Adviezen

RvA no. RA/33-18-LV

Uitgebracht op : 05/10/2018
Publicatie datum: 15/10/2018

Ontwerplandsverordening tot wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening op de winstbelasting 1940, de Landsverordening economische zones 2000, de Landsverordening omzetbelasting 1999, de Successiebelastingverordening 1908 en de Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes (Landsverordening belastingherzieningen 2018) (zaaknummer 2018/037042)

Advies:  Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 27 september 2018 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp, bericht de Raad [1] u als volgt.                   

I. Algemeen

1. De totstandkoming van het onderhavige advies 

De Raad heeft de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) voor spoedadvies op 28 september 2018 van de regering ontvangen. Als motivering dat het adviesverzoek met spoed behandeld zou moeten worden, stelt de regering dat het risico groot is dat het land Curaçao op de zogenoemde zwarte lijst van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) wordt geplaatst, als deze wettelijke regeling niet op zeer korte termijn in werking treedt, met alle gevolgen van dien voor met name de financiële sector in Curaçao.

Voornoemde motivering heeft de Raad onderhands mondeling van de Minister van Financiën en bij navraag op ambtelijk niveau per e-mail vernomen. De regering[2] heeft echter nagelaten bij de aanbieding van voornoemd adviesverzoek de Raad per brief, die tevens een motivering bevat, om spoedbehandeling te vragen. Uit alles blijkt dat het wetgevingstraject voorafgaande aan de vaststelling van dit ontwerp niet op de juiste wijze is doorlopen. Dit volgt onder meer uit het feit dat het adviesverzoek in een zeer laat stadium aan de Raad is toegestuurd alsook uit het feit dat de betrokken (uitvoerings)organisaties tot nu toe in het ongewisse zijn (zie in dit verband onderdeel  II., 1c op pagina 5 van dit advies).

Ook indien de invoering spoedeisend is, zal toch verzekerd moeten zijn dat enerzijds de daarbij betrokken burgers, bedrijven en instellingen en anderzijds de uitvoeringsorganen redelijkerwijs in staat zijn de gestelde bepalingen na te komen en uit te voeren. Voor dit laatste verwijst de Raad naar onderdeel I., onder “4. Uitvoering”  op pagina 4  van dit advies.

In het licht van het bovenstaande adviseert de Raad de regering ontwerpen van wettelijke regelingen zorgvuldig voor te bereiden.

Uit verkregen informatie begrijpt de Raad dat de onderhavige landsverordening om bovengenoemde reden uiterlijk d.d. 15 oktober 2018 in werking moet zijn getreden en dient dus vóór die datum door de Staten te zijn goedgekeurd en in  het Publicatieblad te zijn bekendgemaakt. De Raad is van oordeel dat hij met deze door de regering gestelde deadline voor een voldongen feit wordt geplaatst en dat de Raad volstrekt onvoldoende tijd wordt gegund om het adviesverzoek adequaat te bestuderen teneinde daar een gedegen advies over uit te brengen.

De Raad is zich er terdege van bewust dat de Curaçaose wetgeving gelijke tred moet houden met ontwikkelingen in internationaal verband, in dit geval de ontwikkelingen in OESO-verband. Dit vergt van de kant van de regering dat deze ontwikkelingen continu worden gemonitord. Bij de planning van de tot stand te brengen wettelijke regeling dient steeds in ogenschouw te worden genomen dat voor alle deelnemers in het wetgevingsproces, waaronder de Raad van Advies, geldt dat zij een redelijke termijn nodig hebben om verantwoorde adviezen uit te brengen.  Voorkomen moet worden dat tekortkomingen in het monitoren van voornoemde ontwikkelingen of eventuele vertragingen in de ambtelijke voorbereiding van ontwerpregelingen tot gevolg hebben dat de termijn die aan de Raad - als laatste adviesinstantie – zou moeten worden gegeven voor het uitbrengen van een advies substantieel wordt ingekort, zoals nu het geval is.

Gezien het belang van Curaçao om eventuele gevolgen in verband met het niet tijdig voldoen aan de richtlijnen van de OESO te ontlopen, zal de Raad thans toch advies uitbrengen over het ontwerp, waarbij de Raad tegelijkertijd aangeeft dat in geval hij meer tijd zou hebben gehad voor het behandelen van dit adviesverzoek, er wellicht meerdere punten naar voren zouden zijn gebracht.

In het licht van het waarborgen van de kwaliteit van wet- en regelgeving protesteert de Raad bij de regering over de gang van zaken en verzoekt de regering met klem om in het vervolg conform de juiste procedure en dus met inachtneming van een redelijke termijn een adviesverzoek aan de Raad voor te leggen.

2. Bestendigheid van wettelijke regelingen

Aanwijzing 7 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) bepaalt dat gestreefd moet worden naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.

Voorkomen moet worden dat regelingen frequent worden gewijzigd omdat dit afbreuk doet aan de kenbaarheid van die regelingen en daarmee aan de rechtszekerheid voor de burger.

Hoewel diverse wettelijke regelingen[3] onlangs met een beroep op de OESO-richtlijnen, zijn gewijzigd krachtens de op 29 juni 2018 vastgestelde Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes (hierna: de Lv RPB)[4], wordt in het ontwerp wederom voorgesteld deze regelingen te wijzigen onder meer in verband met bedoelde richtlijnen. De Raad geeft daar hier in het navolgende enkele voorbeelden van. Daarbij is het opmerkelijk dat thans wordt voorgesteld ook de wijzigingslandsverordening zelf, namelijk de Lv RPB, te wijzigen.

De bedoelde voorbeelden zijn als volgt: 
1°. artikel II, onderdeel A , van het ontwerp stelt voor artikel 1A, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: de Lv WB) te wijzigen, terwijl dit artikelonderdeel onlangs is aangepast [5];

2°.    artikel VI, onderdeel A, onder punt 2, van het ontwerp stelt voor artikel 7, eerste lid, onderdelen p en z, van de Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: de Lv OB), te wijzigen, hoewel deze onderdelen onlangs zijn aangepast [6];

3°.    artikel VI, onderdeel A, punt 3, van het ontwerp stelt voor artikel III, onderdeel F van de Lv RPB waarmee onlangs een nieuw artikel 13c in de Lv OB is opgenomen[7], nu reeds te doen vervallen; 

4°.    artikel VI, onderdeel E, van het ontwerp beoogt de inwerkingtredingsbepaling van de Lv RPB[8], zodanig te wijzigen dat de hierboven onder 2° genoemde onderdelen p en z van artikel 7, eerste lid, van de Lv OB, nu alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2018 in werking treden.

De Raad brengt onder de aandacht van de regering dat het verschaffen van rechtszekerheid een belangrijke functie is van het recht. Een burger moet zijn rechten en plichten in verhouding tot het bestuur kunnen bepalen; hij moet weten waar hij rechtens aan toe is. Wetgeving, en met name de kenbaarheid van die wetgeving, is van belang voor het waarborgen van die rechtszekerheid. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van bestendige regelgeving waardoor er ernstig afbreuk wordt gedaan aan de kenbaarheid van de betreffende regelingen en daarmee aan de rechtszekerheid. Dit dient te allen tijde in een democratische rechtsstaat te worden vermeden.

De Raad adviseert de regering om in de hoedanigheid van medewetgever aanwijzing 7 van de Awr steeds en nauwgezet in acht te nemen. Tevens wordt geadviseerd in het ontwerp te bepalen dat meteen na vaststelling van de onderhavige landsverordening, van de gewijzigde wettelijke regelingen bij landsbesluit  integrale  teksten worden vastgesteld en gepubliceerd.

3. Overgangsrecht 

Het overgangsrecht regelt de verhouding tussen de nieuwe regeling en de rechtsposities en verhoudingen die op dat moment bestaan, omdat voorkomen moet worden dat daarover onduidelijkheid bestaat. Daarbij wijst de Raad op aanwijzing 124 van de Awr waarin staat dat bij een wijziging van een regeling wordt overwogen of overgangsrecht noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de Raad dient nagegaan te worden wat de gevolgen van het ontwerp zijn voor de bestaande rechtsposities en verhoudingen waarna moet worden besloten of in het ontwerp voor die situaties overgangsrecht moet worden opgenomen. De Raad geeft enkele voorbeelden ten aanzien waarvan bovenstaande analyse zou behoren plaats te vinden: 

- artikel II, onderdeel A, van het ontwerp wijzigt artikel IA, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Lv WB, in die zin dat de definitie van wat als “buitenlandse winst” wordt aangemerkt, wordt gewijzigd; 

- artikel II, onderdeel B, van het ontwerp bepaalt dat onderdeel l van het eerste lid van artikel 2 van de Lv WB komt te vervallen. Artikel 2, eerste lid, van de Lv WB bevat een opsomming van vrijstellingen op het gebied van de winstbelasting.

Op grond van artikel VII van het ontwerp werkt de onderhavige landsverordening terug tot en met 1 juli 2018, omdat deze landsverordening verband houdt met de wijzigingen zoals opgenomen in de Lv RPB die per 1 juli 2018 in werking zijn getreden.[9] Gezien aanwijzing 126 van de Awr[10] is het de vraag of terugwerking in alle gevallen is toegestaan. Over de terugwerkende kracht van de onderhavige landsverordening verwijst de Raad naar zijn opmerkingen in onderdeel II. 1. onder “g. Verlening van terugwerkende kracht aan het ontwerp (artikel VII)” op pagina 8 van dit advies.

De Raad adviseert de regering na te gaan voor welke bestaande rechtsposities en verhoudingen overgangsrecht nodig is en waar nodig overgangsbepalingen in het ontwerp op te nemen en in de memorie van toelichting daarop in te gaan.

4. Uitvoering

Het is van belang dat het overheidsapparaat voorbereid is op de uitvoering van de wettelijke regelingen die in het ontwerp worden aangepast. Daarbij dienen niet alleen alle relevante uitvoeringsregelingen dan wel –voorschriften (c.q. richtlijnen) ruim vóór de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening te zijn vastgesteld, maar dienen ook de uitvoeringsinstanties van de overheid, zoals de Inspectie der Belastingen (hierna: de Inspectie), daarop terdege te worden voorbereid.

Dit blijkt echter niet altijd het geval te zijn.[11] Voor een voorbeeld wijst de Raad op de uitvoeringsregelingen, bedoeld in de artikelen 1A, eerste lid, onderdeel c en 1C van de Lv WB. Ook is met artikel III van de Lv RPB de Lv OB aangepast maar nog niet in werking getreden terwijl een datum voor inwerkingtreding nog niet bekend is bij de Inspectie, hoewel deze zich op een verantwoorde manier daarop moet voorbereiden om dit tijdig te kunnen implementeren. Er dienen bijvoorbeeld aanpassingen te worden gedaan in de formulieren die de omzetbelasting betreffen en ook de online mogelijkheid tot aangifte van de verschuldigde omzetbelasting moet in dat kader worden aangepast.

Voorts zal tevens bezien moeten worden op welke wijze de verhoging van de werkdruk bij de uitvoeringsinstanties naar aanleiding van het ontwerp wordt opgevangen aangezien dit het primaire proces van bijvoorbeeld de Inspectie negatief kan beïnvloeden. De verhoging van de werkdruk kan mede ontstaan door een gebrek aan uitvoeringsregelingen dan wel -voorschriften (richtlijnen) of onduidelijkheden daarin. Indien dit leidt tot stagnatie bij het afgeven van rulings dan kan dit een negatief effect hebben op het bevorderen van een gunstig investeringsklimaat in Curaçao.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden en op korte termijn de benodigde informatie te verschaffen aan de betrokkenen en de benodigde  maatregelen te treffen teneinde de uitvoering van de betreffende wet- en regelgeving correct te doen verlopen.

5. Financiële gevolgen

In de financiële paragraaf van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de voorgestelde wijzigingen van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: de ALL)  en de Lv OB geen financiële gevolgen zullen hebben en dat de wijziging van de Lv WB, de Landsverordening economische zones 2000 en de Lv RPB geen relevante daling van de belastingopbrengsten tot gevolg zullen hebben. De Raad mist echter een onderbouwing of de betreffende wijzigingen geen operationele kosten en kosten ten aanzien van de inzetbaarheid van het personeel met zich zullen meebrengen, bijvoorbeeld door het moeten aanpassen van formulieren. Het is niet duidelijk of hiervoor voldoende middelen op de begroting zijn gereserveerd.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande en artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 onderdeel “2. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting aan te passen.

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a. Administratieve sanctie van sluiting van bedrijven (artikel I, onderdeel B, onder punt 2b)

In artikel I, onderdeel B, onder punt 2 van het ontwerp wordt voorgesteld om het tweede lid van artikel 28a van de ALL te wijzigen. Artikel 28a van de ALL gaat over de administratieve sancties die aan bedrijven kunnen worden opgelegd. Ingevolge het huidige artikel 28a van de ALL kan een bedrijf voor een termijn van maximaal een jaar worden gesloten. In het voorgestelde artikel I, onderdeel B, onder punt 2 van het ontwerp wordt geen maximumtermijn voor het sluiten van bedrijven bepaald. Uit de toelichting op laatstgenoemd artikel volgt dat de termijn maximaal een jaar zou moeten bedragen.

In het kader van de rechtszekerheid en met inachtneming van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden adviseert de Raad de regering artikel I, onderdeel B, van het ontwerp zodanig aan te passen waardoor  artikel 28a van de ALL in een maximumtermijn voorziet.

b. Aanverwante dienstverlening (artikel II, onderdeel A)

In artikel II, onderdeel A, van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 1A, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Lv WB te wijzigen. In het huidige artikel 1A, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Lv WB wordt aanverwante dienstverlening uitgesloten van de winstbelasting. Het is de Raad opgevallen dat aanverwante dienstverlening op grond van onderdeel A van artikel II van het ontwerp niet meer wordt uitgesloten van de winstbelasting. Volgens de Raad kan het vorenstaande leiden tot het splitsen van bepaalde activiteiten waardoor de winst van activiteiten die thans belast is tegen het regulier tarief van 22% in de toekomst vrijgesteld zullen zijn voor de winstbelasting.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

c. De aanwijzing van het Bureau voor de Intellectuele Eigendom van Curaçao als organisatie die belast is met het verstrekken van de verklaring inzake speur- en ontwikkelingsonderzoek (artikel II, onderdeel C)

1°. Algemeen

In artikel II, onderdeel C, van het ontwerp wordt voorgesteld in artikel 8A van de Lv WB de zinsnede “een bij landsbesluit aangewezen instelling” telkens te vervangen door het Bureau voor de Intellectuele Eigendom van Curaçao (hierna: BIE). Dit betekent dat BIE belast wordt met de verstrekking van de verklaring inzake speur- en ontwikkelingsonderzoek (hierna: de Verklaring).

In het kader van zijn advisering over het ontwerp heeft de Raad een schrijven ontvangen van BIE, gedateerd 27 september 2018, ref. BIE 2018-549, waarin BIE zijn visie geeft op de in het ontwerp voorgestelde aanwijzing van BIE als organisatie die de Verklaring zal verstrekken.

2°. De Verklaring

Uit de brief van BIE d.d. 27 september 2018 blijkt dat aan BIE tot nu toe geen informatie is gegeven over de inhoud van en de werkzaamheden die gepaard gaan met het afgeven van de Verklaring, hoewel BIE daar diverse keren, ook schriftelijk, naar heeft gevraagd bij het Ministerie van Financiën.

De Raad kan evenmin uit het ontwerp en de memorie van toelichting opmaken wat de inhoud van de Verklaring moet zijn en welke werkzaamheden met het afgeven daarvan gepaard gaan. De Raad vindt dat dit in de memorie van toelichting toegelicht moet worden. Tevens dient in het ontwerp middels een wijziging van de Landsverordening BIE of een andere landsverordening een grondslag te komen voor het bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, stellen van nadere regels met betrekking tot de toetsingsgronden voor het afgeven van de Verklaring, de voorwaarden waar de Verklaring aan moet voldoen, hoe de Verklaring afgegeven moet worden en hoe deze eruit moet zien. Deze nadere regels dienen tegelijk met het nieuwe artikel 8A van de Lv WB, zoals gewijzigd in artikel II, onderdeel C, van de onderhavige landsverordening, in werking te treden. Daarbij moet worden nagegaan of de werkzaamheden voor BIE ingevolge de onderhavige landsverordening gecombineerd kunnen worden met de huidige werkzaamheden van BIE, in die zin dat er geen sprake dient te zijn van enige (schijn) van belangenverstrengeling. Het is dan ook van belang dat BIE betrokken wordt bij de voorbereiding van dit traject. Zie verder het eerstvolgende onderdeel in dit advies.

De Raad adviseert de regering om in overleg met BIE het ontwerp aan te passen en de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande. Ook wordt geadviseerd de bovenbedoelde nadere regels te doen vaststellen.

3°. Belangenverstrengeling

In de brieven van BIE d.d. 27 september 2018 en d.d. 1 oktober 2018[12], wordt aangegeven dat het uitgeven van Verklaringen door BIE met zich mee kan brengen dat er sprake zal zijn van belangenverstrengeling in de zin dat BIE niet betrokken kan worden in de fase vóór het beschermen van een intellectueel eigendom-creatie. Bij de behandeling van de ontwerplandsverordening reparatie preferentiële belastingregimes door de Staten (Zittingsjaar 2017-2018-130) werd besloten om BIE uit de Lv WB te schrappen omdat er bezwaar bestond tegen de voorgestelde taakuitoefening door BIE. De Raad mist in de memorie van toelichting een onderbouwing om welke reden de regering van oordeel is dat de Staten geen bezwaar meer zullen hebben tegen de voorgestelde taakuitoefening door BIE.

Bij het toedelen van wettelijke taken aan BIE dient steeds nagegaan te worden of het één en ander niet strijdig zal blijken te zijn met verdragen en andere internationale overeenkomsten waaronder BIE functioneert. Uit de stukken gevoegd bij het adviesverzoek is niet gebleken of dit onderzoek door de regering is verricht en wat de uitslag hiervan is geweest. Om deze reden is de Raad van oordeel dat in de memorie van toelichting onderbouwd dient te worden om welke reden het uitgeven van verklaringen geen belangenverstrengeling met zich mee zal brengen ten opzichte van de overige wettelijke taken van BIE die in verdragen en andere internationaalrechtelijke overeenkomsten zijn verankerd.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

4°. Informatie over het horen van BIE, over de inhoud en invulling van de in het ontwerp aan BIE opgedragen taak in relatie tot de memorie van toelichting

In de brief van BIE d.d. 27 september 2018 stelt dit bureau dat het hem nog steeds niet duidelijk is wat precies wordt bedoeld met de Verklaring, aangezien zijn vragen aan het Ministerie van Financiën daarover tot nu toe niet zijn beantwoord. Dit is in zijn brief aan de Raad d.d. 1 oktober 2018 nogmaals bevestigd.

De Raad merkt op dat op grond van aanwijzing 157, onderdeel e, van de Awr eventuele lasten voor burgers, bedrijven en instellingen in de memorie van toelichting moeten worden opgenomen. Uit de memorie van toelichting en de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken kan echter niet worden opgemaakt of BIE over zijn rol bij de uitvoering van het ontwerp is gehoord noch of er extra middelen ten laste van BIE in de vorm van menskracht of middelen daarmee gemoeid zullen zijn. De Raad heeft de regering hier al eerder op gewezen.[13]

De Raad is van oordeel dat indien wettelijke taken aan een organisatie worden toebedeeld, deze organisatie in een vroeg stadium betrokken moet worden bij het wetgevingsproces zodat de organisatie degelijk voorbereid is op de uitvoering van die wettelijke taak. Uit voornoemde brieven van BIE krijgt de Raad niet de indruk dat dit het geval is. Mocht deze taak bovendien extra kosten voor de betreffende organisatie met zich meebrengen dan zal daar een voorziening voor moeten worden getroffen.

De Raad adviseert de regering om de organisatie die de taak krijgt de Verklaringen te verstrekken, zo spoedig mogelijk bij het traject te betrekken, deze van de benodigde - inhoudelijke - informatie te voorzien, deze desgewenst daarbij te begeleiden, alsook na te gaan of voor die organisatie een financiële voorziening moet worden getroffen. Ook wordt gezien aanwijzing 157, onderdeel e, van de Awr geadviseerd in onderdeel “2. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting in te gaan op de financiële lasten voor BIE en, gelet op artikel 11  van de Landsverordening comptabiliteit 2010, in genoemd onderdeel  van de memorie van toelichting in te gaan op eventuele financiële gevolgen voor het Land.

d. Wijziging van de Succesiebelastingverordening 1908 (artikel V)

In artikel V van het ontwerp wordt voorgesteld artikel 1A, vierde lid, van de Successiebelastingverordening 1908 te wijzigen. De Raad brengt onder de aandacht dat de Staten in hun vergadering d.d. 14 september 2018 de Landsverordening tot wijziging van de Successiebelastingverordening 1908 hebben goedgekeurd (hierna: de Wijzigingslands-verordening)[14]. De Raad heeft nog geen Publicatieblad ontvangen waarin de Wijzigingslandsverordening is bekendgemaakt. Artikel V van het ontwerp heeft echter betrekking op een tekst in de Wijzigingslandsverordening. Om met artikel V van het ontwerp effect te sorteren dient erop te worden toegezien dat de Wijzigingslandsverordening bekendgemaakt wordt in het Publicatieblad vóórdat de onderhavige landsverordening wordt gepubliceerd.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

e. Vrijstelling voor het in rekening brengen en afdragen van omzetbelasting (artikel VI, onderdeel A)

1°. Cruisetoeristen (artikel VI, onderdeel A, onder 2, punt 1)

In artikel VI, onderdeel A, onder 2, punt 1, van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 7, eerste lid, onderdeel p, van de Lv OB te wijzigen. Deze wijziging houdt in dat bedrijven vrijgesteld zijn van het in rekening brengen en afdragen van omzetbelasting als het gaat om de verkoop van goederen aan cruisetoeristen. Het is niet duidelijk wat onder “cruisetoeristen” in de zin van voornoemde landsverordening dient te worden verstaan en om welke soorten schepen het moet gaan. Verder is evenmin duidelijk om welke reden er sprake is van een redelijk en objectief onderscheid tussen cruisetoeristen en andere toeristen en op welke wijze vastgesteld zal worden dat de verkoop van goederen aan cruisetoeristen en niet aan andere toeristen heeft plaatsgevonden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

2°. Administratiekantoren (artikel VI, onderdeel A, onder punt 2)

Uit artikel 7, eerste lid, onderdeel z, van de Lv OB, zoals voorgesteld onder punt 2 van onderdeel A van artikel VI van het ontwerp, volgt dat de daarin opgenomen ondernemingen en dienstverleners geen omzetbelasting aan hun cliënten in rekening hoeven te brengen en ook niet hoeven af te dragen aan de fiscus. Volgens het huidige artikel 7, eerste lid, onderdeel z, van de Lv OB vallen ook administratiekantoren onder deze vrijstelling. Het is niet duidelijk om welke reden administratiekantoren niet meer worden opgenomen in het voorgestelde artikel VI, onderdeel A, onder 2, punt 2, van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

f. Wijziging van de inwerkingtredingsbepaling van de Lv RPB (artikel VI, onderdeel E)

In artikel VI, onderdeel E, van het ontwerp wordt artikel XI, tweede lid, van de Lv RPB gewijzigd. Hiermee wordt beoogd artikel III, onderdeel E, van de Lv RPB, alsnog met terugwerkende kracht in werking te doen treden door het achteraf onder de werking van de inwerkingtredingsbepaling in artikel XI, eerste lid, van de Lv RPD te brengen.

Aangezien artikel XI, eerste lid, van de Lv RPD met de inwerkingtreding van de Lv RPD al is uitgewerkt, heeft het achteraf onder de werking van dit artikellid brengen van artikel III, onderdeel E, van de Lv RPD, niet het gewenste juridische effect.

Om de bepalingen van artikel III, onderdeel E, van de Lv RPB, die een aanpassing van artikel 7, eerste lid, onderdelen p en z, van de Lv OB betreffen, alsnog met terugwerkende kracht in werking te doen treden, adviseert de Raad de regering bedoelde wijziging van artikel 7 van de Lv OB, in het ontwerp zelf op te nemen en met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2018 in werking te doen treden. Daarbij dient in het nog vast te stellen landsbesluit ter uitvoering van artikel XI, tweede lid, van de Lv RPB, dit onderdeel E van artikel III van de Lv RPB, buiten beschouwing te worden gelaten.

g. Verlening van terugwerkende kracht aan het ontwerp (artikel VII)

1°. Algemeen

Op grond van artikel VII van het ontwerp wordt terugwerkende kracht aan de onderhavige landsverordening verleend tot en met 1 juli 2018. Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling. Omdat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gerespecteerd kan het verlenen van terugwerkende kracht op gespannen voet staan met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad wijst hierbij op aanwijzing 126 van de Awr die onder andere bepaalt dat aan een regeling slechts terugwerkende kracht wordt verleend indien daarvoor een bijzondere reden[15] bestaat en dat aan belastende regelingen geen terugwerkende kracht wordt toegekend behoudens in uitzonderlijke gevallen.

2°. Terugwerkende kracht van de aanwijzing van BIE

Ook de aanwijzing van BIE ingevolge artikel II, onderdeel C, van het ontwerp zal met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2018, in werking treden. Gezien hetgeen hierboven  onder II, onderdeel 1c, over de Verklaring is opgemerkt, plaatst de Raad hierbij zijn vraagtekens. Het is immers, zoals reeds hierboven aangegeven, gebleken dat BIE geen informatie heeft hoe invulling te geven hieraan. In de memorie van toelichting is voorts geen bijzondere reden gegeven waarom terugwerkende kracht aan voornoemde aanwijzing van BIE moet worden verleend.

De Raad adviseert de regering met inachtneming van aanwijzing 126 van de Awr na te gaan of het verlenen van terugwerkende kracht in alle gevallen is toegestaan dan wel op zijn plaats is, en daarbij nadrukkelijk de aanwijzing van BIE op grond van artikel II, onderdeel C, van het ontwerp mee te nemen. Ook wordt geadviseerd het ontwerp waar nodig op dit punt aan te passen. Verder wordt geadviseerd om in de memorie van toelichting steeds de bijzondere reden voor het verlenen van terugwerkende kracht aan de in het ontwerp voorgestelde wijzigingen te geven.

2. De memorie van toelichting

a. Offshore vennootschappen (artikel I, onderdeel A)

Volgens de toelichting op artikel I, onderdeel A, van het ontwerp (pagina 6) is het de bedoeling dat voormalige offshore vennootschappen, mits de aandeelhouders gevestigd zijn binnen Curaçao of indien de activiteiten van het lichaam een vaste inrichting conform artikel 1, zesde lid van de Lv WB  vormen, kunnen opteren voor een transparante status. De Raad merkt echter op dat in het huidige artikel 3b van de ALL en de in het ontwerp voorgestelde aanpassing van genoemd artikel van de ALL geen onderscheid wordt gemaakt tussen voormalige offshore vennootschappen en vennootschappen die thans gebruik maken van het offshore-regime. Een offshore vennootschap in de zin van de Lv WB is een in Curaçao opgerichte vennootschap die is opgericht ten behoeve van niet-ingezetenen en wiens activiteiten in het buitenland plaatsvinden. In de situatie dat een natuurlijke persoon aandelen houdt in een actieve (niet voormalige) offshore vennootschap zou op basis van voornoemde omschrijving van een offshore vennootschap een ingezetene geen aandelen mogen houden in een dergelijke offshore vennootschap. 

De Raad adviseert de regering om duidelijkheid aan te brengen in het ontwerp en de memorie van toelichting met betrekking tot het bovenstaande aan te passen.

b. Buitenlandse winst (artikel II, onderdeel A)

Uit de toelichting op artikel II, onderdeel A, van het ontwerp en uit de memorie van toelichting behorende bij  de Lv RPB volgt dat in de Lv WB uit wordt uitgegaan van het territorialiteitsbeginsel ten aanzien van inkomsten die afkomstig zijn uit het buitenland.[16] Er is sprake van het ontstaan van buitenlandse winst bij de levering van goederen en het verlenen van diensten aan afnemers woonachtig of gevestigd buiten Curaçao. Onder buitenlandse winst valt ook de winst behaald met lokale vermogensbestanddelen die gebruikt worden voor het verrichten van voornoemde activiteiten voor zover deze leveringen en diensten in het buitenland worden genoten. Op basis van het voorgestelde artikel II, onderdeel A, van het ontwerp zal het niet meer noodzakelijk zijn dat de diensten en de levering van goederen in het buitenland worden genoten. Door het genot van deze activiteiten te koppelen aan het buitenland wordt nu een grens gesteld aan hetgeen dient te worden aangemerkt als buitenlandse winst. Voorts wordt winst ontstaan door het verrichten van diensten of de levering van goederen aan lichamen en natuurlijke personen die binnen Curaçao gevestigd of woonachtig zijn en die aangemerkt worden als niet-ingezetenen als bedoeld in artikel 1, tweede en twaalfde lid van de Regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten, aangemerkt als buitenlandse winst.

Volgens de Raad zal het vorenstaande tot gevolg kunnen hebben dat door het genot in het buitenland niet meer te koppelen aan de levering van goederen dan wel het verrichten van diensten discussies ontstaan of de activiteiten die nu als lokale activiteiten worden aangemerkt en belast zijn tegen het reguliere tarief, al dan niet vrijgesteld worden van winstbelasting. Daarnaast zal ook de winst uit deze activiteiten na de voorgestelde aanpassing van artikel 1A, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Lv WB, vrijgesteld zijn van winstbelasting.

De Raad adviseert de regering om duidelijkheid aan te brengen in het ontwerp en de memorie van toelichting met betrekking tot het bovenstaande te wijzigen.

c. Openbare accountant (artikel II, onderdeel A)

In de toelichting op onderdeel A van artikel II van het ontwerp (pagina 8, eerste tekstblok, laatste drie volzinnen van de memorie van toelichting) wordt aangegeven wat onder het begrip “openbare accountant” moet worden verstaan. Genoemd begrip wordt niet in de Lv WB gedefinieerd. Met de in de memorie van toelichting gegeven definitie wordt beoogd aan te geven dat een onafhankelijke deskundige, genoemd in artikel 1A, eerste lid, onderdeel f, onder 3° van de Lv WB, ook een openbare accountant zou kunnen zijn en dat het iemand betreft die werkzaam is bij een accountantskantoor of zelf een accountantskantoor heeft. Het is voor de Raad niet duidelijk om welke reden het begrip “openbare accountant” besproken wordt aangezien het eerder relevant is of deze persoon, in relatie gezien tot genoemd artikel, bevoegd is om een goedkeurende verklaring af te geven. Hierover dient een nadere uitleg in de memorie van toelichting te worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering na te gaan of in artikel II, onderdeel A, van het ontwerp niet aangesloten kan worden bij de accountant, bedoeld in artikel 121, zesde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens wordt geadviseerd de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande.

III.      Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsverordening niet bij de Staten in te dienen dan nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 5 oktober 2018

de wnd. Ondervoorzitter,                                                         de Secretaris,

____________________                                                        _____________________

dr. J. Sybesma                                                                         mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/33-18-LV

Zowel de het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Algemeen

Het opschrift

Voorgesteld wordt om het opschrift van de memorie van toelichting in overeenstemming te brengen met het opschrift van het ontwerp door aan te geven dat ook de Successiebelastingverordening 1908 gewijzigd zal worden.

Tevens wordt voorgesteld om de vindplaatsen van alle wettelijke regelingen genoemd in de opschriften van het ontwerp en de memorie van toelichting in een voetnoot aan te geven.

2. Het ontwerp

a. Artikel I, onderdeel A

Voorgesteld wordt om vóór het woord “daaraan” het lidwoord “de” op te nemen.

Tevens wordt voorgesteld om “artikel 1, vijfde lid” te vervangen door “artikel 1, zesde lid”.

b. Artikel I, onderdeel B, onder punt 2

Voorgesteld wordt om na “de sluiting” in te voegen “van een bedrijfslocatie voor maximaal één jaar”.

Voor de reden voor het opnemen van voornoemde maximumtermijn wordt verwezen naar onderdeel II, 1a op pagina 5 van dit advies.

c. Artikel I, onderdeel D

Voorgesteld wordt om de punt achter “doet;” te schrappen.

d. Artikel II, onderdeel A

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de Regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten in een voetnoot aan te geven.

e. Artikel III

Voorgesteld wordt om ten behoeve van de overzichtelijkheid en leesbaarheid onderdeel A als laatste onderdeel op te nemen, ofwel als onderdeel C.

f. Artikel V

Voorgesteld wordt om:

- na “Successiebelastingverordening” in te voegen “1908”; en

- de zinsnede “In artikel wordt 1A” te vervangen door “In artikel 1A”.

g. Artikel VI, onderdeel A, onder 2

Voorgesteld wordt om de onderdelen 1, 2 en 3 te vernummeren tot a, b en c.

h. Artikel VI, onderdeel C

Voorgesteld wordt om ten behoeve van de overzichtelijkheid en leesbaarheid de onderdelen 1 en 2 te verwisselen.

Tevens wordt voorgesteld om het woord “telkens” in onderdeel 2 te schrappen aangezien “artikel I, onderdeel E” slechts eenmaal in het eerste lid van artikel IX voorkomt.

3. De memorie van toelichting

a. Pagina 2

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede tekstblok de zinsnede “De wijziging van de artikelen 1A” te vervangen door “De wijziging van artikel 1A”. Tevens wordt voorgesteld om in dezelfde volzin de komma achter het woord “kan” te schrappen.

b. Pagina 4

Voorgesteld wordt om in de voorlaatste volzin van het eerste tekstblok de afkorting “OECD” voluit te schrijven.

Tevens wordt voorgesteld om in de tweede volzin van het tweede tekstblok het woord “strekt” te vervangen door “sterk”.

c. Artikel I, onderdeel A (pagina 6)

Voorgesteld wordt om in de vierde volzin het woord “landsverordening” te vervangen door “Landsverordening” en om de vindplaats van deze wettelijke regeling in een voetnoot aan te geven.

d. Artikel II, onderdeel A (pagina’s 7 en 8)

Voorgesteld wordt om in punt 1 en 2 “Landsverordening Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten” te vervangen door “Regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten”. Tevens wordt voorgesteld om de vindplaats van deze wettelijke regeling in een voetnoot aan te geven.

Voorts wordt voorgesteld om de in de vijfde volzin van het eerste tekstblok op pagina 8 de afkorting “CPA” voluit te schrijven.

e.  Artikel II, onderdeel B (pagina 8)

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het eerste tekstblok de zinsnede “te komen vervallen” te vervangen door “komen te vervallen”.

Tevens wordt voorgesteld om de laatste volzin van het tweede tekstblok te schrappen aangezien een volzin van gelijke strekking reeds opgenomen is in de eerste volzin van het eerste tekstblok.

f. Artikelen IV en V (pagina 9)

De Raad merkt op dat beide artikelen geen “Onderdeel A” bevatten.

 

[1] Lid mevr. mr. R. Sillé heeft zich met inachtneming van de “Gedragsregels van de Raad van Advies ter zake omgaan met tegenstrijdige belangen” verschoond van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de behandeling van het (concept)advies over de onderhavige ontwerplandsverordening.

[2] Zie in dit verband onder andere de brief d.d. 29 maart 2012 (met kenmerk RvA no. OV/13-12) van de Raad aan de Minister-President met als onderwerp “Spoedadviesverzoeken”.

[3] Onder andere de Landsverordening op de Winstbelasting 1940, de Landsverordening economische zones 2000, de Landsverordening omzetbelasting 1999 en de Algemene landsverordening Landsbelastingen.

[4] P.B. 2018, no. 33.

[5] Artikel I, onderdeel C, van de Lv RPB.

[6] Artikel III, onderdeel E, van de Lv RPB.

[7] Artikel III, onderdeel F, van de Lv RPB.

[8] Artikel XI van de Lv RPB.

[9] P.B. 2018, no. 33.

[10] Aanwijzing 126 van de Awr luidt als volgt: 1. Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend, indien daarvoor een bijzondere reden bestaat. 2. Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling. 3. Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend. 4. Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.

[11] Zie daartoe ook het gestelde in dit advies hieronder met betrekking tot de door het Bureau voor de Intellectuele Eigendom van Curaçao af te geven verklaring inzake speur- en ontwikkelingsonderzoek.

[12] Brief van de BIE d.d. 1 oktober 2018, met referentienummer BIE 2018-601.

[13] Het advies van de Raad over het ontwerp van de Lv RPB d.d. 5 juni 2018, RvA no. RA/20-18-LV, onderdeel I-2 (pagina’s 1 en 2).

[14] Staten van Curaçao, Zittingsjaar 2015-2016-103.

[15] In de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting wordt als reden gegeven dat de onderhavige landsverordening verband houdt met de Lv RPB die per 1 juli 2018 in werking is getreden.

[16] Zie paragraaf “3.2. Exportregime” op pagina 4 van de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening reparatie preferentiële belastingregimes (Zittingsjaar 2017-2018-130).