artikellid bepaalt dat de kosten die gemaakt zijn voor veterinaire behandeling niet begrepen zijn in de zogenoemde onderhoudskosten van het in bewaring genomen dier.

Uit het ontwerp blijkt verder niet voor wiens rekening de kosten van veterinaire behandeling komen.

De Raad adviseert in artikel 20 van het ontwerp te bepalen voor wiens rekening laatstbedoelde kosten komen.

2o. De onder-beheerder van een plaats van bewaring

Op grond van artikel 20, derde lid, van het ontwerp kan de Dierenbescherming een andere rechtspersoon als “onder-beheerder” aanwijzen van een plaats van bewaring voor gevangen honden. Volgens de memorie van toelichting (pagina 10, derde tekstblok) moet daarbij gedacht worden aan de Stichting CARF.

Uit het voorgaande leidt de Raad af dat de zogenoemde “onder-beheerder” niet perse een juridische relatie met de Dierenbescherming heeft. Indien dat het geval is, kan de Dierenbescherming naar het oordeel van de Raad door de loutere aanwijzing van een “onder-beheerder” niet het beoogde resultaat bereiken. Immers, de “onder-beheerder” is juridisch niet verplicht uitvoering te geven aan een dergelijke aanwijzing. Het sluiten van bijvoorbeeld een overeenkomst tussen de Dierenbescherming en de “onder-beheerder” zou eerder een oplossing kunnen bieden. Indien daarnaast de plaats van bewaring aan de “onder-beheerder” toebehoort of hij op een andere wijze zelfstandig daarover beschikt, is het bovendien onjuist om hem aan te duiden met de term “onder-beheerder”.

De Raad adviseert het derde en vierde lid van artikel 20 van het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

3o. Het over een in bewaring genomen hond beschikken

Op grond van het vierde lid van artikel 20 van het ontwerp kan de beheerder of de onder-beheerder de in bewaring genomen hond ter adoptie aanbieden of over de hond beschikken.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp aan te geven wat doorgaans verstaan zal moeten worden onder het “over de hond beschikken”.

Artikel 21

Vrijheid katten

Op grond van artikel 21 van het ontwerp dient de houder van een kat de kat vrij te laten lopen binnen de grenzen van zijn erf. Op de plicht de kat vrij te laten lopen binnen de grenzen van het gehele erf (en niet een gedeelte daarvan zoals bij honden wel het geval is) wordt in het ontwerp geen uitzondering gemaakt. Vergelijk de artikelen 16 juncto 18 van het ontwerp waar het betreft de vrijheid van honden.

Bovendien vraagt de Raad of bij het opstellen van het ontwerp er rekening mee is gehouden dat het voor de houder van een kat doorgaans moeilijk kan zijn om de kat binnen de grenzen van zijn erf te houden.

De Raad adviseert op de verplichting om een kat vrij te laten lopen op het erf in ieder geval een uitzondering te maken voor de gevallen waarin direct gevaar (ook vluchtgevaar bij het afsteken van vuurwerk bijvoorbeeld) voor de kat dreigt.

Artikel 23

Delegatie van regelgeving

Artikel 23 van het ontwerp maakt regeling van een aantal onderwerpen bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, mogelijk. Volgens de toelichting op dat artikel (pagina 22, derde tekstblok van de memorie van toelichting) zal het om regels moeten gaan ter bescherming van de intrinsieke waarde van het dier, ter naleving door de houders van die dieren.

Gezien het voorgaande adviseert de Raad artikel 23 van het ontwerp te schrappen en in artikel 2 van het ontwerp een artikellid op te nemen waarin staat dat ter uitvoering van artikel 2, tweede lid, van het ontwerp nadere regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de onderwerpen die in artikel 23 van het ontwerp worden genoemd. In navolging van het voorgaande adviseert de Raad artikel 2, vierde lid, van het ontwerp in een apart artikel op te nemen.

Artikel 24

1o. Chipplicht en registratie katten

De toelichting op artikel 24 van het ontwerp (pagina 24, tweede tekstblok, twee laatste alinea’s) lijkt ervan uit te gaan dat ook katten gechipt moeten worden. In de tekst van het ontwerp is zulks echter niet opgenomen.

De Raad adviseert het ontwerp en de memorie van toelichting op elkaar te doen aansluiten.

2o. Ministeriële beschikking

Het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van het ontwerp betreft geen beschikking sec van de minister maar een regeling houdende algemeen verbindende voorschriften.

De Raad adviseert in artikel 24, tweede lid, van het ontwerp “ministeriële beschikking” te vervangen door “ministeriële regeling met algemene werking” (zie artikel 2, onderdeel h van de Staatsregeling van Curaçao).

Artikel 25

1o. Registratieplicht dieren uit het buitenland (eerste lid)

Het eerste lid van artikel 25 van het ontwerp bepaalt dat de houder van een dier het dier binnen acht weken na de geboorte in een databank registreert.

Artikel 25, eerste lid, van het ontwerp houdt geen rekening met dieren die uit het buitenland in Curaçao worden gebracht (zie artikel 24, eerste lid, van het ontwerp).

De Raad adviseert met het voorgaande rekening te houden.

2o. Vrijstelling en ontheffing registratieplicht (vijfde lid)

Op grond van artikel 25, vijfde lid, van het ontwerp kan de minister vrijstelling of ontheffing verlenen van de plicht om op grond van het eerste lid van genoemd artikel, een hond in een databank te registreren.

De Raad adviseert de gronden voor het verlenen van vrijstelling en ontheffing van de in artikel 25, eerste lid, van het ontwerp opgenomen registratieplicht in het ontwerp (of bij of krachtens lagere regeling) op te nemen.

3o. Het beheer van de databank door de Dierenbescherming (zesde lid)

Uit het zesde lid van artikel 25 van het ontwerp kan worden afgeleid dat de databank waarin dieren door hun houder geregistreerd moeten worden, een digitale databank betreft. Deze databank zal door de Dierenbescherming beheerd moeten worden. Het is niet duidelijk of genoemde stichting - naast het beheren - ook zorg moet dragen dat een dergelijke (zelfstandige) databank geïnstitueerd wordt. De Raad wijst in dit verband op bestaande databanken voor de registratie van honden en katten waarin ook honden en katten van Curaçao thans geregistreerd staan. Wellicht dat met de beheerder van die databanken afspraken ter zake gemaakt kan worden in plaats van een geheel nieuwe databank in te stellen.

De Raad adviseert met het voorgaande rekening te houden.

4o. Inzage in databank door een ieder (zesde lid)

Uit het zesde lid van artikel 25 van het ontwerp volgt voorts dat een ieder kosteloze inzage in de databank heeft. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel worden onder andere het adres van de houder en de geboortedatum en het ras van de hond in de databank opgenomen. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt welk legitiem doel inzage in de databank voor een ieder dient. De Raad verwijst in dit verband naar de Landsverordening bescherming persoonsgegevens, met name de artikelen 7 en 13. De Raad wijst u er bovendien op dat onbeperkte inzage (in een digitale databank) voor een ieder met zich mee kan brengen dat mensen met kwade bedoelingen - meer dan thans het geval is - gericht op zoek zullen gaan naar bepaalde rashonden en hun adres met het doel deze te stelen om ze te verkopen of om een “vindersbeloning” te vragen om de gestolen hond aan de houder terug te geven.

De Raad vraagt uw bijzondere aandacht voor het voorgaande.

Artikel 26

Het ontwerp en de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming

1o.  Aanwijzing van dieren

Artikel 26, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat onverminderd de toepassing van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming dieren aangewezen kunnen worden die niet als huisdier gehouden mogen worden.

Uit de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid dat het ontwerp andere dan de krachtens de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming of de Landsverordening openbare orde aangewezen dieren beoogt aan te wijzen als dieren die niet als huisdier gehouden mogen worden. Zelfs indien dat het geval is, is de Raad van oordeel dat een regeling als hiervoor bedoeld in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming respectievelijk de Landsverordening openbare orde dient plaats te vinden.

De Raad adviseert rekening te houden met het voorgaande en het eerste lid van artikel 26 van het ontwerp te schrappen.

2o. Publicatie van de registers van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming

De Raad adviseert voorts het bepaalde in het tweede lid van artikel 26 van het ontwerp ten aanzien van de registers, bedoeld in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming, in die landsverordening zelf op te nemen en de rest van het artikellid te schrappen.

Artikel 27

Toezicht en het betreden van plaatsen

Voor het betreden van plaatsen in het kader van toezichtactiviteiten is alleen voor wat betreft woningen de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner vereist.

Geadviseerd wordt in het tweede lid, onderdeel d, van artikel 27 van het ontwerp de komma na “woningen” te schrappen.

Artikel 29

Last onder dwangsom en de artikelen 19 en 20

Op grond van artikel 29 van het ontwerp kan de minister een last onder dwangsom opleggen bij overtreding van de artikelen 19 (het vangen en doden van loslopende honden) en 20 (het bewaren en beschikken over gevangen honden) van het ontwerp.

Indien de verwijzing naar de artikelen 19 en 20 van het ontwerp in artikel 29, eerste lid, van het ontwerp op een vergissing van de initiatiefnemer berust, adviseert de Raad de verwijzing naar laatstgenoemde artikelen te schrappen. In het andere geval adviseert de Raad in de memorie van toelichting in te gaan op het toepassen van een herstelsanctie (last onder dwangsom) in bovenbedoelde gevallen.

Artikel 38

Ernstige misstanden melden bij het openbaar ministerie

Indien de ernst van een overtreding of de omstandigheid waaronder de overtreding is begaan daartoe aanleiding geeft, wordt zij op grond van artikel 38 van het ontwerp aan het openbaar ministerie voorgelegd.

Uit artikel 38 van het ontwerp blijkt echter niet welke persoon of instantie een ernstige overtreding aan het openbaar ministerie dient voor te leggen.

De Raad adviseert artikel 38 van het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Artikel 40

Veterinair tuchtrechtspraak

Artikel 40 van het ontwerp bepaalt dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bepaald kan worden voor welke vergrijpen de tuchtrechtspraak van toepassing is, welke organen daarmee belast zullen worden en welke strafmaatregelen er genomen kunnen worden.

Uit de formulering van artikel 40 van het ontwerp kan worden afgeleid dat bedoeld landsbesluit, houdende algemene maatregelen, inhoudende het instellen van veterinair tuchtrechtspraak facultatief is.

Doel van het ontwerp is volgens de memorie van toelichting (pagina 5, eerste tekstblok) dat het beroep van dierenartsen wettelijk wordt erkend.

De Raad adviseert naar aanleiding van het voorgaande de instelling van tuchtrechtspraak door een veterinair tuchtcollege en eventueel een veterinair beroepscollege voor hoger beroep dwingend te formuleren en wel in het ontwerp zelf. Nadere regels betreffende overtredingen die door tuchtrechtelijke maatregelen worden gesanctioneerd kunnen op grond van artikel 83, tweede lid, van de Staatsregeling van Curaçao alleen bij wijze van delegatie tot stand gebracht worden indien in het ontwerp daarover een regeling bestaat. Ook de op te leggen tuchtrechtelijke maatregelen dienen in het ontwerp bepaald te worden.

De Raad adviseert bovendien in het ontwerp een artikel op te nemen welke bepaalt dat artikel 2:151 WvSr van overeenkomstige toepassing is op personen die ondanks schorsing of ontzegging van de bevoegdheid bepaalde diergeneeskundige handelingen uit te voeren tijdens die schorsing of ontzegging de handelingen waarop de schorsing of ontzegging betrekking heeft, uitoefent.

Artikel 41, onderdeel II, onder A

1o. Verhogen strafmaxima en kwalificatie misdrijf

Het voorgestelde artikel 41, onderdeel II, van het ontwerp beoogt volgens de toelichting een aantal in het WvSr als overtreding gekwalificeerde strafbare feiten (artikelen 3:10 en 3:54 WvSr) tot misdrijven te verheffen en tevens een aantal overtredingen van het bepaalde in het ontwerp strafbaar te stellen.

Volgens de toelichting op artikel 41, onderdeel II, van het ontwerp hebben de voorgestelde aanpassingen van het WvSr tot doel beter aansluiting te zoeken bij de hedendaagse opvattingen omtrent de ernst van het onthouden van zorg, het toebrengen van pijn of letsel en het mishandelen of doden van dieren (pagina 33, onder “Onderdeel II” van de memorie van toelichting).

In de memorie van toelichting worden geen woorden gewijd aan het feit dat daarbij tevens de strafmaxima aanzienlijk verhoogd zijn. In het voorgestelde nieuwe artikel 2:335, eerste lid, wordt de maximale gevangenisstraf voor wat betreft onderdelen a en b verhoogd van zes maanden naar twee jaren en de geldboete van de derde categorie naar de vierde categorie. Voor wat betreft onderdelen c en d van dat artikellid betreft het een wijziging van hechtenisstraf van twee weken naar een gevangenisstraf van twee jaren en van een geldboete van de tweede categorie naar een geldboete van de vierde categorie.

In het voorgestelde derde lid van genoemd artikel (thans artikel 3:10 eerste lid, WvSr) wordt de maximale hechtenisstraf van één maand vervangen door een gevangenisstraf van 12 maanden en de geldboete van de tweede categorie door een geldboete van de derde categorie.

Daarnaast zorgt het loskoppelen van het bepaalde in het voorgestelde derde lid van het bepaalde in het voorgestelde tweede lid tot gevolg dat ook daar de maximale strafmaat aanzienlijk verhoogd wordt. Ook op het feit dat met de voorgestelde wijzigingen geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de zwaardere misdrijven (opzettelijk) en de lichtere overtredingen (nodeloos) wordt in de memorie van toelichting niet ingegaan.

Op 15 november 2011 is voor Curaçao een nieuw Wetboek van Strafrecht in werking getreden. Bij de voorbereiding van dat nieuwe wetboek is getracht de op strafbare feiten gestelde strafmaxima te herzien rekening houdende met de ernst van die feiten (waarbij verschillende feiten met elkaar vergeleken werden) en de gedachte om de straffen binnen het Koninkrijk en met name voor de drie Caribische landen van het Koninkrijk en met inachtneming van specifieke lokale omstandigheden zo concordant mogelijk te maken. Geprobeerd is daarbij de strafmaxima zoveel mogelijk naar elkaar toe te brengen.

Gezien het voorgaande adviseert de Raad in de memorie van toelichting uitvoerig in te gaan op de in het ontwerp voorgenomen wijzigingen voor wat betreft het verhogen van de strafmaxima in artikel 2:335 WvSr.

2o. Strafbaarstelling overtreding van het ontwerp

Overtreding van de zorgplicht voor honden (artikel 16 van het ontwerp) wordt in het voorgestelde nieuwe artikel 2:335, derde lid, onder c, WvSr strafbaar gesteld en overtreding van de zorgplicht voor katten (artikel 22 van het ontwerp) niet.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting te motiveren welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen bij de keuze om overtreding van de zorgplicht voor honden wel strafbaar te stellen en overtreding van de zorgplicht voor katten niet.

Voor wat betreft het niet strafbaar stellen van overtreding van het bepaalde in artikel 3 van het ontwerp (algemene zorgplicht voor dieren) verwijst de Raad naar onderdeel “b. De last onder dwangsom en artikel 3 van het ontwerp” op pagina 5 van dit advies.

Artikel 41, onderdeel II, onder B

Verval artikel recidive

Door het vervallen verklaren van artikel 3:10 WvSr vervalt ook het vierde lid van dat artikel ter zake strafverhoging bij recidivisten.

De Raad adviseert met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 42

1o. Overgangsregeling “dierenartsen”

Het begrip “dierenarts” wordt in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp gedefinieerd. In artikel 42, eerste lid, van het ontwerp wordt melding gemaakt van personen die het beroep dierenarts uitoefenen, terwijl het daar gaat om personen die wellicht niet voldoen aan het bepaalde in artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp. Immers, juist voor hen wordt in artikel 42, eerste lid, een overgangsregeling opgenomen opdat zij door kunnen gaan met het uitoefenen van hun beroep ook als zij bij de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening niet ten volle aan de definitie van dierenarts in de zin van het ontwerp voldoen.

De Raad adviseert in artikel 42, eerste lid, van het ontwerp te verwijzen naar personen die zich beroepsmatig bezighouden met de uitoefening van de diergeneeskunde. Immers, een verwijzing naar het begrip “dierenarts” impliceert dat betrokkene aan de voorwaarden van artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp voldoet, terwijl dat in casu niet het geval hoeft te zijn.

2o. Overgangsregeling chipplicht en registratie honden

Artikel 42, derde lid, van het ontwerp stelt een overgangsperiode van twee jaar voor de chip- en registratieplicht van honden.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op artikel 42, derde lid, van het ontwerp in te gaan.

Artikel 43

In het algemeen deel van dit advies is in onderdeel “1. Uitvoerbaarheid en effectiviteit van het ontwerp”, “a. De Curaçaose samenleving en de intrinsieke waarde van dieren” (pagina 1) geadviseerd regels betreffende het dierenwelzijn in enge zin gefaseerd in te voeren. Artikel 43 van het ontwerp biedt de mogelijkheid daartoe. In de memorie van toelichting wordt echter niet ingegaan op de reden waarom in genoemd artikel gekozen is voor eventuele gefaseerde inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening. Het kan zijn dat de initiatiefnemer daarvoor een geheel andere reden had dan de Raad thans suggereert. 

Aan de uitvoering van het bepaalde in de onderhavige landsverordening zijn bovendien voor houders van dieren lasten verbonden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan artikel 17, derde lid, van het ontwerp.

De Raad adviseert in de toelichting op artikel 43 van het ontwerp rekening houdende met het voorgaande op de inwerkingtredingsbepaling en de mogelijkheid van nadere overgangsregelingen in te gaan.

De memorie van toelichting

Begroting Dierenbescherming en “sanctuary”

Ter uitvoering van de onderhavige landsverordening stelt de initiatiefnemer een begroting met betrekking tot de structurele operationele kosten op ten bedrage van NAf 712.680. Tevens is een (éénmalige) begroting voor het opzetten van de “sanctuary”, ad NAf 190.150.

Over de begrote bedragen adviseert de Raad opheldering in de memorie van toelichting te verschaffen over de volgende aspecten.

1°. Het bedrag van NAf 413.716

Op pagina 8 van de memorie van toelichting, in het laatste tekstblok merkt de initiatiefnemer op dat de overheid jaarlijks NAf 413.716 ten behoeve van de Dierenbescherming moet reserveren opdat de Dierenbescherming de nodige zorg aan katten en honden op Curaçao kan leveren.

De Raad vraagt de initiatiefnemer te verduidelijken hoe het bedrag ad NAf 413.716 zich verhoudt tot het in de begroting genoemde bedrag ad NAf 712.680, bijvoorbeeld of het laatstgenoemde bedrag inclusief het bedrag van NAf 413.716 is of NAf 413.716 ten behoeve van Dierenbescherming is en het restant ten behoeve van de “sanctuary”.

2°. Kengetal van straat te halen honden

Op pagina 8 van de memorie van toelichting, wordt in het laatste tekstblok aangegeven dat de Dierenbescherming ernaar streeft om per jaar 2080 loslopende of verwaarloosde dieren op te vangen. Voorts wordt op pagina 9 van de memorie van toelichting bij de kengetallen uitgegaan van 1600 per jaar van straat te halen honden.

De Raad vraagt de initiatiefnemer in de memorie van toelichting de discrepantie tussen de op pagina 8 en pagina 9 beoogde doelen toe te lichten en aan te geven op welke van de aantallen de op pagina 9 opgestelde begroting gebaseerd is.

3°. Transportkosten

Uit de begroting op pagina 9 van de memorie van toelichting - uit begrotingspost 1b. – blijkt dat de transportkosten, communicatie en materiële middelen voor de twee personen die de buitendienst draaien begroot zijn op NAf 9.000.

De initiatiefnemer wordt gevraagd aan te geven van welk soort transportmiddel hierbij van uit wordt gegaan en of het om extra aan te schaffen transportmiddelen gaat of het reeds in de organisatie aanwezige transportmiddelen betreffen die extra zullen worden ingezet. Deze vragen zijn tevens relevant voor wat betreft begrotingspost 4b van de begroting op pagina 9 van de memorie van toelichting, waarbij de transport- en communicatiekosten voor de twee buitengewone agenten van politie begroot zijn op NAf 8.000.

Het instellen van beroep tegen beschikkingen

De Raad adviseert in navolging van aanwijzing 121 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in het algemeen deel van de memorie van toelichting te verwijzen naar de werking van de Landsverordening administratieve rechtspraak met betrekking tot door bestuursorganen genomen besluiten op grond van het ontwerp.

Actualisering van gegevens

Geadviseerd wordt de gegevens in de tweede alinea van “§5. Ontwikkelingen ter bestrijding van dierenleed” van de memorie van toelichting (pagina 7) te actualiseren.

Algemene regels van bestuursrecht/medewetgevende en controlerende taak van de Staten

Op pagina 7 van de memorie van toelichting, onder “§6. Handhaving”, wordt het ontbreken van algemene regels voor bestuursrecht voor wat betreft handhaving aangehaald. Deze algemene regels voor bestuursrecht hadden op grond van additioneel artikel II van de Staatsregeling van Curaçao juncto artikel 89, tweede lid, van de Staatsregeling van Curaçao uiterlijk in oktober 2015 vastgesteld moeten zijn. Door het ontbreken van die algemene regels zijn volgens de memorie van toelichting in het ontwerp bepalingen opgenomen betreffende het bestuursrecht, zoals deze over de afgelopen periode steeds heeft plaatsgevonden om de leemte op te vangen.

De in de Staatsregeling van Curaçao opgenomen bepaling om algemene regels voor bestuursrecht vast te stellen kan opgevat worden als een opdracht aan de wetgever; de regering en de Staten samen.

De Raad adviseert de regering aan te sporen tot het spoedig uitvoeren van artikel 89, tweede lid, van de Staatsregeling van Curaçao.

Artikel 14

1o. Grote open wonden (tweede lid, onderdeel c)

De Raad adviseert in de memorie van toelichting aan te geven wat bedoeld wordt met “grote open wonden” in onderdeel c van artikel 14, tweede lid, van het ontwerp.

2o. Een algeheel zeer zieke indruk (tweede lid, onderdeel f)

De Raad adviseert in de memorie van toelichting aan te geven wat verstaan wordt onder “een algeheel zeer zieke indruk” in onderdeel f van artikel 14, tweede lid, van het ontwerp.

Artikel 15

1o. Aanlijnplicht (eerste en derde lid)

De Raad adviseert in de memorie van toelichting aan te geven welke overwegingen een rol hebben gespeeld om op grond van het eerste lid van artikel 15 van het ontwerp (buiten het erf) wel een aanlijnplicht en op grond van artikel 15, derde lid, van het ontwerp (buiten de bebouwde kom) geen aanlijnplicht te stellen.

2o. Hulphonden of assistentiehonden (vierde lid)

Op grond van het vierde lid van artikel 15 van het ontwerp geldt er geen aanlijnplicht voor zogenoemde “hulphonden”. Volgens de memorie van toelichting (pagina 19, tweede tekstblok, voorlaatste alinea) zou het daarbij gaan om honden die gebruikt worden om de activiteiten van het dagelijks leven van mensen met een motorische handicap te vergemakkelijken of ten behoeve van mensen met een auditieve beperking. Naar aanleiding van deze toelichting vraagt de Raad zich af of de initiatiefnemer in plaats van “hulphonden” niet eerder de meer omvattende term “assistentiehonden” bedoelt.

De Raad vraagt uw aandacht voor het voorgaande.

Artikel 17

Dier mag niet buiten het erf gebracht kunnen worden

Op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp dient de houder van een hond zijn erf zodanig af te scheiden dat het dier niet buiten het erf kan geraken of gebracht kan worden. Niet duidelijk is wat bedoeld wordt met de woorden “of gebracht kan worden” of door wie het dier niet buiten het erf gebracht moet kunnen worden.

De Raad adviseert over het voorgaande in de memorie van toelichting duidelijkheid te verschaffen.

Artikel 19

1o. Voor politie toegankelijk gesteld erf (eerste lid)

Op grond van artikel 19, eerste lid, van het ontwerp kunnen zwervende of loslopende honden door een ieder gevangen worden onder andere wanneer ze op een daartoe door de rechthebbende voor de politie toegankelijk gesteld erf worden aangetroffen.

Uit het voorgaande lijkt te volgen dat indien het erf niet door de rechthebbende voor de politie toegankelijk wordt gesteld, de zwervende of loslopende hond niet gevangen mag worden op grond van genoemd artikellid.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

2o. Inslapen van gevangen honden bij geen dierwaardig leven (tweede en derde lid)

Op grond van het tweede lid van artikel 19 van het ontwerp wordt een gevangen hond dat geen dierwaardig leven meer kan leiden onmiddellijk en pijnloos ingeslapen. Het derde lid van genoemd artikel bepaalt wanneer een hond geen dierwaardig leven meer heeft.

Uit het ontwerp en de memorie van toelichting blijkt niet dat sprake moet zijn van een ongeneeslijk zieke hond. In het bijzonder de onderdelen a en b van artikel 19, derde lid, van het ontwerp lijken ervan uit te gaan dat voor een beslissing tot het doen inslapen van een hond niet relevant is of de hond met medicatie, therapie of een medische ingreep weer een dierwaardig leven zal kunnen leiden.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan.

Artikel 25

De Raad adviseert de laatste volzin op pagina 23 en de eerste volzin op pagina 24 van de memorie van toelichting naar aanleiding van de opmerking van de Raad op pagina 13 van dit advies in onderdeel “p. Artikel 25”, “2o. Vrijstelling en ontheffing registratieplicht (vijfde lid)” aan te passen.

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Willemstad, 7 februari 2018

de Ondervoorzitter,                                                                 de Secretaris,

___________________________                                          _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                            mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/27-17-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

I.   Het ontwerp

Het opschrift

Aanduiding onderwerp van de regeling

Volgens aanwijzing 84, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving geeft het opschrift een beperkte aanduiding van het onderwerp van de regeling. In het ontwerp worden zowel regels gesteld ten aanzien van het welzijn van dieren als regels betreffende de erkenning en regulering van het beroep van dierenarts en paraveterinair.

Voorgesteld wordt het opschrift met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Citeertitel

Aan het slot van het opschrift staan twee korte omschrijvingen van de inhoud van het ontwerp tussen haakjes wat overeenkomstig aanwijzing 85 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in principe zou moeten duiden op een citeertitel.

Aan een regeling wordt in een slotartikel een citeertitel gegeven. In het ontwerp is geen bepaling opgenomen waarin aan de regeling een citeertitel wordt gegeven.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat indien ervoor gekozen wordt om aan de regeling een citeertitel te geven, er slechts één citeertitel aan de regeling kan worden toegekend. In dit geval zou dan gekozen kunnen worden een citeertitel in het Papiaments aan de regeling te geven of in het Nederlands, maar niet beide varianten, zoals dat in dit geval wel is gebeurd.

De overwegingen

Voorgesteld wordt in de eerste overweging “in grote aantallen door de mens” te vervangen door “door veel mensen”.

Voorgesteld wordt in de tweede overweging concreter te formuleren (erkenning en regulering van het beroep van dierenartsen).

Voorgesteld wordt de derde overweging te schrappen.

Artikel 1

Dierenarts

Voorgesteld wordt bij de formulering van het begrip “dierenarts”, in artikel 1, onderdeel b, te kiezen voor een opsomming van de verschillende mogelijkheden.

Dierenbescherming

Voorgesteld wordt in artikel 1, onderdeel c “dierenbescherming” te vervangen door “Dierenbescherming”.

Diergeneesmiddel

Voorgesteld wordt in artikel 1, onderdeel d, onder 1o., na “gebrek” een komma in te voegen.

Inspectie

Voorgesteld wordt in de definitie van “inspectie” in artikel 1, onderdeel f, “inspectie” te vervangen door “Inspectie” en voorts te verwijzen naar artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening Inspectie voor de Volksgezondheid.

Paraveterinair

Voorgesteld wordt in artikel 1, onderdeel j, na “degene” in te voegen “die” en “een Hogeschool” te vervangen door “een hogeschool”.

Register

Voorgesteld wordt in artikel 1, onderdeel k, “van Curaçao” te schrappen.

Uitoefening van diergeneeskunde

Voorgesteld wordt in artikel 1, onderdeel l de woorden “het als beroep” te schrappen. In de artikelen waarin “uitoefening van de diergeneeskunde” in het ontwerp verder voorkomt wordt voorgesteld “als beroep” of “beroepsmatig” toe te voegen zodat alsdan de door initiatiefnemer oorspronkelijk voorgestelde definitie tot haar recht komt.

Door de door de Raad voorgestelde formulering van artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp kan in artikel 7, tweede lid, dat thans voor misverstanden kan zorgen, de bevoegdheid tot het beroepsmatig en het anders dan beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen naast elkaar worden geformuleerd.

Artikel 2

Voorgesteld wordt in artikel 2, tweede lid, “de nodige” te schrappen, omdat dit woord in de context van de zin naast het woord “behoeven” overbodig is.

Voorgesteld wordt voorts in artikel 2, derde lid, aanhef “nodige” te schrappen.

Onderdelen a tot en met d, en f van artikel 2, derde lid, zijn absoluut geformuleerd. Onderdeel e van genoemd artikellid is door de zinsnede “voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd” enigszins gerelativeerd.

Voorgesteld wordt de aangehaalde zinsnede op alle onderdelen van genoemd derde lid betrekking te doen hebben door deze aan het slot van artikel 2, derde lid, van het ontwerp (na een puntkomma en op een nieuwe regel) op te nemen.

In navolging van het voorgaande wordt voorgesteld in artikel 2, derde lid, onderdeel f, “onnodige of disproportionele” te schrappen.

5.   Artikel 3

Voorgesteld wordt in artikel 3, eerste lid, na “voor” in te voegen “de” en na “dieren” toe te voegen “die hij houdt”.

Artikel 3, eerste lid, heeft betrekking op de zorgplicht van houders van dieren voor hun dieren. In het tweede lid van genoemd artikel wordt nadere invulling gegeven aan die zorgplicht. Om misverstanden te voorkomen wordt voorgesteld in artikel 3, tweede lid, “een ieder” te vervangen door “de houder”.

Voorgesteld wordt in artikel 3, vierde lid, van het ontwerp “dierenambulance” te vervangen door “Dierenbescherming”.

Artikel 5

Derde lid

Voorgesteld wordt in artikel 5, derde lid, “Een dierenarts” te vervangen door “Degene die” en na “graad” in te voegen “als diergeneeskundige”. Immers, in samenhang met artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp wordt die persoon – pas ná de beschikking van de minister - gezien als een “dierenarts”.

Zesde lid

Voorgesteld wordt in artikel 5, zesde lid, onderdeel b te verletteren tot onderdeel d en onderdelen c en d tot onderdelen b en c.

Zevende lid

Voorgesteld wordt in artikel 5, zevende lid, na “gegevens” in te voegen “en bescheiden”.

Artikel 7

Voorgesteld wordt in artikel 7, eerste lid, “chip” te vervangen door “ISO-chip” en in de memorie van toelichting aan te geven wat dit is.

Artikel 10

Derde lid

In het derde lid wordt melding gemaakt van “de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid”. In het eerste lid wordt naar geen enkele bevoegdheid verwezen. Wellicht dat bedoeld wordt “de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen”.

Vierde lid

Voorgesteld wordt in het vierde lid, de verwijzing naar het tweede lid, te vervangen door een verwijzing naar het derde lid.

Zesde lid

Voorgesteld wordt het tweede zesde lid en het zevende lid te vernummeren.

Voorgesteld wordt in het tweede zesde lid “deze regels” te vervangen door “de regels, bedoeld in het zesde lid”.

Artikel 11

Voorgesteld wordt in het tweede lid de onderdelen c en d te verletteren tot onderdelen b en c.

Artikel 12

Voorgesteld wordt na “die” in te voegen “tijdelijk” en na “werkzaam” het woord “willen”.

Artikel 13

Voorgesteld wordt onderdeel b op te nemen in een apart artikel tussen de voorgestelde artikelen 6 en 7 en daaraan toe te voegen “door dierenartsen en paraveterinairen”.

Artikel 14

Eerste lid

Voorgesteld wordt in het eerste lid, aanhef, “Een houder” te vervangen door “De houder”, en “honden” door “een hond”.

Voorgesteld wordt in onderdeel a na “over” in te voegen “voldoende” en “van een onbeperkte hoeveelheid” te schrappen. Daarnaast wordt voorgesteld de volzin die volgt in een apart artikellid op te nemen en daarbij te verwijzen naar het eerste lid, onderdeel a.

Voorgesteld wordt in onderdeel b “, doch minimaal eenmaal per dag” te schrappen omdat deze toevoeging overbodig is en de volgende volzin in een apart artikellid op te nemen met een verwijzing naar het eerste lid, onderdeel b.

Voorgesteld wordt in onderdeel c de tweede volzin te schrappen. De verplichting de instructies van de dierenarts te volgen vloeit reeds voort uit de eerste volzin. Indien gewenst kan het een en ander in de memorie van toelichting ter verduidelijking worden opgenomen.

Voorgesteld wordt in onderdeel d “zo min mogelijk” te vervangen door “niet”.

Voorgesteld wordt voorts in de onderdelen a tot en met d “een hond” steeds te vervangen door “de hond”.

Artikel 15

Eerste lid

Voorgesteld wordt in het eerste lid “Een houder” te vervangen door “De houder”.

Tweede lid

Voorgesteld wordt in het tweede lid, aanhef, “een houder” te vervangen door “de houder” en in onderdeel b “vierde lid 4” te vervangen door “vierde lid”. Voorgesteld wordt voorts in onderdeel a “1.50 meter” te vervangen door “1,5 meter”.

Vierde lid

Voorgesteld wordt in het vierde lid “aanlijnplicht” te vervangen door “verplichting”.

Vijfde lid

Voorgesteld wordt in het vijfde lid “Een houder van dieren” te vervangen door “De houder van een hond” en “een hond” telkens door “de hond”.

Artikel 16

Eerste lid

Voorgesteld wordt “Een houder” te vervangen door “De houder”.

Tweede lid

Ter verduidelijking wordt voorgesteld het eerste en tweede lid samen te voegen door een formulering met “behoudens het bepaalde in artikel 18” te verkiezen.

Artikel 17

Voorgesteld wordt in artikel 17 “Een houder” steeds te vervangen door “De houder” en in het derde lid “de hond” door “een hond”.

Artikel 18

Eerste lid

Voorgesteld wordt in het eerste lid, eerste volzin, “uitsluitend tijdelijk” te schrappen en de tweede volzin van het eerste lid op te nemen in een nieuw tweede lid. In het nieuwe tweede lid wordt voorgesteld na “beperking” in te voegen “bedoeld in het eerste lid” en “de vorige volzin” te vervangen door “het eerste lid”.

Derde lid

Voorgesteld wordt voorts in het derde lid, aanhef, “Een houder” te vervangen door “De houder van een hond”, de komma na “hok” te schrappen en in onderdeel a, “stevig is” te vervangen door “stevig zijn”.

Vierde lid

Voorgesteld wordt in het vierde lid “Een houder die de hond” te vervangen door “De houder van een hond die een hond”.

Artikel 20

Voorgesteld wordt in het vierde lid na “de hond” in te voegen “die niet door de houder is opgevraagd”.

Artikel 22

Voor de technische opmerkingen wordt verwezen naar pagina’s 23 en 24 van deze bijlage onder “12. Artikel 14”.

Artikel 24

Voorgesteld wordt in het eerste lid “tweede weken” te vervangen door “twee weken”.

Artikel 25

Voorgesteld wordt in het derde lid, onderdeel a, “de vestigingsadres” te vervangen door “het vestigingsadres” en in onderdeel c, de verwijzing naar “onderdelen c tot en met e” te vervangen door een verwijzing naar “onderdelen c en d”.

Artikel 27

Eerste lid

Voorgesteld wordt in het eerste lid na “alsmede” in te voegen “de”.

Derde lid

Voorgesteld wordt in het derde lid de verwijzing naar het eerste lid te vervangen door een verwijzing naar het tweede lid.

Vierde lid

Voorgesteld wordt in het vierde lid de verwijzing naar het derde lid, te vervangen door een verwijzing naar het tweede lid.

Zesde lid

Voorgesteld wordt aan het zesde lid toe te voegen “, die op grond van het tweede lid, wordt gevorderd”.

Artikel 30

Voorgesteld wordt het tweede en derde lid met elkaar te verwisselen.

Artikel 39

Tweede lid

Voorgesteld wordt in het tweede lid “dergelijke” te schrappen en na “rechtsvordering” in te voegen “als bedoeld in het eerste lid”. Voorgesteld wordt bovendien “zij” te vervangen door “hij” en “haar” door “zijn”.

Derde lid

Voorgesteld wordt in het derde lid “Ook (…) waarbij” te schrappen, “het” te vervangen door “Het”, vóór “steeds” in te voegen “wordt” en “een voldoende eigen belang wordt” te vervangen door “voldoende belang in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek”.

Artikel 42

Tweede lid

Voorgesteld wordt het tweede lid in woorden van de volgende strekking te formuleren:

“Bij toepassing van het eerste lid vindt inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10, onder vermelding van de plaats van uitgifte van het diploma”.

Derde lid

Voorgesteld wordt in het derde lid in woorden van de volgende strekking te doen formuleren:

“Indien een hond op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening zich reeds in Curaçao bevindt en op dat tijdstip ouder is dan zeven weken, zijn de artikelen 24 en 25 24 maanden na inwerkingtreding van deze landsverordening van toepassing op de houder van deze hond ”.

II.  De memorie van toelichting

Pagina’s 2 en 3

Voorgesteld wordt de laatste alinea op pagina 2, vanaf de tweede volzin, en het eerste tekstblok op pagina 3 ta schrappen. Volstaan kan worden met een verwijzing in voetnoten naar de aangehaalde bronnen.

Pagina 3

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste volzin, “op Curaçao” te vervangen door “in Curaçao”.

Pagina 4

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, derde volzin, na “mishandelen” in te voegen “van dieren” en na “dierenartsen” de woorden “van dieren” te schrappen.

Pagina 5

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde alinea, eerste volzin, de tweede “is” te vervangen door “kan” en om voorts “”bevoegd”” en “te” te schrappen. Voorgesteld wordt voorts in de derde volzin “de praktijk” te schrappen en “de voorheen” te vervangen door “voorheen”.

In het eerste tekstblok, voorlaatste alinea, wordt in de laatste volzin melding gemaakt van “de onderhavige wetgeving”. Niet duidelijk is of daarmee bedoeld wordt het onderhavige ontwerp of andere wetgeving waarnaar in §2 van de memorie van toelichting wordt verwezen.

Voorgesteld wordt de memorie van toelichting op bovenbedoeld punt aan te passen.

Pagina 6

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede alinea, de afkortingen “CARF” en “Hadoc” voluit te schrijven. Voorgesteld wordt voorts in de derde alinea, eerste volzin, “de grote getallen” te vervangen door “het grote aantal”.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste volzin “het hoofd van” te schrappen en in de tweede volzin “het hoofd” te vervangen door “de”.

Pagina 7

Voorgesteld wordt in de eerste volzin van onderdeel “§5. Ontwikkelingen ter bestrijding van dierenleed” de zinsnede “Curaçao Animal Rights Foundation (CARF)” te vervangen door “CARF”.

Voorgesteld wordt in onderdeel “§6. Handhaving”, eerste alinea, tweede volzin, “door de regering vastgestelde” te vervangen door “tot stand gekomen” en de laatste volzin te schrappen.

Pagina 11

Voorgesteld wordt in de eerste volzin onder “Dierenambulance” de woorden “hulpbehoeven dieren” te vervangen door “hulpbehoevende dieren”.

Voorgesteld wordt onder “Dierenarts”, de tweede volzin van de eerste alinea en de derde volzin van de tweede alinea te schrappen. Voorgesteld wordt voorts in de tweede alinea, vijfde volzin “de diploma” te vervangen door “het diploma”.

Voorgesteld wordt voorts onder “Diergeneesmiddel” de tweede en derde volzin te schrappen.

Pagina 12

Voorgesteld wordt onder “Onvruchtbaar maken”, tweede volzin, “hierboven gegeven” te schrappen en “in” te vervangen door “vindt”. Voorgesteld wordt voorts in de vierde volzin “worden gemaakt” te vervangen door “te maken”.

Pagina 14

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste alinea, “volwassene” steeds te vervangen door “persoon”.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde alinea, “in grote getallen op” te vervangen door “op grote schaal in”.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok “de artikelen 5 en 6” te vervangen door “artikel 6”.

Pagina 15

Voorgesteld wordt het tweede tekstblok te schrappen.

Pagina 16

Voorgesteld wordt onder “Artikel 7”, laatste alinea, “ontheffing” te vervangen door “vrijstelling” (aanwijzing 100, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

Voorgesteld wordt het kopje van het laatste tekstblok te schrappen en de laatste volzin van dat tekstblok te schrappen.

Pagina 17

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, laatste volzin, “de toilet” te vervangen door “het toilet”.

Pagina 18

Voorgesteld wordt het eerste tekstblok - met uitzondering van de laatste volzin - te schrappen.

Voorgesteld wordt voorts in het tweede tekstblok, voorlaatste volzin, “verversd” te vervangen door “ververst” en in het laatste tekstblok, eerste bullet, na “sprake” het woord “is” in te voegen.

Pagina 19

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, voorlaatste alinea, tweede volzin, de eerste “een” te schrappen, “opgeleide hond zijn voor” te vervangen door “opgeleid zijn om” en na “beperking” in te voegen “te helpen”.

Pagina 21

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde volzin van onder, “om” één keer te schrappen en in de laatste volzin “dat is de houder” te vervangen door “dan is de houder”.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, derde volzin, “det woorden” te vervangen door “de woorden”.

Pagina 22

In het derde tekstblok, laatste volzin boven de laatste opsomming, wordt voorgesteld “dient elk houder” te vervangen door “dient elke houder”.

Pagina 23

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, tweede volzin, “, geen twee (...) uit 15 cijfers” te schrappen.

Pagina 24

Tweede tekstblok

Voorgesteld wordt de eerste volzin van de tweede alinea samen te voegen met de eerste volzin van de eerste alinea.

In de laatste volzin van de eerste alinea wordt een voorbeeld gegeven van een geval waarin een krokodil gevangen is en verplaatst is naar de dierentuin. Indien dat voorbeeld gehandhaafd blijft wordt voorgesteld “recentelijk” te vervangen door het jaar waarin dat voorval heeft plaatsgevonden.

Pagina 25

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste volzin, “en recentelijk (…) (P.B. 2015, no. 31)” te schrappen.

Voorgesteld wordt bovendien de laatste volzin van het tweede tekstblok te schrappen.

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, laatste volzin, na “verbeurd” in te voegen “worden”.

Pagina 28

Voorgesteld wordt in de tweede alinea, derde volzin, “warden ingevorderd” te vervangen door “worden ingevorderd”, in de zesde volzin, “Op grand van” door “Op grond van” en in de zevende volzin, “warden gedacht” in “worden gedacht”.

Pagina 29

In het eerste tekstblok, eerste volzin wordt voorgesteld “warden gebracht” te vervangen door “worden gebracht”.

In het tweede tekstblok, derde volzin wordt voorgesteld “warden overgeslagen” te vervangen door “worden overgeslagen” en in de vijfde volzin “terug te verwijzen” door “terug kan verwijzen”.

Pagina 32

In de vierde alinea, eerste volzin wordt voorgesteld “De voorliggend aanpassing” te vervangen door “De voorliggende aanpassing”.

Pagina 33

Voorgesteld wordt de vierde volzin in het tweede tekstblok te herformuleren. Voorts wordt in het vorengenoemde tekstblok voorgesteld in de vijfde volzin “beter aansluiting” te vervangen door “betere aansluiting”.

___________  _______________

 

[1] Lid drs. H.T. van der Woude RC heeft zich met inachtneming van de “Gedragsregels van de Raad van Advies ter zake omgaan met tegenstrijdige belangen” verschoond van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de behandeling van het (concept)advies over de onderhavige initiatiefontwerplandsverordening.

[2] Vergelijk artikel 2 van de Landsverordening van de 19de december 1958 tot de uitoefening van de geneeskunde.