Adviezen

RvA no. RA/26-18-LV

Uitgebracht op : 30/08/2018
Publicatie datum: 17/09/2018

Ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2019

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 3 augustus 2018, dat de Raad van Advies op 8 augustus 2018 heeft ontvangen, om het oordeel van de Raad inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 30 augustus 2018 bericht de Raad u als volgt.

I. Algemene opmerkingen

1. De onderbouwing van de beleidsvoornemens

a.   Concretisering beleid c.q. voornemens

Volgens de Raad is de begroting een instrument waarmee de regering, naast het toelichten van de verwachte baten en lasten voor een begrotingsjaar, onder andere ook kenbaar maakt welke koers de regering in de komende jaren en vooral in het begrotingsjaar zal varen middels aanwending van algemene middelen opdat rust binnen de gemeenschap wordt gegarandeerd en de welvaart en het welzijn voor alle burgers op een aanvaardbaar niveau blijven danwel worden verbeterd. Om de laatstgenoemde ultieme doelen te realiseren en om het volk de zekerheid te bieden dat de regering in dienst is van de gemeenschap, dient in de begroting een strategische aanpak van de actuele noden binnen de gemeenschap, terug te vinden zijn.

In de eerste alinea van het hoofdstuk “Inleiding” van de Algemene Beschouwingen vermeldt de regering voornemens die daadwerkelijk stroken met hetgeen hierboven wordt gesteld. Volgens genoemde eerste alinea geeft de regering aan, te streven naar:

-     de bestaande verdeeldheid en de stagnerende economie het hoofd te bieden;

-     de armoede te bestrijden; en

-     het opstarten van grote projecten om werkgelegenheid en inkomen te creëren.

            Armoede, werkgelegenheid en economische groei zijn aspecten die zeer nauw verweven zijn met elkaar. Het staat buiten kijf dat duurzame economische groei positief uitwerkt op zowel werkgelegenheid als armoede Curaçao heeft al ruim een decennium lang geen (structurele) groei gekend. Zo is in de recente jaren, namelijk 2016 en 2017 de economie gekrompen met respectievelijk 1% en 1,7%. Voor het jaar 2018 gaat de regering uit van een nul procent groei, echter is de verwachting volgens de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: de CBCS) dat ook in het jaar 2018 zich een krimp zal voordoen en wel van 1,6%. Voor het jaar 2019 is de regering behoedzaam – in vergelijking met de CBCS die een lichte groei prognosticeert - en verwacht dat de economische groei 0% zal zijn. Voor de regering is het imperatief dat minimaal een 0% groei in 2019 wordt gerealiseerd – en geen krimp - en voorts dat de regering zich blijft inspannen ter verdere verbetering van het investeringsklimaat opdat de economie van Curaçao uit de negatieve spiraal kan geraken en in de komende jaren een trend van duurzame economische groei kan worden ingezet. Gelet op de huidige precaire financieel-economische situatie waarin Curaçao al jaren verkeert, is de Raad[1] van oordeel dat ook binnen afzienbare tijd maatregelen getroffen moeten worden om de groei van de economie van Curaçao een impuls te geven (of te stimuleren).

Gezien het vorenstaande is de regering onder meer gehouden het klimaat te creëren opdat lokale particulieren en buitenlandse potentiële investeerders het vertrouwen in de overheid en de economie krijgen en bereid zijn te investeren. De regering zal moeten zorgdragen voor verbetering van het investeringsklimaat door obstakels die investeringen in de weg staan, te elimineren. Voor een nadere uiteenzetting met betrekking tot bovengenoemde obstakels verwijst de Raad naar onderdeel “a. Stagnerende economie” op pagina 6 van dit advies.

Tevens is gewenst dat specifieke beleidsterreinen die acute aanpak vergen van de regering, zoals dat te constateren is in de memorie van toelichting, zoveel mogelijk worden geïdentificeerd. Wenselijk is echter dat met betrekking tot de door de regering in de memorie van toelichting genoemde terreinen beleid opgenomen is in de memorie van toelichting behorende bij de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2019 (hierna: de ontwerpbegroting 2019) dat volgens het SMART-principe geformuleerd is. Dit laatste is nodig om gericht beleid te kunnen voeren, het voorgenomen beleid te kunnen evalueren op effectiviteit opdat waar nodig processen in uitvoering kunnen worden bijgestuurd. De Raad constateert dat in de ontwerpbegroting 2019 de regering in onvoldoende mate ingaat op de acute problemen – armoede, stagnerende economische groei en hoge werkloosheid - en er niet voor al deze vraagstukken een plan van aanpak wordt gepresenteerd.

b. Financieringsruimte vs aflossingspotentieel

In het eerste tekstblok op pagina 55 van de Nota van Financiën meldt de regering dat uitgaande van de begrotingsnorm c.q. de rentelastnorm, de financieringsruimte van de overheid gunstig is. Volgens de Raad klopt hetgeen de regering stelt ten aanzien van de financieringsruimte. De Raad wenst er evenwel op te wijzen dat bij de kwantificering van de beschikbare financieringsruimte niet alleen de financieringsruimte uitgaande van de rentelastnorm bepalend is, doch ook rekening gehouden dient te worden met het aflossingspotentieel van de overheid. Het is wenselijk dat de omvang van de staatsschuld het aflossingspotentieel van de overheid niet overschrijdt, dit onder andere ter voorkoming dat de overheidsfinanciën geteisterd wordt door toenemende rentekosten – enkel - als gevolg van een stijgende staatsschuld. Zoals aangegeven op pagina 4, eerste tekstblok, van de Nota van Financiën, is de schuldpositie van een land houdbaar, indien de schuldverplichtingen meerjarig kunnen worden voldaan zonder ingrijpende begrotingsaanpassingen. Het vorenstaande, mede gelet op het feit dat de regering de in 2020 te vervallen schuldtitels niet gaat kunnen aflossen, impliceert volgens de Raad dat de staatsschuld van de overheid op langere termijn niet houdbaar is.

Voorts dient, ten aanzien van de rentekosten die de staatsschuld met zich meebrengt, er volgens de Raad rekening mee gehouden te worden dat deze – behalve van de omvang van de staatsschuld - ook afhangen van de rentestand, welke wereldwijd een stijgende trend vertoont. Verwachtbaar is dat bij herfinanciering van de schuldtitels in de komende jaren – met name in het jaar 2020 - de rentekosten van de overheid zullen toenemen – in dat geval dan - vanwege duurdere obligatieleningen.

Ook wijst de Raad erop dat het beleid van de regering erop gericht is om, mede door oprichting van een eigen Begrotingskamer[2], het toezicht door het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (hierna: het Cft) op termijn te laten vervallen. Consequentie daarvan is dat Nederland niet meer gehouden zal zijn aan haar staande inschrijvingsplicht, dat de regering toekomstige leningen op de markt zal dienen uit te zetten en dat het gevolg daarvan ook zal zijn dat de rentelasten verder op zullen lopen.

Tenslotte wijst de Raad erop dat uit “Tabel 3: Economische indicatoren 2010-2017” op pagina 14 van de Nota van Financiën blijkt dat de overheidsschuld als percentage van het Bruto Binnenlands Product (hierna: BBP) in 2017 al is opgelopen tot boven de 50%. Dit percentage zal gezien de verwachte beperkte groei van het BBP en de verdere toename van de schulden de komende jaren naar verwachting nog verder oplopen, terwijl het IMF voor kleine, open en kwetsbare economieën als die van Curaçao een maximale staatsschuld van 40% van het BBP adviseert. De steeds toenemende staatsschuld waaruit toenemende rentelasten en aflossingsverplichtingen voortvloeien voor de overheid, in combinatie met een stagnerende economie kan bij ongewijzigd beleid een adequate uitvoering van de overheidstaken op termijn (verder) in gevaar doen komen.

Gelet op het risico voor de overheidsbegroting vanwege de toenemende staatsschuld waarbij de verdiencapaciteit van de overheid achterloopt als gevolg van de tegenvallende economische groei wordt de overheid in overweging gegeven – naast dat volop inspanning gepleegd dient te worden voor het op gang brengen van structurele economische groei - een streng leenbeleid te voeren door slechts in hoogst noodzakelijke gevallen leningen aan te gaan (voor investeringen), totdat het aflossingspotentieel van de overheid voldoende is. Om gestalte te geven aan een streng leenbeleid en om dit beleid te waarborgen wordt de regering – zoals reeds geadviseerd door de Raad in zijn advies van 28 augustus 2017 inzake de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2018[3]  - wederom geadviseerd op korte termijn een schuldquotenorm vast te stellen en deze in de wet te verankeren.

c. Doorwerking macro-economische kengetallen

In de ontwerpbegroting 2019 gaat de regering uit van de volgende verwachtingen met betrekking tot inflatie en economische groei:

Jaar

2019

Inflatie

1,7%

Economische groei

0%

Uitgaande van de bovenstaande tabel kan volgens de Raad worden verwacht dat de economie in 2019 een nominale groei zal doormaken van 1,7%.

Bij de componenten van de ontwerpbegroting 2019 waar de regering er van uit gaat dat die gelijk zullen veranderen met de nominale groei van de economie, zoals de indirecte belastingopbrengsten, de loon- en inkomstenbelasting en de winstbelasting, wordt de regering geadviseerd een groei van 1,7% aan te houden of anders de hoger veronderstelde groei toe te lichten.

d. Beleidsvoornemens, instrumenten en meetbare resultaten

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de regering voor het duidelijker in beeld brengen van de beleidsvoornemens die in de Algemene Beschouwingen behorende bij de ontwerpbegroting 2019 worden opgenomen. Dat betekent dat een beleidsvoornemen niet alleen duidelijk moet worden geformuleerd, maar dat ook aangegeven moet worden welke activiteiten zullen worden verricht om dat voornemen te verwezenlijken en welke meetbare resultaten gedurende en na het hele uitvoeringstraject worden verwacht. Daarnaast dienen de beleidsvoornemens gerelateerd te worden aan de begrote bedragen voor het betrokken dienstjaar of de daaropvolgende dienstjaren in de meerjarenbegroting en aan een tijdsplanning voor de realisering daarvan.

Zie in dat licht bijvoorbeeld het hoofdstuk “Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening” van de Algemene Beschouwingen. In de Algemene Beschouwingen (pagina’s 44 tot en met 55) wordt weliswaar aangegeven welke de algemene en operationele doelstellingen (outcome en output) zijn en worden de instrumenten (activiteiten) aangegeven waarmee deze bereikt zullen worden, maar deze worden niet gekoppeld aan de budgettaire gevolgen. Zie bijvoorbeeld ook het onderdeel “Algemene Rekenkamer” van het hoofdstuk “Staatsorganen en overige algemene organen” van de Algemene Beschouwingen waaruit blijkt dat de beleidsverantwoorde begroting 2019 van de Algemene Rekenkamer niet conform het door het Ministerie van Financiën vastgestelde format van de Verantwoorde Beleidsbegroting is opgesteld en tevens onvolledig is.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande van te passen.

e. Stand van zaken processen c.q. activiteiten

De Raad constateert dat ter realisatie van doelen de daarvoor noodzakelijke activiteiten wel eens in achtereenvolgende begrotingen worden herhaald zonder bijvoorbeeld aan te geven waar de regering in het proces staat en wat het gewenste niveau is bij de met de trajecten beoogde doelen. Het laatste komt de informatiewaarde van de begroting niet ten goede.

Zie in dit verband de voorbeelden over de op te richten visserij-autoriteit en energiebureau (pagina’s 110, tweede tekstblok, en 112, laatste tekstblok, van de Algemene Beschouwingen).

In het licht van het vorenstaande wordt de regering gevraagd bij het herhaaldelijk opnemen van eenzelfde voornemen in achtereenvolgende begrotingen als activiteit ter realisatie van een doel, kort in te gaan op de stand van zaken bij de desbetreffende activiteit.

2. Cijfers betreffende dienstjaren 2017 en 2018

De tabellen in de Algemene Beschouwingen geven in tegenstelling tot die in de Nota van Financiën, géén inzicht in de realisatiecijfers van 2017 en de prognose voor 2018, en zelfs niet in die van de Begroting voor het dienstjaar 2018 (hierna: de Begroting 2018), waardoor de Algemene Beschouwingen naar het oordeel van de Raad minder bruikbaar zijn als beleidsinstrument. De begrote bedragen voor het dienstjaar 2019 kunnen immers niet worden afgezet tegen die van de dienstjaren 2017 en 2018. Uiteraard kan worden gekeken naar de Begroting 2018, maar ter verhoging van de informatiewaarde is het noodzakelijk deze informatie (realisatiecijfers van 2017 en de prognose voor 2018) op te nemen in de Algemene Beschouwingen. Bovendien kan op grond van de Begroting 2018 niet beoordeeld worden of de daarin gestelde doelen gehaald zijn of zullen worden gehaald. Een indicatie zou naar het oordeel van de Raad gewenst zijn, omdat dan veel beter beoordeeld kan worden of de voor het dienstjaar 2019 begrote bedragen daadwerkelijk aansluiten op de huidige stand van zaken.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op bovengenoemd punt aan te vullen.

3. Cijfers meerjarenbegroting identiek of niet ingevuld

Het doel van een meerjarenbegroting is om inzicht te geven in voor de naaste toekomst verwachte ontwikkelingen en in de effecten van voorgenomen beleid. Hoewel de inrichting van de meerjarenbegrotingen over het algemeen globaal van aard is, geeft de onderhavige meerjarenbegroting naar de mening van de Raad onvoldoende inzicht in de verwachte ontwikkelingen van het voorgenomen beleid.

Geconstateerd is dat de geraamde bedragen op de meerjarenbegroting vaak niet afwijken van de geraamde bedragen voor het dienstjaar 2019. Voor de Raad is dan ook niet duidelijk hoe reëel de in de meerjarenbegroting opgenomen bedragen zijn. Zie bijvoorbeeld de Algemene Beschouwingen het hoofdstuk “Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening” (pagina’s 45 en 46) waar de gereserveerde middelen per functie over het algemeen hetzelfde blijven voor de dienstjaren 2019 tot en met 2022, het hoofdstuk “Ministerie van Economische Ontwikkeling” voor wat betreft het stimuleren van de internationale handel alsook de lokale en internationale investeringen (pagina’s 107 en 108) en het bevorderen van ontwikkelingen binnen de economische speerpuntsectoren (pagina 111) en het hoofdstuk “Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport” over de hele linie. Het is de Raad bovendien opgevallen dat op de meerjarenbegroting cijfers ontbreken zonder dat de reden daarvoor in de memorie van toelichting wordt aangegeven.

Gezien het bovenstaande adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting de gebudgetteerde bedragen voor de dienstjaren 2020 tot en met 2022 te heroverwegen en om de ontbrekende bedragen op de meerjarenbegroting in te vullen.

4. Risico’s waarmee rekening dient te worden gehouden

a. Stagnerende economie

De Curaçaose economie zal volgens de in de Nota van Financiën opgenomen prognose in 2019 met 0% groeien (pagina 16, tweede tekstblok en “Tabel 1. Economische groei” op pagina 6 van de Nota van Financiën). Voor de Raad is niet duidelijk of de projectie voor een nulgroei van de Curaçaose economie gebaseerd is op ongewijzigd beleid van de regering ten opzichte van 2018 of dat een nulgroei niettegenstaande nieuw beleid van de regering verwacht wordt.

De Raad merkt voorts op dat uit het hoofdstuk “Ministerie van Economische Ontwikkeling” van de Algemene Beschouwingen niet blijkt dat de regering een concreet beleid zou hebben geformuleerd om economische ontwikkeling en daarmee economische groei te stimuleren ondanks het feit dat de economie van Curaçao in een negatieve spiraal is beland. Indien deze negatieve spiraal zich blijft voortzetten betekent dit dat economische activiteiten zullen verminderen, met alle gevolgen van dien voor de algemene economie en de overheidsfinanciën. In dit verband wordt verwezen naar pagina 17, het eerste tekstblok van de Nota van Financiën waarbij vermeld wordt dat het stagneren van de economie van de afgelopen jaren volgens het Internationaal Monetair Fonds (hierna: IMF) vooral toe te rekenen is aan een mix van (1) lage productiviteit gecombineerd met (2) het niet flexibel zijn van de arbeidsmarkt en (3) de hoge “cost of doing business”. Volgens de Raad heeft de eerste factor directe gevolgen voor de omvang van het productievolume, de eerste en de tweede factor zijn mede bepalend voor de vraag naar arbeid terwijl alle drie de factoren aspecten zijn waarop een investeringsklimaat onder andere wordt beoordeeld.

Volgens de Raad staat -  onder verwijzing naar onderdeel I. 1.a. van dit advies (pagina’s 1 en 2) - het buiten kijf dat het realiseren van een economische groei voor Curaçao binnen afzienbare tijd thans imperatief is Derhalve wordt de regering in het licht van voornoemde aanbevelingen van IMF gevraagd in de memorie van toelichting aan te geven welke specifieke kernmaatregelen genomen zijn of genomen zullen worden om dit doel te bereiken.

b. Olieraffinaderij

In de Nota van Financiën (pagina 16) is de regering kort ingegaan op de ontwikkelingen rond de olieraffinaderij. De onderhandelingen om te komen tot een partner voor het operationeel houden van de olieraffinaderij zijn nog gaande. Anderzijds is het een feit dat de raffinaderij al jaren op een lager niveau draait, waarbij bepaalde activiteiten al geruime tijd zijn stopgezet. Aangezien het laatste repercussies heeft voor de economie wordt de regering gevraagd – voor zover dat nog niet is gebeurd – in de ontwerpbegroting 2019 rekening te houden met de eerder bedoelde repercussies.

c. Uitvoeringscapaciteit

Gezien het feit dat veel projecten in de uitvoeringsfase vertraging ondervinden, lijkt het er volgens de Raad op dat het ambtenarenapparaat op bepaalde gebieden kwantitatief en kwalitatief onderbezet is. Indien dat het geval is, zou de Raad verwachten dat de regering prioriteiten stelt en de schaarse middelen en menskracht daarvoor inzet. De Raad mist in de memorie van toelichting echter een onderlinge samenhang en een integrale benadering van de ministeries gericht op realisering van de meest prioritaire beleidsdoelen. Door beperkte uitvoeringscapaciteit kunnen de gestelde doelen niet danwel slechts met vertraging bereikt worden, hetgeen gevolgen voor de uitvoering van de Begroting voor het dienstjaar 2019 (hierna: de Begroting 2019) kan hebben.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op de uitvoeringscapaciteit van de overheid in te gaan, de vastgestelde prioritaire beleidsdoelen aan te wijzen en in te gaan op de wijze waarop die doelen bereikt zullen worden.

d. Gevolgen van de situatie in Venezuela

Het is bekend dat de politieke, sociale en economische situatie in buurland Venezuela precair is. Het is niet uitgesloten dat dit op korte en lange termijn gevolgen zal hebben voor Curaçao, zowel voor wat betreft illegale migratie alsook voor de toeristensector, de olie-industrie en de economie in het algemeen.

Uit de ontwerpbegroting 2019 en de memorie van toelichting blijkt niet in welke mate rekening is gehouden met mogelijke risico’s die met voornoemde situatie in Venezuela verband houden. De Raad denkt daarbij aan de kosten voor de opvang en mogelijke uitzetting van migranten uit Venezuela, tegenvallende inkomsten uit de toeristensector en de olie-industrie en het uitblijven van investeerders van Venezolaanse afkomst.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting inzichtelijk te maken op welke wijze de regering voornemens is mogelijke negatieve gevolgen van de situatie in Venezuela op de Begroting 2019 op te vangen en welke financiële middelen daarvoor zijn gereserveerd.

e. SEHOS en Hospital Nobo Otrobanda

1°. SEHOS
Aangezien SEHOS de laatste jaren geen kostendekkende exploitatie kent, realiseert SEHOS jaarlijks financiële tekorten. Hiervoor is SEHOS genoodzaakt regelmatig voorschotten aan te vragen, schulden te maken c.q. leningen aan te gaan teneinde het ziekenhuis draaiende te houden. Voornoemde situatie heeft genoopt tot kredietverstrekking door onder andere de overheid aan SEHOS. Vanwege de ontwikkelingen binnen de gezondheidssector is de overheid thans voornemens SEHOS te transformeren in HNO. In dit kader acht de Raad het van belang dat inzicht wordt verstrekt door de regering in:
- hoe groot de schuld van SEHOS bij de overheid is en hoe deze in de ontwerpbegroting 2019 is verwerkt;
- wat de omvang van de totale schuld van SEHOS is; en
- hoe met deze schulden wordt omgegaan bij de transitie van SEHOS in Hospital Nobo Otrobanda (hierna: HNO).

2°. HNO
Ten aanzien van HNO is het volgens de Raad cruciaal dat duidelijkheid bestaat over de som van de leningen die de regering tot nu toe is aangegaan ten behoeve van HNO, wat thans de additionele financieringsbehoefte bij HNO is, welke verplichtingen met betrekking tot aflossing en rentekosten uit de bouw en exploitatie van HNO zullen voortvloeien voor de overheid en voor de nieuwe entiteit HNO c.q. exploitant van HNO, en hoe deze de totale bekostiging van de gezondheidszorg in de toekomst zullen beïnvloeden.

3°. Advies
De regering wordt geadviseerd in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan. Ook wordt geadviseerd de risico’s die bij de transitie van SEHOS in HNO voor de overheid kunnen ontstaan te kwantificeren en deze te betrekken in de ontwerpbegroting 2019.

f. Tekortcompensatie in 2018
Conform de ontwerpbegroting 2019 bedraagt het in dienstjaar 2017 gerealiseerd tekort op de gewone dienst NAf 116,8 miljoen. Op basis van eerdere verwachte cijfers over dienstjaar 2017 werd een tekort van NAf 113 miljoen in 2017 verwacht. Op basis van het verwachte tekort ad NAf 113 miljoen – welke lager is dan het werkelijke tekort - is de overheid met het Cft overeengekomen dat het in dienstjaar 2017 gerealiseerd tekort in de jaren 2018-2020 zal worden gecompenseerd, waarbij in de Begroting 2018 wordt uitgegaan van een compensatie van NAf 48 miljoen. De regering is voornemens voornoemde compensatie in 2018 mogelijk te maken door NAf 48 miljoen onder de noemer “lasten”, te reserveren. In principe is deze reservering alleen mogelijk mits de gewone dienst – exclusief de reservering – in het dienstjaar 2018 een overschot realiseert van NAf 48 miljoen. Hiervoor zou de gewone dienst tot en met juni 2018 reeds een overschot van NAf 34,7 miljoen moeten vertonen. Echter het gerealiseerd overschot tot en met juni 2018 – volgens de Financiële Management Rapportage over de maand juni 2018 van het ministerie van Financiën (hierna: FMR juni 2018) bedraagt – slechts NAf 8 miljoen. Over het eerste halfjaar van 2018 bedraagt de onderrealisatie van het overschot op de gewone dienst derhalve NAf 26,7 miljoen. De Raad merkt het vorengenoemde aan als een reëel risico voor de overheid aangezien het uitblijven van de afgesproken tekortcompensatie kan leiden tot een aanwijzing als bedoeld in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten door de Rijksministerraad aan de regering van Curaçao.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad de regering de nodige extra inspanningen te plegen opdat het voorgenomen overschot op de gewone dienst in 2018 en verdere jaren, conform afspraak met het Cft wordt nagekomen zodat de dekking van het in 2017 gerealiseerd tekort van NAf 116,8 miljoen op de gewone dienst kan plaatsvinden.
 

II. Bijlagen bij de ontwerpbegroting 2019

a. Staat van opgenomen geldleningen

Volgens de tweede tabel in de Staat van opgenomen geldleningen zijn de obligatieleningen aangeduid met nummer 11 en 12 in respectievelijk het jaar 2017 en het jaar 2018 afgesloten. Uitgaande hiervan zouden deze leningen ook moeten zijn opgenomen in de kolom “Stand per 1 januari 2019”, maar deze twee leningen komen in de kolom “Opname” voor. Dit doet overkomen alsof deze leningen in 2019 zullen worden afgesloten.

De regering wordt geadviseerd de inconsistentie in voornoemde tabel weg te werken of anders de plaats van de bedragen met betrekking tot de leningen aangegaan in 2017 en 2018 in de tabel toe te lichten.

2. Staat van inkomensoverdrachten

a.   C-Post

Uit pagina 2 van de Staat van inkomensoverdrachten blijkt dat onder “Overdrachten aan Overheidsinstellingen” voor overdracht aan C-Post NAf 5 miljoen is opgenomen voor de periode 2019-2022.

De regering wordt gevraagd in de memorie van toelichting toe te lichten wat de aanleiding is voor voornoemde overdracht en of deze een structureel karakter heeft.

b.   Vrij Onderwijs

Uit pagina 2 van de Staat van inkomensoverdrachten blijkt dat ten behoeve van de financiering van “Vrij Onderwijs” er in de jaren 2017 en 2018 circa NAf 7 miljoen aan subsidie is begroot. Vanaf 2019 is de subsidie verlaagd tot NAf 3.917.000. Het betreft een verlaging van circa NAf 3 miljoen.

De regering wordt geadviseerd in de memorie van toelichting aan te geven welke concrete beleidswijziging met betrekking tot “Vrij Onderwijs” zal resulteren in een jaarlijkse verlaging van circa NAf 3 miljoen per 2019.

c.   Subsidie FEFFIK en Stichting Openbare Bibliotheek

Uit pagina 3 van de Staat van inkomensoverdrachten blijkt dat de subsidie aan FEFFIK die in 2017 en 2018 nog circa NAf 4,9 miljoen bedroeg vanaf 2019 verhoogd is naar NAf 8.479.200. Terwijl bij de Stichting Openbare Bibliotheek (hierna: SOB) te bemerken is dat er tot en met het jaar 2018 subsidie is verstrekt ten bedrage van NAf 3,9 miljoen welke gestopt is per 2019. Volgens verkregen informatie van het ministerie van Financiën is per 2019 de subsidie aan de SOB deels geïncorporeerd in het bedrag geoormerkt voor FEFFIK. Voorts is een deel van de subsidie toekomend aan de SOB volgens het ministerie van Financiën geplaatst onder de “post 165004 Begeleiding Vorming Jeugd”.

De regering wordt gevraagd de Staat van inkomensoverdrachten aan te passen opdat de beschikbaarheid en eventuele overheveling van middelen per organisatie duidelijk overkomt.

d. Overige gemeenschappelijke uitgaven: bijzondere scholen

Uit pagina 4 van de Staat van inkomensoverdrachten blijkt dat voor de betaling van een bezoldigingstrede, medische kosten en pensioenen bij bijzondere scholen in 2017 een bijdrage van NAf 14,4 miljoen was begroot. In 2018 schoot die bijdrage significant omhoog, en wel naar een bedrag van NAf 49.339.600. Per 2019 is de bijdrage verlaagd tot NAf 11.653.800.

De regering wordt geadviseerd in de memorie van toelichting aan te geven wat de reden is tot de drastische verlaging van voornoemde bijdrage vanaf 2019, waarin het begrote bedrag slechts circa 20% bedraagt van de bijdrage in 2018.

III. De Nota van Financiën

1. Incidentele tegenvallers

Op pagina 15, vierde tekstblok, van de Nota van Financiën staat dat het tekort over het dienstjaar 2017 op de gewone dienst tot stand komt door structurele en incidentele tegenvallers. Bij de incidentele tegenvallers worden de lening aan Insel Air, waarvoor in de begroting een voorziening is getroffen, en de tegenvallende opbrengsten, bedoeld in de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK-middelen), als voorbeelden genoemd.

De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën aan te geven hoe groot de tegenvaller bij de BRK-middelen in 2017 is geweest.

2. Rentelasten

Geconstateerd wordt dat de rentelasten, opgenomen in “Tabel 2. Recapitulatie” op pagina 20, in “Tabel 4. Gewone dienst” op pagina 22 en in “Tabel 15. Financieringsruimte” op pagina 54 van de Nota van Financiën niet met elkaar overeenkomen.

De regering wordt gevraagd de rentelasten in de eerder genoemde tabellen recht te trekken en “Tabel 2. Recapitulatie” te vervolledigen door een cijferreeks voor het jaar 2022 daarin op te nemen.

3. Overige opbrengsten

1°. Tabel 4. Gewone dienst

In “Tabel 4. Gewone dienst” op pagina 22 van de Nota van Financiën gaat de regering voor de “overige opbrengsten” in 2019 uit van NAf 221,3 miljoen. Voor het jaar 2018 was NAf 181,6 miljoen begroot aan “overige opbrengsten” terwijl de Financiële Management Rapportage over de maand mei 2018 van het ministerie van Financiën (hierna: FMR mei 2018) uitgaat van een prognose van NAf 178,1 miljoen. Ten opzichte van de meest geactualiseerde prognose over 2018 – de FMR mei 2018 - verwacht de regering circa NAf 33 miljoen meer binnen te halen in 2019.

De regering wordt gevraagd de veel hoger verwachte “overige opbrengsten” in 2019 in de Nota van Financiën toe te lichten.

2°. Tabel 8. Overige opbrengsten

Op pagina 37 van de Nota van Financiën wordt in “Tabel 8. Overige opbrengsten” door de regering gepoogd de “overige opbrengsten” te specificeren. De Raad constateert dat het onderdeel “Andere inkomsten” niet compleet is gespecificeerd, aangezien de som van de bestanddelen van het onderdeel “Andere inkomsten” niet correspondeert met het totaalbedrag genoemd bij “Andere inkomsten”.

De regering wordt gevraagd in de Nota van Financiën in te gaan op de vorenstaande constateringen van de Raad.

4. Motorrijtuigenbelasting

In onderdeel “ Motorrijtuigenbelasting” van de Nota van Financiën (pagina 30) meldt de regering dat de opbrengsten aan motorrijtuigenbelasting in 2019 licht toenemen vanwege de economische ontwikkelingen. De Raad wenst op te merken dat volgens “Tabel 5. Belastingopbrengsten” op pagina 25 van de Nota van Financiën in 2019 de begrote opbrengsten in 2019 op NAf 39,7 miljoen zijn gesteld. Echter is dit laatstgenoemde bedrag lager dan de voor het jaar 2018 begrote bedrag – zie de eerder genoemde “Tabel 5. Belastingopbrengsten” - danwel het conform de FMR mei 2018 geprognosticeerde bedrag voor het jaar 2018, welke in beide gevallen NAf 40,1 miljoen bedraagt.

Gelet op het vorenstaande wordt de regering gevraagd voornoemd onderdeel in de Nota van Financiën aan te passen.

5. Overige directe belastingopbrengsten

Op pagina 31 van de Nota van Financiën wordt in “Tabel 6. Overige directe belastingopbrengsten” een gedeeltelijke specificatie gegeven van de “Overige directe belastingopbrengsten”. Bij de specificatie in de eerder genoemde tabel is namelijk weer een onderdeel “overige” opgenomen waarvan de Raad de samenstelling niet heeft kunnen afleiden terwijl dit laatst genoemde onderdeel sterk fluctueert in de periode 2017-2022.

De regering wordt gevraagd de sterke fluctuatie bij het onderdeel “overige” van de “overige directe belastingen” in de Nota van Financiën toe te lichten. Voorts wordt de regering gevraagd het bedrag te noemen in geval de regering er voor 2019 van uit is gegaan dat via verhoogde compliance maatregelen extra opbrengsten zullen worden binnengehaald.

6. Invoerrechten

In de Nota van Financiën wordt op pagina 34, in het tweede tekstblok met betrekking tot de opbrengsten uit invoerrechten aangegeven dat voor de periode 2020-2022 voortgebouwd wordt op het in 2019 te bereiken structurele niveau.

De regering wordt gevraagd in de Nota van Financiën toe te lichten op basis waarvan de regering verwacht dat in 2019 een structureel niveau zal worden bereikt.

7. Overheidsgelieerde entiteiten

a. Wettelijke structuren overheidsinstanties en - bedrijven

Uit pagina 37, laatste alinea, van de Nota van Financiën en pagina 230, laatste alinea, van de Algemene Beschouwingen kan worden opgemaakt dat het proces wordt voortgezet om via bestaande wettelijke structuren voor overheidsinstanties en –bedrijven financiële normen en prestatienormen in te voeren.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven aan welke wettelijke structuren hierboven gerefereerd wordt aangezien de Landsverordening optimalisering overheidsgelieerde entiteiten nog niet in werking is getreden.

b. Onderbouwing geraamd bedrag

De inkomsten uit dividend worden voor 2019 en meerjarig begroot op NAf 35,8 miljoen (“Tabel 8. Overige opbrengsten” op pagina 38 van de Nota van Financiën). De Raad kan het realiteitsgehalte van de begrote dividenduitkering niet toetsen.

De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën de verwachte dividenduitkering per overheidsgelieerde entiteit aan te geven en daarbij toe te lichten hoe de verwachte dividenduitkering per overheidsgelieerde entiteit is berekend.

8. Personeelsindicatoren

Op pagina 41 van de Nota van Financiën, blijkt uit Tabel 9 “Personeelsindicatoren” dat de modale bezoldiging en de mediaan-bezoldiging even hoog zijn en dat deze zowel in 2018 als in 2019 NAf 4.921 bedragen.

De regering wordt gevraagd in de Nota van Financiën in te gaan op het feit dat de modale bezoldiging en de mediaan-bezoldiging hetzelfde bedragen en tevens ongewijzigd blijven in 2019 ten opzichte van 2018.

9. Basisverzekering ziektekosten

Op pagina 50 van de Nota van Financiën, blijkt uit “Tabel 13. Schommelfonds” dat het verwachte financiële overschot voor basisverzekering ziektekosten (hierna: BVZ) in de jaren 2018 en 2019, vanaf het jaar 2020 omslaat in een tekort. Als oorzaak van deze verandering wordt in het tweede tekstblok op voornoemde pagina, het operationeel worden van het nieuwe ziekenhuis aangemerkt. Ten aanzien hiervan merkt de Raad op dat aanvankelijk de komst van het nieuwe ziekenhuis door de regering bestempeld werd als een van de instrumenten om de kosten in de gezondheidszorg te beheersen, met andere woorden, zou de komst van het nieuwe ziekenhuis per saldo leiden tot lagere kosten voor de gezondheidszorg.

De regering wordt gevraagd in de Nota van Financiën toe te lichten wat de oorzaken zijn die ertoe geleid hebben dat de komst van het nieuwe ziekenhuis thans per saldo tot kostenstijging zal leiden in plaats van kostendaling, waar eerder van uit is gegaan.

10. AVBZ en ZV/OV

Conform “Tabel 13. Schommelfonds” op pagina 50 van de Nota van Financiën worden bij het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten, het Ziektefonds en het Ongevallenfonds op structurele basistekorten gerealiseerd. Hierdoor zal het Schommelfonds Sociale Verzekeringen worden uitgehold.

De regering wordt gevraagd in de Nota van Financiën aan te geven welke maatregelen genomen zullen worden om voornoemde fondsen financieel te saneren.

11. Schuldpositie en financieringsbehoefte

De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën te verduidelijken hoe de schuldpositie, zoals weergegeven in “Tabel 16. Schuldpositie” op pagina 56 van de Nota van Financiën, aansluit bij de financieringsbehoefte in “Tabel 2. Recapitulatie” op pagina 20 van de Nota van Financiën.

IV.   Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot de memorie van toelichting

1.   Ministerie van Justitie

Verwijzing naar wettelijke regelingen

In het laatste tekstblok op pagina 70 van de Algemene Beschouwingen staat dat in het kader van de ontwikkeling van wetgeving de wet aanwijzing vermoedelijke verwekker is geëvalueerd welke geïmplementeerd dient te worden. Voorts staat in het eerste tekstblok op pagina 71 dat de wet registratie vaderschap geëvalueerd dient te worden en waar nodig moet worden aangepast. Ten aanzien hiervan merkt de Raad op dat beide wettelijke regelingen hem niet bekend voorkomen. Wel is per 1 januari 2012 de Landsverordening gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in werking getreden (P.B. 2011, no’s 56 en 69). Kennelijk is het de bedoeling dat deze landsverordening geëvalueerd wordt.

De Raad adviseert de regering de tekst in de Algemene Beschouwingen ten aanzien van de genoemde wettelijke regelingen te herzien met inachtneming van het bovenstaande.

2. Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning

In de “Inleiding” van de Algemene Beschouwingen staat in de eerste volzin op pagina 2 dat  in de ontwerpbegroting 2019 een concrete uitwerking gegeven wordt van de prioriteiten die de regering zich stelt om de bestaande sociale verdeeldheid en de stagnerende economie het hoofd te bieden. Armoede wordt aangemerkt als het grootste probleem van Curaçao met als uitvloeisel daarvan onder andere het niet kunnen voorzien in huisvesting als basisbehoefte.

Op pagina’s 88 tot en met 90 van het hoofdstuk “Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning” van de Algemene Beschouwingen wordt uitwerking gegeven aan het voornemen van de regering om aan de huisvestingsproblematiek tegemoet te komen. De Raad merkt evenwel op dat in de Algemene Beschouwingen niet voldoende concreet inzichtelijk wordt gemaakt hoe de regering voornemens is de gestelde “outputs” die in verband staan met de huisvestingsproblematiek te realiseren.

De Raad adviseert de regering het hoofdstuk “Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning” van de Algemene Beschouwingen op bovengenoemde punten overeenkomstig het SMART-principe aan te passen.

3.  Ministerie van Economische Ontwikkeling

a. Visie

Op pagina 102, onder “Visie”, van de Algemene Beschouwingen worden een aantal doelstellingen geformuleerd die het ministerie van Economische Ontwikkeling in 2025 – dus over zes jaar - gerealiseerd wenst te hebben. Afgaande op het genoemde jaartal 2025 streeft genoemd ministerie er naar bedoelde doelstellingen binnen zes jaar te realiseren. Indien de omstandigheid dat de kloof tussen de huidige situatie en de gewenste situatie aanzienlijk is, in ogenschouw wordt genomen, zou te verwachten zijn dat in de memorie van toelichting behorende bij de (ontwerp)begroting 2019 aangegeven wordt hoe – eventueel middels een stappenplan - de gestelde doelen in 2025 zullen worden gerealiseerd.

Uitgaande van het vorenstaande wordt de regering geadviseerd een tijdpad in de memorie van toelichting op te nemen waaruit blijkt hoe de voor 2025 gestelde doelen stapsgewijs gerealiseerd zullen worden.

b. Doelen organisatie-eenheden

Op pagina 102 van de Algemene Beschouwingen, in “Tabel 15 Ministerie van Economische Ontwikkeling” wordt bij functie “31 Handel en Ambacht”, die uit de organisatie-eenheden “01 UO Economische Dienst” en “02 Economische Ontwikkeling” bestaat, in de kolom “Doel organisatie-eenheid” enkel één doel ingevuld.

Indien het ingevulde doel niet voor beide organisatie-eenheden geldt wordt de regering gevraagd dat ontbrekende doel in voornoemde tabel in te vullen.

c. Investering “31 Handel en ambacht”

Onder de functie “31 Handel en Ambacht” vallen de multidisciplinaire teams voor controle op naleving van vergunningsvoorwaarden waar het ministerie van Economische Ontwikkeling coördinator van deze teams is. Op pagina 103 van de Algemene Beschouwingen zijn voor deze functie geen investeringen opgebracht voor de periode 2019-2022.

Gelet op het belang van voornoemde functie voor de werkzaamheden van de multidisciplinaire teams wordt de regering gevraagd deze keuze in de memorie van toelichting toe te lichten.

d. Specificatie investeringen bij organisatie-eenheden

Op pagina 104 van de Algemene Beschouwingen wordt bij functie “32 Economische Samenwerking” meerjarig jaarlijks NAf 51.000 opgebracht op de kapitaaldienst. Aangezien de verdeling van dit bedrag over de twee organisatie-eenheden die onder deze functie vallen niet uit de Algemene Beschouwingen af te leiden is, wordt - gelet op de rol van de “Fishery Authority Curaçao” – aan de regering gevraagd in de memorie van toelichting aan te geven welk deel van het bedrag van NAf 51.000 de voormelde autoriteit ten goede komt en voorts of met het (lage) toebedeelde bedrag deze autoriteit in staat is de jaarlijkse investeringen te bekostigen.

e. Marketing toerisme

Uit ”Tabel 38 Overige Economische Ontwikkeling” op pagina 104 van de Algemene Beschouwingen blijkt dat voor deze functie op de kapitaaldienst NAf 16 miljoen opgenomen is voor de periode 2019-2021 en NAf 11 miljoen voor het dienstjaar 2022. Uit voornoemde bedragen wordt in het kader van het “Masterplan Toerisme” meerjarig jaarlijks NAf 10 miljoen bestemd voor het promoten van het Curaçaose toerisme in verschillende landen en voor andere aanverwante zaken. Zie in dit verband de tabel op pagina 101 van de Nota van Financiën.

Gelet op de massieve uitgave die het ministerie van Economische Ontwikkeling voornemens is te doen per 2019 beveelt de Raad de regering aan om de uitvoering en het effect ervan jaarlijks te evalueren.

f. Risico’s bij outcome “Goed functionerende markten”

1°. Inleiding

In de Algemene Beschouwingen, op pagina 106, tweede tekstblok, worden de bijdragen vermeld die de overheid dient te leveren voor het realiseren van de “outputs” met betrekking tot de eerste “outcome” bij het ministerie van Economische Ontwikkeling. Voorts worden op dezelfde pagina in het onderdeel “Risico’s” een aantal risico’s genoemd. In dit onderdeel gaat de Raad in op enkele van deze risico’s.

2°. Het instrument Fair Trade Authority Curaçao

Voor een optimale werking van het instrument Fair Trade Authority Curaçao (hierna: FTAC) zijn de oprichting en integratie van de onderdelen “Regulatory Board” en de Consumentenautoriteit van belang. De oprichting van voornoemde onderdelen is als een risico genoemd.

Teneinde een concreter beeld te verschaffen van het hierboven genoemde risico wordt de regering geadviseerd in de memorie van toelichting te gaan op de stand van zaken met betrekking tot eventueel ondernomen stappen ter oprichting en integratie van voornoemde onderdelen, mede gelet op het feit dat het voornemen tot oprichting en integratie van deze onderdelen van de FTAC ook in de Begroting 2018 is opgenomen.

3°. De beschikbare middelen op de begroting

De realisering van het oprichten van coöperaties en de uitvoering van de bewustwordingsprogramma’s en de uitvoering van het onderzoek naar knelpunten en kansen op de arbeidsmarkt zijn mede afhankelijk gesteld van de beschikbaarheid van voldoende middelen op de begroting.

Ten aanzien van voornoemde risico’s merkt de Raad op dat uit de vervolgtabel op pagina 105 van de Algemene Beschouwingen blijkt dat voor beide activiteiten meerjarig middelen zijn begroot, namelijk ten behoeve van “1.1.5 Coöperatie wezen” ad NAf 126.300 en “1.2.1. Manpowerplanning” ad NAf 78.800.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat de beschikbaarheid van voldoende middelen toch als risico’s wordt aangemerkt wordt de regering gevraagd de hierboven onder nummer 2 en 3 genoemde risico’s in de memorie van toelichting nader toe te lichten.

g. Innovatiebeleid

In de Algemene Beschouwingen wordt op pagina 109, in het eerste tekstblok, laatste volzin, aangegeven dat het implementeren van innovatiebeleid ter ontwikkeling van nieuwe producten en/of diensten zal bijdragen aan de productiviteitsverbetering en leidt op de middellange termijn tot kostenverlaging en een betere concurrentiepositie voor de ondernemer.

Het ministerie van Economische Ontwikkeling merkt innovatie als een belangrijk aspect van de (internationale) economische ontwikkeling aan, waarbij de regering via de implementatie van een innovatiebeleid de productiviteit, de productiekosten en de concurrentiepositie van ondernemers wil beïnvloeden. De Raad erkent de relevantie van het voeren van een innovatiebeleid ter behoud danwel verbetering van de concurrentiepositie, echter mist de Raad enige toelichting in de Algemene Beschouwingen over onder meer de activiteiten (instrumenten) die verricht zullen worden ter realisering van de in het kader van de uitvoering van het  innovatiebeleid vastgestelde output (operationele doelstellingen), de kwantificering van de daaraan verbonden kosten en eventueel ook de stand van zaken terzake de uitvoering van voornoemd beleid.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen..

h. Stimulering van investeringen

In de Algemene Beschouwingen, op pagina 109 in het tweede tekstblok vermeldt de regering dat voor het bevorderen van de internationale handel, lokale en internationale investeringen actief gestimuleerd worden. Volgens de regering leiden deze economische activiteiten tot meer export, diversificatie en innovatie van producten en diensten. Volgens de Raad mist de memorie van toelichting een concretisering van de maatregelen die de regering - recentelijk genomen heeft danwel - voornemens is in het dienstjaar 2019 te implementeren teneinde de lokale – en de internationale investeringen te stimuleren.

De regering wordt gevraagd in de memorie van toelichting hierop in te gaan.

i. CINEX

In de Algemene Beschouwingen geeft de regering op pagina 109 in het vierde tekstblok aan dat voor het aantrekken en faciliteren van buitenlandse investeerders de Curaçao Investment and Export Promotion Agency (CINEX) operationeel is.

De Raad onderstreept het belang van het bestaan van een dergelijke organisatie en vraagt – gelet op de te vervullen rol van een dergelijke organisatie binnen de economie - de regering om in de memorie van toelichting aan te geven of de toegevoegde waarde van een dergelijke organisatie sinds de oprichting ervan, geëvalueerd is en wat eventueel de uitkomst is.

j. “Red carpet” behandeling

1°. Duidelijke actiepunten betreffende economische groei

In de Algemene Beschouwingen, op pagina 109, in het voorlaatste tekstblok geeft de regering aan dat voor een duurzame economische groei een toegankelijk en verkort traject voor de vestiging van investeerders een vereiste is. Hiervoor wordt het beleid gericht op het realiseren van een “red carpet” behandeling aan investeerders. Volgens de regering is een onderdeel hiervan het vereenvoudigen van economische procedures en vergunningen en het elimineren van wet- regelgeving die verouderd zijn.

Volgens de Raad is de boven uit de Algemene Beschouwingen aangehaalde tekst weinig informatief. Zo is het volgens de Raad niet uit deze tekst op te maken hoe bijvoorbeeld Curaçao er in de regio voor staat met betrekking tot de vestigingsprocedure voor ondernemers, aangezien het investeringsklimaat in relatie gezien dient te worden met concurrenten. Ook is onduidelijk of er een norm gehanteerd is op grond waarvan de regering concludeert dat de doorlooptijd voor de afgifte van vergunningen verkort dient te worden tot drie[4] weken, of reeds geïnventariseerd is door de regering hoeveel wetten verouderd zijn en wanneer aangevangen wordt met de vernieuwing van de wetten.

De regering wordt gevraagd om rekening houdend met het voorgaande de betrokken tekst op pagina 109 van de Algemene Beschouwingen aan te passen teneinde de informatiewaarde ervan te verhogen.

2°. Evaluatieresultaten dienstjaren 2017 en 2018

De Raad merkt op dat conform de Begroting voor het dienstjaar 2017 van het ministerie van Economische Ontwikkeling inzake de “red carpet” behandeling, de administratieve lasten zouden worden verminderd en de dienstverlening zou worden verbeterd. Vervolgens werd in de Begroting 2018 van dit ministerie als indicator met betrekking tot de “red carpet” behandeling opgenomen, het binnen de vastgestelde behandeltermijn realiseren van vergunningsaanvragen. Thans wordt in de memorie van toelichting bij de ontwerpbegroting 2019 op pagina 111, in de eerste tabel met betrekking tot “2.4 red carpet” vermeld dat de doorlooptijd voor de afgifte van vergunningen teruggebracht wordt tot drie weken. Volgens de regering is het beleid van het ministerie van Economische Ontwikkeling gericht op het stimuleren en aantrekken van meer economische bedrijvigheid op de lokale markt, waarvoor een aantrekkelijk investeringsklimaat een randvoorwaarde is.

Aangezien het bieden van een ‘red carpet” behandeling aan investeerders een belangrijk aspect is van het investeringsklimaat en het ministerie van Economische Ontwikkeling volgens de Raad de voornaamste rol dient te spelen bij het invulling geven aan het verbeteren van het investeringsklimaat, wordt de regering geadviseerd in de memorie van toelichting aan te geven welke vorderingen sinds 2017 geboekt zijn met betrekking tot de verkorting van de doorlooptijd voor de afgifte van vergunningen, zoals voorgenomen in de dienstjaren 2017 en 2018.

k. Energiebureau

In de Algemene Beschouwingen, op pagina 110 in het tweede tekstblok meldt de regering dat een energiebureau wordt opgericht voor het bevorderen en reguleren van alternatieve en duurzame vormen van energie. Voorts worden in het derde tekstblok de bijdragen opgesomd die de overheid levert voor het realiseren van de “ouputs” behorende bij de tweede “outcome” van het ministerie van Economische Ontwikkeling. Een van de bijdragen zijdens de overheid is het oprichten van een energiebureau. Aangezien de oprichting van het energiebureau niet als risico wordt aangemerkt op pagina 110 impliceert dat volgends de Raad dat reeds stappen moeten zijn ondernomen door de regering ter oprichting van het energiebureau of anders dat het haalbaar is voor de regering om in de resterende tijd van het 2018 het energiebureau op te richten, in ieder geval dat de zaken omtrent de oprichting op schema zijn.

Uitgaande van het vorenstaande – en mede gelet op het feit dat de regering ook voor het dienstjaar 2018 reeds het voornemen had een energiebureau op te richten (pagina 125 van de Algemene Beschouwingen bij de Begroting voor het dienstjaar 2018) - wordt de regering gevraagd in te gaan op de stand van zaken met betrekking tot de oprichting van het energiebureau en eventueel aan te geven per wanneer het energiebureau in functie zal zijn.

l. De sectoren landbouw en visserij

Op pagina 112 van de Algemene Beschouwingen wordt in het vijfde tekstblok aangehaald dat speciale aandacht zal worden besteed aan ondernemers binnen de sectoren landbouw en visserij. Aangezien het gestelde hierover in voornoemd tekstblok weinig concreet is weergegeven en geen indicatie geeft van de benodigde middelen vraagt de Raad zich af of de regering voornemens en in staat is voldoende middelen ter beschikking te stellen.

De regering wordt gevraagd helder in de memorie van toelichting te formuleren of zij in staat is de nodige middelen beschikbaar te stellen voor de agrariërs en wat verder de concrete aanpak zal zijn om deze ondernemers te stimuleren.

 m. Visserij-autoriteit

In de Algemene Beschouwingen wordt op pagina 112, laatste tekstblok, gemeld dat het verder ontwikkelen van de internationale visserijsector afhankelijk is van een uitvoeringsorganisatie die zorgdraagt voor de monitoring van de visserijvloot en visvangstqouta. Het oprichten van een visserij-autoriteit is volgens de regering onder andere van belang voor de naleving van de internationale verdragen. Curaçao moet aan de wettelijke vereisten van de “International Commission for the Conservation of Atlantic Tuna” (ICCAT) en de Europese Unie voldoen. Het niet naleven van internationale verdragen en wet- en regelgeving wegens de internationale visserij kan volgens de regering (pagina 113 van de Algemene Beschouwingen) leiden tot het verliezen van de rechten om binnen internationale wateren te vissen en leidt tot het derven van inkomsten uit de sector internationale visserij.

Op basis van het bovenstaande concludeert de Raad dat het proces tot instellen van een visserij-autoriteit (Fishery Authority en Fishery Monitoring Center) waarvoor vanaf 2019 meerjarig NAf 991.900 is begroot, niet vergevorderd is.

Aangezien voor het dienstjaar 2017 NAf 1.649.500 en voor het dienstjaar 2018 NAf 1.330.200 begroot was ten behoeve van voornoemde autoriteit wordt de regering gevraagd in de memorie van toelichting aan te geven welke acties tot zover in 2017 en 2018 genomen zijn ter oprichting van deze autoriteit.

n. Risico’s derde “outcome”

Op pagina 113 van de Algemene Beschouwingen noemt de regering bij “Risico’s”, het opzetten van een visserij-autoriteit.

De Raad vraagt de regering om in de memorie van toelichting nader toe te lichten waarom de regering het opzetten van een visserij-autoriteit als risico aanmerkt.

4. Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn

a. Inleiding

In het onderdeel “I. Algemene opmerkingen” onder “4. Risico’s waarmee rekening dient te worden gehouden, 2o. Stagnerende economie” (pagina 6 van dit advies) gaat de Raad in op de arbeidsproductiviteit en de flexibiliteit van de arbeidsmarkt in relatie met de stimulering van economische groei voor Curaçao.

Op pagina 154 van het hoofdstuk “Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn” van de Algemene Beschouwingen wordt “het duurzaam verhogen van het aantal werkenden” als één van de instrumenten genoemd om de missie van genoemd ministerie te verwerkelijken. Voorts wordt op pagina 159 van genoemd hoofdstuk als een van de “Outcomes 2019 (Algemene doelstelling)” onder punt 14 genoemd “bijdragen aan een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Verder worden op pagina 178 de activiteiten genoemd die tot een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt moeten leiden. Op pagina 179 wordt ingegaan op de samenhang tussen de outputs en activiteiten om die te bereiken.

De Raad mist met name met het oog op de noodzaak om de economische groei voor Curaçao te stimuleren meer concrete en meetbare outputs die na tussentijdse evaluatie eventueel kunnen worden aangepast danwel de activiteiten om deze te bereiken worden bijgestuurd.

De Raad vraagt uw bijzondere aandacht voor het voorgaande en adviseert de regering in het bijzonder de outputs in hoofdstuk “9. Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn“ van de Algemene Beschouwingen gericht op het duurzaam verhogen van het aantal werkenden volgens het SMART-principe te formuleren.

b. Verhoging van bijstandsuitkeringen

In de Algemene Beschouwingen staat dat er op de post voor het uitkeren van bijstand minimaal NAf 40 miljoen moet staan om de bijstandsuitkeringen en overige uitkeringen te kunnen betalen (pagina 170 van de Algemene Beschouwingen). De Raad constateert dat dit bedrag met meer dan 20% ten opzichte van het dienstjaar 2018 is verhoogd (namelijk van NAf 33 naar NAf 40 miljoen). In de Algemene Beschouwingen staat dat in dat bedrag rekening is gehouden met de voortdurende stagnatie van de economie van Curaçao.

De Raad adviseert de regering genoemde verhoging in de memorie van toelichting nader te motiveren.

5. Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur

Preventiedoelen

Op pagina 194, van de Algemene Beschouwingen staat dat preventie essentieel is in de gezondheidszorg. Het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur noemt daarbij een aantal preventiedoelen dat hij in 2019 wenst te bereiken. Voorts wordt aangegeven dat om bedoelde preventiedoelen te realiseren er een programmabureau in de vorm van een stichting in het leven geroepen zal worden, die - zoals aangegeven op pagina 195 van de Algemene Beschouwingen - als volgt gefinancierd zal worden:

Bijdrage uit opbrengsten suiker “tax”

NAf 2.000.000

Bijdrage van de Sociale Verzekeringsbank

NAf 2.000.000

Bijdrage van overige overheidsbedrijven

NAf 1.233.500

Totaal

NAf 5.233.500

Uit de Algemene Beschouwingen kan de Raad echter niet afleiden of er al een concept van een wettelijke regeling bestaat voor de introductie van de suiker “tax”. Ook staat er niet in de Algemene Beschouwingen per wanneer ernaar gestreefd wordt om genoemde “tax” in werking te laten treden en hoeveel de verwachte opbrengsten op jaarbasis zal bedragen. Verder is voor het in leven roepen van bovengenoemde stichting onvoldoende duidelijk welke overheidsbedrijven een bijdrage hebben toegezegd en voor welke omvang. Ook is niet duidelijk of de Sociale Verzekeringsbank reeds heeft toegezegd voornoemd bedrag beschikbaar te stellen.

De Raad adviseert de regering de Algemene Beschouwingen met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen.

6. Ministerie van Financiën

a. Kwantificering indirecte kosten bij activiteiten

Bij de tabel behorende bij de eerste “outcome” van het ministerie van Financiën op pagina 210 van de Algemene Beschouwingen blijkt dat diverse activiteiten die binnen genoemd ministerie plaatsvinden in verband met de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van het ministerie, gekoppeld zijn aan kosten c.q. bedragen. Bij bepaalde activiteiten is het begrijpelijk hoe de daarmee samenhangende kosten zullen zijn gekwantificeerd. Maar ten aanzien van de toerekening van de kosten aan activiteiten zoals “1.1.1 Tijdig uitsturen van een begrotingsaanschrijving”, “1.3.6 Structureel overleg met het functionele ministerie” en “1.6.2 PEFA-instrumentarium” rijst bij de Raad de vraag welke systematiek de regering gehanteerd heeft voor het kunnen kwantificeren van de met die activiteiten samenhangende kosten.

De regering wordt gevraagd in de memorie van toelichting hierop in te gaan.

b. Dekking autonome groei personeelslasten

In de Algemene Beschouwingen, op pagina 229, voorlaatste alinea, wordt met betrekking tot  de “Algemene uitgaven en inkomsten” onder andere aangegeven dat een stelpost ten bedrage van NAf 13,1 miljoen opgevoerd wordt voor 2019 en meerjarig. Deze stelpost is ter dekking van de autonome groei van de personeelslasten als gevolg van de indexering van bezoldigingen van ambtenaren aan het inflatiecijfer en de toepassing van de beoordelingssystematiek en de invulling van vacatures. Voorts wordt met betrekking tot functie “98 Overige Financiën Algemene Dekkingsmiddelen” - waarvoor volgens de tabel “Gewone dienst” op pagina 208, tweede tekstblok van de Algemene Beschouwingen circa NAf 8,3 miljoen meerjarig is begroot – op pagina 230, eerste tekstblok, van de Algemene Beschouwingen vermeld dat onder deze functie middelen vallen onder andere voor de autonome groei van personeelskosten voor de gehele overheid.

De regering wordt gevraagd in de memorie van toelichting in te gaan op de afzonderlijke reserveringen die gedaan worden op de (ontwerp)begroting 2019 waarbij beide reserveringen geoormerkt zijn ter dekking van dezelfde kosten, namelijk de autonome groei van de personeelskosten.

V. Opmerkingen van (wets)technische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsverordening niet bij de Staten in te dienen dan nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 30 augustus 2018

de Ondervoorzitter,                                                     de Secretaris,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA26-18-LV

Zowel de ontwerpbegroting 2019 als de memorie van toelichting heeft (wets)technische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

I. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

a. De ontwerpbegroting 2019

De considerans

Voorgesteld wordt in de tweede overweging vóór “onderhavige” het lidwoord “de” in te voegen en “2019” te vervangen door “voor het dienstjaar 2019”.

b. Bijlagen bij de ontwerpbegroting 2019

1. Staat van gewaarborgde leningen

Ingevolge artikel 12, vierde lid, onderdeel e, van de Landsverordening comptabiliteit 2010 moet aan een begroting worden toegevoegd een overzicht van gewaarborgde geldleningen en andere garantieverplichtingen. De tabel opgenomen in de Staat van gewaarborgde leningen zou – uitgaande van voornoemd artikel en het opschrift van deze tabel – een overzicht moeten bevatten van instanties die leningen zijn aangegaan of hebben verstrekt waarvoor de Staat garant staat. De bij nummer 3 tot en met 6 genoemde financiële relaties tussen de desbetreffende instanties en de Staat zijn niet hiermee in overeenstemming.

De regering wordt geadviseerd de Staat van gewaarborgde leningen met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

2. Staat van Inkomensoverdrachten

Uit pagina 4 van de Staat van inkomensoverdrachten blijkt dat ten behoeve van Fundashon Duna Lus in 2017 en 2018 een bijdrage was opgebracht van circa NAf 1 miljoen, welke per 2019 niet is begroot volgens deze staat. Volgens verkregen informatie van het Ministerie van Financiën is de weergave in de Staat van inkomensoverdrachten van de bedragen voor 2017 en 2018 verkeerd. Genoemd bedrag is in 2017 en 2018 feitelijk bedoeld voor drie instanties, te weten: Mama di bon konseho, Famia Planiá en Fundashon Duna Lus. Ook voor de jaren 2019 en verder is een bedrag begroot voor deze drie instellingen.

De regering wordt gevraagd de opname en de verdeling van de bedragen – onder voornoemde instellingen - voor de in de Staat van inkomensoverdrachten opgenomen periode correct weer te geven.

c. De memorie van toelichting

1. Algemeen

De cijfers in de memorie van toelichting behorende bij de ontwerpbegroting 2019 komen niet overeen met de cijfers in de FMR mei 2018. Dat is begrijpelijk aangezien de meest recente cijfers bij de voorbereiding van de ontwerpbegroting 2019 nog niet bekend waren. De Raad stelt evenwel voor om in de memorie van toelichting aan te geven welke Financieel Management Rapportage aan de ontwerpbegroting 2019 ten grondslag heeft gelegen.

Voorgesteld wordt om in de Algemene Beschouwingen telkens “op Curaçao” te vervangen door “in Curaçao”.

2. Algemene Beschouwingen

1°. Staatsorganen en overige algemene organen

Pagina 6

Voorgesteld wordt om in de laatste volzin van het tweede tekstblok “spoedadvies-verzoeken” te vervangen door “spoedadviesverzoeken”.

Pagina 9

Voorgesteld wordt om:

  • in de tweede volzin van het eerste tekstblok de zinsnede “Landsverordening Raad van Advies (A.B. 2010, no. 87)” te vervangen door “Landsverordening Raad van Advies (A.B. 2010, no. 87, bijlage q)”;
  • in de eerste volzin van het laatste tekstblok “(A.B. 2010 no. 87 bijlage h)” te vervangen door “(A.B. 2010, no. 87, bijlage h)” en het punt aan het einde van de volzin te vervangen door een puntkomma. 

Pagina 11

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste volzin van het eerste tekstblok “(P.B. 2010, no. 86)” te vervangen door “(A.B. 2010, no. 86)” en “Landsverordening Adviescolleges (P.B. 2010, no. 87)” te vervangen door “Landsverordening adviescolleges A.B. 2010, no. 87, bijlage g)”;
  • in de tweede volzin van het eerste tekstblok “(A.B. 2010, no. 87) zoals gewijzigd bij P.B. 2017, no. 70” te vervangen door “(A.B. 2010, no. 87, bijlage p)”.

2°. Ministerie van Algemene Zaken

Pagina 29

Voorgesteld wordt om in het opschrift van het laatste tekstblok “consumptoe” te vervangen door “consumptie”.

Pagina 30

Voorgesteld wordt om in het zesde tekstblok “planning & control cylus” te vervangen door “planning & control cyclus” en “tbv” voluit te schrijven.

Pagina 33

Voorgesteld wordt om in het opschrift van het tweede tekstblok “geldende” te vervangen door “geconsolideerde” en in de eerste volzin “geldende-“ te vervangen door “geconsolideerde”.

Pagina 36

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede tekstblok “LABO” voluit te schrijven en de vindplaats ervan aan te geven. Tevens wordt voorgesteld om in de eerste volzin van het derde tekstblok “Landsverordening Openbaarheid van Bestuur Curaçao (A.B. 2010, no. 87)” te vervangen door “Landsverordening openbaarheid van bestuur Curaçao (A.B. 2010, no. 87, bijlage t)”.

Pagina 38

Voorgesteld wordt om ten behoeve van de consistentie de vindplaats van de in het tweede tekstblok genoemde Landsverordening rampenbestrijding aan te geven.

Pagina 39

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste volzin van het tweede tekstblok “sept” voluit te schrijven;
  • in het opschrift en de eerste volzin van het laatste tekstblok “LvoR” voluit te schrijven;
  • in de eerste volzin van het laatste tekstblok “zaken” te vervangen door “Zaken”.

Pagina 40

Voorgesteld wordt om:

  • telkens “minister van AZ” te vervangen door “minister van Algemene Zaken”;
  • in de eerste volzin van het vierde tekstblok “artikel 2 lid 2 e” te vervangen door “artikel 2, tweede lid, onderdeel e”;
  • in de derde volzin van het voorlaatste tekstblok “minister van Algemene zaken” te vervangen door “minister van Algemene Zaken”.

3°. Ministerie van Justitie

Algemeen

a. De tekst in de tabellen staat niet altijd onder elkaar zoals het zou behoren te zijn.

Bijvoorbeeld:

-     in tabel “1. Resocialisatie van personen die met justitie in aanraking zijn gekomen”, zie de onderdelen 1.4.4, 1.4.6, 1.4.7 en 1.4.8 op pagina 62;

-     in tabel “2. (Gevoel van) veiligheid verbeteren”, zie de onderdelen 2.1.1 en 2.1.4 op pagina 64, de onderdelen 2.1.9, 2.2.1, 2.2.3, en 2.3.5 op pagina 65, de onderdelen 2.311, 2.4.7 en 2.5.2 op pagina 66, de onderdelen 2.6.1, 2.6.2, 2.7.4 en 2.8.1 op pagina 67, en onderdeel 2.8.10 op pagina 68.

b. In de tekst komen voor de termen “ex-delict pleger” en “delict plegers”. Gewezen wordt op bijvoorbeeld:

-     pagina 61: onderdeel “1.4 Ontwikkelen adequate aanpak resocialisatie voor ex-delict plegers” van de tabel;

-     pagina 62: voorlaatste tekstblok, laatste volzin en laatste tekstblok, eerste en tweede volzin;

-     pagina 63: eerste tekstblok, de vijfde en de achtste volzin en ook de achtste volzin van onderaf; en

-     pagina 64, tabel “Indicatoren”, tweede onderdeel.

Voorgesteld wordt om “ex-delict pleger” telkens te vervangen door “ex-delictpleger” en “delict plegers” door “delictplegers”.

Pagina 57

Voorgesteld wordt in tabel “13. Ministerie van Justitie”:

  1. bij onderdeel “11 Rechtswezen”, in de laatste kolom na “kwalitatief” het woord “goede” in te voegen;
  2. bij onderdeel “12 Politie”, bij “03 UO Politie en Immigratie Curaçao”, in de laatste kolom de zinsnede “Rechtsorde, Openbare Orde en Veiligheid” te vervangen door “rechtsorde, openbare orde en veiligheid”.

Pagina’s 60 en 61

Voorgesteld wordt:

  1. in de opschriften van de eerste drie tabellen op pagina 60, de nummers 16, 17 en 18 te vervangen door respectievelijk 15, 16 en 17;
  2. in de tekst van het opschrift van de derde tabel “Overig Ministerie van Justitie” op pagina 60, te vervangen door “Overige Ministerie van Justitie”;
  3. in het tekstblok onder “Outcome (Algemene doelstelling)” op pagina 60, de cijfers 4, 5 en 6 te vervangen door respectievelijk 1, 2 en 3;
  4. in tabel “1. Resocialisatie van personen die met justitie in aanraking zijn gekomen”, bij onderdeel 1.3.1 op pagina 60, “aan private sector” te vervangen door “voor de private sector” en in onderdeel 1.2.11 op pagina 61, “Begeleidkamer bewonen” door “Begeleid kamer bewonen”.

Pagina 62

Voorgesteld wordt onder het opschrift “Samenhang tussen de centrale thema’s en impacts” de eerste twee tekstblokken te schrappen dan wel te vervangen, aangezien deze tekstblokken al in de juiste context voorkomen op pagina 68 van de Algemene Beschouwingen.

Pagina 64

Voorgesteld wordt in de voorlaatste volzin tussen “Het” en “belangrijk” het woord “is” in te voegen.

Pagina 67

Voorgesteld wordt in de tabel:

  • in onderdeel 2.5.5 “Wet aanwijzing vermoedelijke verwekker” te wijzigen aangezien zo een wet noch een ontwerp daarvan bekend is bij de Raad;
  • in onderdeel 2.8.8 “Introductie wet registratie vaderschap” te vervangen door “Introductie Landsverordening gerechtelijke vaststelling vaderschap”.

Pagina 68

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, in de vierde volzin, “het” in te voegen tussen “en” en “Korps Politie Curaçao”.

Pagina 69

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, in de zesde volzin van onderaf “Dit kunnen” te vervangen door “Deze kunnen”.

4°. Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning

Algemeen

Vanaf pagina 75 van Hoofdstuk “Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning” van de Algemene Beschouwingen zijn in de tabellen geen bedragen vermeld in de kolommen voor de dienstjaren 2020 tot en met 2022 (meerjarig). Met betrekking tot het dienstjaar 2019 is dat soms ook het geval, bijvoorbeeld in tabel “1. Versterking van het toeristisch product Curaçao” op pagina 77, tabel “2. Toename (kwaliteit) economische activiteiten binnen de logistieke sector” op pagina’s 78 en 79 en tabel “12. Minder verkeersslachtoffers door verbeterde verkeersveiligheid” op pagina 96.

Voorgesteld wordt om de ontbrekende bedragen alsnog in de betreffende tabellen te vermelden.

Pagina 73

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok in de eerste volzin “leef kwaliteit” te vervangen door “leefkwaliteit”.

Pagina 78

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok in de eerste volzin “Werelderfgoed lijst” te vervangen door “Werelderfgoedlijst”.

Pagina 89

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok in de eerste volzin “als ook” te vervangen door “alsook”.

Pagina 95

Voorgesteld wordt in tabel “11. Verbetering kwaliteit van de mobiliteit” bij onderdeel 11.1.1 “Landsverordening personenvervoer” te vervangen door “Eilandsverordening personenvervoer”.

Pagina 96

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok in de eerste volzin “Landsverordening personenvervoer” te vervangen door “Eilandsverordening personenvervoer”.

5°. Ministerie van Economische Ontwikkeling

Pagina 109

Voorgesteld wordt in de derde alinea het woord “te” toe te voegen vóór het zinsdeel “faciliteren en versterken”.

Pagina 112

Voorgesteld wordt in het vijfde tekstblok de derde volzin te herformuleren.

6°. Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport

Pagina 125

Voorgesteld wordt om in het tekstblok onder de tabel “Functie 50 Overig Onderwijs” “OSBOD” en “FEFFIK” voluit te schrijven.

7°. Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn

Algemeen

In hoofdstuk “Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn” van de Algemene Beschouwingen zijn de bedragen voor het verrichten van bepaalde activiteiten in de verschillende tabellen niet opgenomen. Zie in dit verband tabel “1. Bijdragen aan verbetering van de kwaliteit van bestuur, besluitvorming en publieke dienstverlening” op pagina 159. In genoemde tabel is voor de activiteit 1.1.1 “Het instellen van een internationaal helpdesk ten behoeve van verdragen” in plaats van een bedrag het woord “Apparaatskosten” meerjarig opgenomen.

Voorgesteld wordt bedragen voor de activiteiten in de verschillende tabellen in voornoemd hoofdstuk van de Algemene Beschouwingen op te nemen.

Pagina 159

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok de beleidsthema’s 6 tot en met 16 te vernummeren tot respectievelijk 5 tot en met 15.

Pagina 160

De voorlaatste volzin in het vierde tekstblok onder het onderdeel “Samenhang tussen output en activiteiten” loopt niet. Voorgesteld wordt genoemde volzin te herformuleren.

Pagina’s 164 en 165

Ten aanzien van beleidsthema 6 “SOAW implementatiemechanisme: Subsidiebeleid en Overdrachten” (pagina’s 164 en 165 van de Algemene Beschouwingen) zijn, in tabel 6B “Bijdragen dat kwetsbare groepen een adequaat zorgaanbod krijgen”, met uitzondering van een bedrag van NAf 40.000,- voor dienstjaar 2019 voor de activiteit 6B 1.1 “Inzet van externen voor het bereiden van op maat gemaakte programma’s van eisen”, geen bedragen opgenomen voor het verrichten van de andere activiteiten ter realisatie van bovengenoemd beleidsthema.

Voorgesteld wordt bovengenoemde tabel met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Pagina 165

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, laatste volzin, “Subsidieverordening van 2016” te vervangen door “Landsbesluit subsidie (P.B. 2016, no. 81)”.

Pagina 166

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste volzin, “onder” te vervangen door “van”.

Pagina 169

Op pagina 169, derde alinea, staat dat in 2018 een saneringsvoorstel is gedaan om de uitgaven uit het Algemene Ouderdomsfonds zelf te verlagen. Een onderbouwing hiervoor is op pagina’s 50 en 51 van de Nota van Financiën gegeven. Voorgesteld wordt op pagina 169 ook die onderbouwing op te nemen.

Pagina 170

De laatste volzin in het eerste tekstblok loopt niet. Voorgesteld wordt genoemde volzin te herformuleren.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste volzin, “controle moeten uitvoeren” te vervangen door “controle moeten uitoefenen”.

Pagina 173

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede volzin, “Kas di Bario”s nobo” te vervangen door ““Kasnan di bario nobo””.

8°. Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur

Algemeen

In hoofdstuk “Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur” van de Algemene Beschouwingen zijn de bedragen voor het verrichten van bepaalde activiteiten in de verschillende tabellen niet opgenomen. Zo is in tabel “1.3 Betere inning en meer inkomsten” (pagina 186) voor de activiteit 1.3.1.“Actualiseren van het inkomstenregistratieproces” meerjarig geen bedrag opgenomen maar is volstaan met het schrijven van het woord “Personeelskosten”. Voor de activiteit 1.3.3. “Beleidsmatige facilitering van het oprichten van de Curaçaose zorgautoriteit” staat voor 2019 “Inhuren expertise” en geen bedrag en voor de jaren2020 e.v. is niks vermeld.

Voorgesteld wordt bedragen voor de activiteiten in de verschillende tabellen in voornoemd hoofdstuk op te nemen.

Pagina 188

Op pagina 188 wordt de afkorting “SDG” voor het eerst vermeld. Pas op pagina 198 staat dat de afkorting “SDG” voor “Sustainable Development Goals” staat.

Voorgesteld wordt om bij de eerste vermelding van die afkorting aan te geven waarvoor het staat.

Pagina 196

De voorlaatste volzin in het laatste tekstblok loopt niet. Voorgesteld wordt genoemde volzin te herformuleren.

Pagina 199

De tweede volzin in het eerste tekstblok loopt niet. Voorgesteld wordt genoemde volzin te herformuleren.

Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok, laatste volzin, “inspectie” te vervangen door “de Inspectie” en na “zorgaanbieders” het woord “en” in te voegen.

Pagina 206

Op pagina 206 wordt telkens het werkwoord “inzetten op” gebruikt. Voorgesteld wordt “inzetten op” telkens te vervangen door “zich inzetten voor”. Bijv. Het ministerie zet zich in voor een sustainable verbetering van de […] toe.

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste volzin “bespeurd” te vervangen door bespeurt”.

9°. Ministerie van Financiën

Pagina 208

In de tweede tabel bedragen voor het jaar 2019 de totale uitgaven op de gewone dienst, volgens de Raad NAf 230.996.800 in plaats van NAf 320.996.800. Voorgesteld wordt het desbetreffende bedrag te corrigeren.

Pagina’s 208 en 209

In de tweede tabel op pagina 209 staat bij functie “91 Belastingen” voor het jaar 2019 een bedrag van NAf 7.895.300 op de kapitaaldienst. Echter, op pagina 209 in de eerste tabel “91 Belastingen” komt het totaal op de kapitaaldienst uit op NAf 7.595.300. De regering wordt gevraagd consistentie aan te brengen bij deze cijfers en overige hiermee samenhangende cijfers.

Pagina 210

In de tabel behorende bij “outcome” nummer 1 staat op diverse plaatsen “Salariskosten” in plaats van een bedrag. De regering wordt gevraagd deze recht te trekken.

Pagina 217

Voorgesteld wordt in de vierde alinea – de laatste volzin, “besteedt worden” te vervangen door “besteed worden”.

Pagina’s 223 en 224

In de tabel behorende bij “outcome” 5 ontbreken de bedragen voor de jaren 2021 en 2022. De regering wordt gevraagd de ontbrekende bedragen toe te voegen.

Pagina 229

In het vervolgdeel van de tabel behorende bij “outcome” 6 op pagina 229 zijn de bedragen  behorende bij de instrumenten “7.1.1. Aflossing” en “7.1.2. Rente” volgens de Raad van rij verwisseld. Indien de constatering correct is, wordt de regering gevraagd de bedragen correct te plaatsen in de tabel.

In het onderdeel “Geldleningen” wordt aangegeven dat het eerste gedeelte van de schuldtitels die in 2020 vervalt, zal worden afgelost, waarvoor een reserve op de gewone dienst zal worden gevormd in 2018-2020. Echter aangezien van het ministerie van Financiën de informatie verkregen is dat thans de regering voornemens is deze schuld te herfinancieren, wordt de regering gevraagd de tekst in voornoemd onderdeelconform aan te passen.

In het tweede tekstblok wordt aangegeven dat vanaf het jaar 2019 en meerjarig, op de gewone dienst een reservedotatie wordt opgevoerd van circa NAf 102,6 miljoen. Volgens verkregen informatie van het Ministerie van Financiën wordt in 2019 en 2020 een reservedotatie opgevoerd van NAf 40 miljoen per jaar. Voorts wordt voor 2021 en 2022 respectievelijk NAf 42,2 miljoen en NAf 30,7 miljoen opgevoerd. De regering wordt gevraagd met inachtneming van de door het Ministerie van Financiën aangegeven wijziging de tekst in de Algemene beschouwingen aan te passen.

Pagina 230

De Raad constateert dat de tekst in het derde en vierde tekstblok met betrekking tot “Beleid overheidsgelieerde entiteiten” niet correspondeert met de tekst in onderdeel “Dividenden” van de Nota van Financiën op pagina’s 37 en 38. De regering wordt gevraagd bedoelde teksten met elkaar in overeenstemming te brengen.

d. De Nota van Financiën

Algemeen

De gekozen kleuren in verschillende grafieken in de Nota van Financiën, wijken nauwelijks van elkaar af. Daardoor is de daarin opgenomen informatie op papier moeilijk af te lezen. Zie bijvoorbeeld pagina 24 van de Nota van Financiën.

Voorgesteld wordt met het voorgaande rekening te houden.

Voorgesteld wordt voorts onder de tabellen en grafieken zowel de bronvermelding als de eenheid waarin de cijfers uitgedrukt zijn te vermelden.

Pagina 5

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, de zesde volzin te herformuleren.

Pagina 7

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, de derde volzin “accomoderend” te vervangen door “accommoderend”.

Pagina 10

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, de zesde volzin “accomoderend” te vervangen door “accommoderend”.

Pagina 13

Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok, de derde volzin “een krimp van -3,5%” te vervangen door “een krimp van 3,5%”.

Pagina 14

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) is de autoriteit die de nationale rekeningen publiceert. Daarnaast is het het CBS dat de consumentenprijsindex (indicator voor inflatie) berekent. Naast de groeiraming van de CBCS (op pagina 15) stelt de Raad daarom voor om in de Nota van Financiën tevens te vermelden dat ook het CBS een reële krimp van de economie van 1,7% raamt voor 2017 en om aan te geven dat uit de berekeningen van het CBS blijkt dat de inflatie in 2017 1,6% bedroeg.

Pagina 15

Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok het bedrag “NAf 113 miljoen” te vervangen door “NAf 116,8 miljoen”.

Pagina 17

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste volzin, “stageneren” te vervangen door “stagneren”.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, tweede volzin, “2017” te vervangen door “2019”.

Pagina 22

De cijfers voor 2017 in “tabel 4. Gewone dienst” komen niet overeen met de cijfers genoemd in “Tabel 2. Recapitulatie” op pagina 20.

Geadviseerd wordt de tabellen met elkaar in overeenstemming te brengen.

Pagina 24

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, de eerste volzin het bedrag “NAf 178,2 miljoen” te vervangen door “NAf 38,9 miljoen” (zijnde het verschil tussen NAf 1.737,1 en NAf 1.698,2 miljoen).

Voorgesteld wordt de tekst, “grafiek 3. Opbrengsten” en de bijbehorende legenda op pagina 24 en het eerste tekstblok op pagina 25 in overeenstemming te brengen met het voornemen van de regering om middels een wijziging van de Landsverordening comptabiliteit 2010 de collectieve sector per 2019 niet te consolideren in de begroting.

De optelsom van de percentages in “grafiek 3. Opbrengsten” komt hoger uit dan 100%. De Raad adviseert dit te corrigeren.

Pagina 25

In het tweede tekstblok wordt aangegeven dat de indirecte belastingopbrengsten, de loon- en inkomstenbelasting en de winstbelasting groeien met de reële economische groei en de inflatie (1,7%). Echter blijkt uit “tabel 5. Belastingopbrengsten” op bovenvermelde pagina dat de winstbelastingopbrengsten in 2019 afnemen ten opzichte van 2018, en dus niet groeit met de verwachte inflatie ad 1,7%.

Uit verkregen reactie van het ministerie van Financiën wordt beaamd dat de winstbelastingopbrengsten in 2019 afnemen ten opzichte van 2018. De regering wordt gevraagd de bijbehorende tekst conform aan te passen.

Pagina’ 25 en 28

In “Grafiek 6. Loon- en inkomstenbelasting” corresponderen de gehanteerde bedragen niet met de in “tabel 5. Belastingopbrengsten” op pagina 25 opgenomen bedragen voor loon- en inkomstenbelasting. De regering wordt gevraagd deze inconsistentie recht te trekken.

Pagina 45

In het derde tekstblok, de tweede volzin gaat de regering ter financiering van een eventueel (kortstondige) financieringsbehoefte uit van een gemiddelde rente van 3,5%. Echter in hoofdstuk “Ministerie van Financiën” van de Algemene Beschouwingen op pagina 229, in het eerste tekstblok gaat de regering uit van een percentage van een gemiddelde rente van 1,2% bij financiering van een eventueel (kortstondige) financieringsbehoefte. De regering wordt gevraagd consistentie aan te brengen bij de genoemde percentages.

Pagina 46

In het tweede tekstblok, de tweede volzin wordt vermeld dat de eerste tranche van de schuldentitels pas in 2021 vervalt. Terwijl in hoofdstuk “Ministerie van Financiën” van de Algemene Beschouwingen op pagina 229, in het eerste tekstblok, de voorlaatste volzin, de regering aangeeft dat in 2020 de eerste tranche vervalt. De regering wordt gevraagd consistentie aan te brengen bij het gebruik van de jaren.

Pagina 48

In de Nota van Financiën wordt gesteld dat van de overdrachten van de overheid de categorie “Overige Subsidies & Bijdragen” in 2019 is gehalveerd vergeleken met 2018. Echter uit “Tabel 11. Overdrachten” op pagina 47 blijkt dat het begrote bedrag aan “Overige subsidies en bijdragen” nagenoeg gelijk blijft in 2019 vergeleken met 2018. Er lijkt dus een inconsistentie te zijn tussen “Tabel 11. Overdrachten” en de tekst op pagina 48, eerste tekstblok.

Pagina 50

Voorgesteld wordt ook de kolom 2017 op te nemen in “Tabel 13. Schommelfonds” ter wille van de consistentie. Bovendien wordt in de analyse op pagina’s 50 tot en met 52 verwezen naar de realisatie in 2017.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, de tweede volzin te herformuleren.

Pagina 51

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, de laatste volzin “zorguitgaven” te vervangen door “pensioenuitkeringen”.

Pagina 55

In “grafiek 21. Vervalschema schulden” is het jaar 2019 niet op de x-as opgenomen. Indien er geen schulden vervallen in 2019, dient voor dat jaar het niveau 0 in de grafiek te worden opgenomen.

 

[1] Het belang van stimulering van de economie is in verschillende adviezen van de Raad benadrukt. Zie bijvoorbeeld pagina’s 2 en 3, onderdeel “3. De onderbouwing van de ontwerpbegroting 2013” van het advies d.d. 9 oktober 2012, RvA no. RA/27-12-LV, pagina 6, onderdeel “5. Stimulering van de economie” en pagina’s 11 tot en met 13, onderdeel “7. Ministerie van Economische Ontwikkeling van het advies d.d. 29 augustus 2018, RvA no. RA/19-13-LV en pagina’s 8 en 9, onderdeel “14. Stimuleren van economische groei”.

[2] Zie pagina 87 van het Regeerprogramma 2017-2021 “Ontplooien van Curaçao’s potentieel”.

[3] Zie pagina 10, onderdeel “b. Schuldquotenorm wettelijk verankeren”, van het advies d.d. 28 augustus 2017, RvA no. RA/19-17-             LV over de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2018 (zaaknummer 2017/022679).

[4] Zie pagina 111 van de Algemene Beschouwingen,

in de eerste tabel, de indicator behorende bij “output 2.4 red carpet”.