Adviezen

RvA no. RA/10-19-LB

Uitgebracht op : 30/04/2019
Publicatie datum: 26/06/2019

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, houdende wijziging van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen, het Landsbesluit vergoeding kosten geneesmiddelen en het Landsbesluit medische uitzendingen  (Landsbesluit bevordering doelmatigheid gezondheidszorg)
(zaaknummer 2019/008356)

Advies:  Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 13 maart 2019 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 29 april 2019, bericht de Raad u als volgt.

Bovengenoemd adviesverzoek heeft betrekking op zowel het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen (hierna: het ontwerp), als de volgende ontwerpen:

  • het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, houdende uitvoering van de artikelen 4.4, eerste lid, onderdeel a, en 10.6 van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Landsbesluit taakstelling zorguitgaven) (RvA no. RA/10a-19-LB; zaaknummer 2019/008356); en
  • het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, houdende  uitvoering van artikel 7.1, vierde lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten  (Landsbesluit nadere criteria zorgcontracten) (RvA no. RA/10b-19-LB; zaaknummer 2019/008356).

 I. Algemeen

  1. De financiële consequenties
  1. Inleiding

In het kader van de evaluatie van de financiering van de zorguitgaven in het licht van de ingebruikname van het Curaçao Medical Center (hierna: CMC)[1], heeft de regering geconstateerd dat – vanwege het feit dat de

verwachte operationele kosten van het CMC NAf 59 miljoen meer zullen bedragen dan de kosten van het Sint Elisabeth Hospitaal (hierna: SEHOS) - additionele financiering van circa NAf 59 miljoen noodzakelijk is. Volgens de regering dient deze additionele financiering uit de begroting voor de zorguitgaven te worden geheralloceerd, aangezien de algemene middelen van het Land niet de ruimte bieden om aan deze additionele financieringsbehoefte te voldoen.

De door de regering ingestelde Taskforce marktordening en financiering zorgsector (hierna: Taskforce) heeft vier  zorggebieden als belangrijkste drijvers van de zorguitgaven geïdentificeerd. Deze zorggebieden zijn de farmaceutische zorg, de medisch-specialistische zorg, de medische uitzendingen en de laboratoriumkosten.

Vanwege een thans lopende doorlichting van de laboratoriumtarieven door het Bureau Telecommunicatie en Post heeft de regering gekozen om de laboratoriumkosten voorlopig buiten beschouwing te laten. Middels de hierboven genoemde  ontwerplandsbesluiten wordt gestreefd besparingen binnen de overige  zorggebieden te realiseren. Ten aanzien van de aanleiding voor de thans voorgestelde besparingen en de randvoorwaarden voor deze besparingen maakt de Raad onderstaand de volgende (algemene) opmerkingen.

  1. Operationalisering van CMC
    Voor het bevorderen van een doelmatige financiering van de zorggebieden heeft de Taskforce enkele aanbevelingen gedaan waarbij bij twee van de zorggebieden – namelijk medische uitzendingen en medisch specialistische zorg -  het startpunt van de besparingen  gesteld is op 1 januari 2020 omdat deze besparingen via het CMC zullen worden gerealiseerd. Aangezien uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken kan worden opgemaakt dat de besparingen waar het CMC een rol dient te spelen per 1 januari 2020 mogelijk zullen zijn, kan er volgens de Raad logischerwijs vanuit worden gegaan dat het CMC uiterlijk 1 januari 2020 volledig operationeel moet zijn. Uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken kan de Raad niet opmaken wat de realistische streefdatum is voor de operationalisering van het CMC. Volgens de Raad staat het vast dat als het CMC niet reeds in het jaar 2019 of anders uiterlijk 1 januari 2020 volledig operationeel is, dit gevolgen zal hebben voor de uitgangspunten in bovengenoemde landsbesluiten.
    Gelet op het vorenstaande wordt geadviseerd in de nota van toelichting duidelijk aan te geven per welke datum volgens de regering het CMC volledig operationeel zal zijn. In geval 1 januari 2020 niet haalbaal is, wordt gevraagd aan te geven welke compenserende maatregelen dan genomen zullen worden om de leemte aan besparingen op te vangen.   
     
  2. Business case HNO
    Zoals uit de bij het rapport van de Taskforce[2] gevoegde bijlagen kan worden opgemaakt, is de business case HNO de feitelijke bron voor de besparingsdoelstellingen en de taakstelling van de Taskforce. Verder is geconstateerd dat de Uitvoeringsorganisatie, bedoeld in de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (hierna: Uitvoeringsorganisatie) niet in de gelegenheid is gesteld zijn oordeel te kunnen geven over de business case HNO[3]. Volgens de Uitvoeringsorganisatie is te eenvoudig aangenomen dat de exploitatie van het CMC jaarlijks zonder meer NAf 59 miljoen meer zal bedragen dan het SEHOS. Voorts blijkt uit het rapport van de Taskforce - tabel op pagina 165 – dat de inzichten van de Uitvoeringsorganisatie met betrekking tot de verwachte besparingen drastisch verschillen van die van de Taskforce. Ter illustratie wordt genoemd dat terwijl de Taskforce bij geneesmiddelen uitgaat van een mogelijke besparing van NAf 41 miljoen (inclusief 10% volumedaling consumptie) gaat de Uitvoeringsorganisatie uit van een mogelijke besparing van slechts NAf 4 miljoen. Dergelijke verschillen kunnen negatief uitwerken op het vertrouwen dat de voorgenomen maatregelen daadwerkelijk zullen resulteren in de gewenste effecten. Gelet op de rol van de Uitvoeringsorganisatie binnen de zorgsector in Curaçao – met veel ervaring en expertise ter zake de zorgsector – en het belang van voldoende draagvlak binnen de zorgketen beveelt de Raad de regering aan om de Uitvoeringsorganisatie alsnog in de gelegenheid te stellen zijn visie over de business case HNO te geven en voor zover mogelijk daarmee rekening te houden. Voorts, wordt de regering geadviseerd om de garantie voor realisatie van de voorgenomen resultaten goed te waarborgen.
     
  3. Adviescommissie medische uitzendingen.

In artikel III van het ontwerp wordt de instelling van een Adviescommissie medische uitzendingen geregeld. Volgens de Taskforce wordt de procedure voor medische uitzendingen verder versterkt door het opnemen van een wettelijke plicht voor het CMC om te beschikken over een Adviescommissie medische uitzendingen. Dit is volgens de Taskforce nodig, omdat de huidige formele procedure voor medische uitzendingen, zoals omschreven in artikel 5.4, derde lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (hierna: LvBVZ), onderhevig is aan de nodige kritiek vanuit de groep van medische specialisten. Geadviseerd wordt de totale verwachte kosten verbonden aan de instelling van de Adviescommissie medische uitzendingen – inclusief de kosten gemoeid  met de inrichting en uitvoering van de administratie - te kwantificeren en in de financiële paragraaf in de nota van toelichting te vermelden opdat het CMC hier rekening mee kan houden.

2. Totaalbeeld van de bezuinigingen

  1. Ontbrekende (ontwerp-)wetgeving

De Raad acht het van belang om een totaalbeeld te kunnen krijgen van de door de regering voorgestelde bezuinigingen in de gezondheidssector teneinde hierover een gedegen advies te kunnen geven. Het een en ander in het licht van de opmerking van het IMF in haar laatste rapportage dat als gevolg van de tegenvallende economische groei welke samengaat met hoge werkloosheid, tezamen met de toenemende vergrijzing, de financiering van de gezondheidszorg in de komende jaren verder onder druk komt te staan[4]. Geconstateerd wordt dat in de nota van toelichting behorende bij het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, (hierna: nota van toelichting) een aantal te wijzigen wettelijke regelingen wordt genoemd die niet door de Raad bij het adviesverzoek zijn ontvangen.

In het algemeen gedeelte van de nota van toelichting[5] wordt aangegeven dat er vier zorggebieden door de Taskforce zijn geïdentificeerd waarop bezuinigd kan worden. Aan een deel van twee van deze aanbevelingen van de Taskforce is uitvoering gegeven in het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen (hierna: het ontwerp). De overige onderdelen zijn volgens de regering neergelegd in het Landsbesluit nadere criteria zorgcontracten, het Landsbesluit taakstelling zorguitgaven en in de Landsverordening bevordering doelmatigheid zorgsector. Een ontwerp tot invoering van de laatstgenoemde landsverordening is echter niet bij het adviesverzoek aangetroffen.

In de toelichting op artikel I van het ontwerp wordt aangegeven dat het substitutiebeleid ten aanzien van geneesmiddelen dient te worden versterkt door een wijziging van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen, de Landsverordening op de geneesmiddelenvoorziening en de regeling van de maximumprijzen op basis van de Prijzenverordening 1961. Een ontwerp tot wijziging van de Landsverordening op de geneesmiddelenvoorziening is echter niet bij het adviesverzoek gevoegd.

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

  1. Langere termijn kostenontwikkeling in de gezondheidssector

Volgens de laatste rapportage van het IMF is het van belang om over een meerjarig beeld van de kosten en baten van de gezondheidszorg te kunnen beschikken, om zodoende een beeld te kunnen krijgen van de noodzakelijk te ondernemen acties en de momenten waarop, teneinde de financiële houdbaarheid van de gezondheidszorg te kunnen garanderen.  Uit de brief van 11 maart 2019 van de Sectordirecteur Financieel Beleid en begrotingsbeheer van het Ministerie van Financiën[6] blijkt dat de voorgestelde besparingsmaatregelen niet zullen resulteren in een positief saldo voor het Fonds Basisverzekering Ziektekosten (hierna: BVZ-fonds) en uiteindelijk voor het Schommelfonds Sociale Verzekeringen. Afgaande op de prognose, opgenomen in de tabel op pagina 4 van voornoemde brief, zal er in 2020 sprake zijn van een negatief saldo van het BVZ-fonds van NAf 6,8 miljoen, dat in 2021 oploopt tot NAf 20,4 miljoen en in de daaropvolgende jaren verder oploopt en in 2026 NAf 73,4 miljoen zal bedragen. Het is niet duidelijk om welke reden het voorziene exploitatietekort van het CMC van NAf 59 miljoen wel wordt aangepakt en niet het steeds over de komende jaren oplopend negatief saldo van het BVZ-fonds. In het licht van het bevorderen van de lange termijn financiële houdbaarheid van het BVZ-fonds en uiteindelijk die van het Schommelfonds Sociale Verzekeringen dient naar het oordeel van de Raad sprake te zijn van een integrale benadering, waarbij duidelijk is welke maatregelen getroffen zullen worden om dit te realiseren alsook wat de tijdsplanning en de verwachte effecten daarvan zullen zijn.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

3. Adviezen van de Sociaal Economische Raad en van derden


 a. Advies van de Sociaal Economische Raad
Uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken is niet gebleken dat de regering advies heeft gevraagd van de Sociaal Economische Raad (hierna: SER). De Raad is van oordeel dat het ontwerp sociaal-economische gevolgen kan hebben voor de gemeenschap  en verzoekt aan de regering het advies van de SER op te vragen en zodra dit beschikbaar is aan hem toe te sturen om indien daartoe aanleiding bestaat een aanvullend advies uit te brengen.
De Raad vraag de aandacht van de regering voor het bovenstaande.
 

b. Adviezen van derden
Het hebben van voldoende draagvlak is een aspect waarmee volgens de Raad gedegen rekening mee moet worden gehouden. Uit bijlage 3 “Lijst van geraadpleegde personen en instanties per aandachtsgebied” van het rapport van de Taskforce is gebleken dat personen en instanties in de gezondheidssector gehoord zijn met betrekking tot het voornemen van de regering om bezuinigingen door te voeren in deze sector. De Raad is van oordeel dat uit de nota van toelichting dient te blijken dat ernaar gestreefd is om voldoende draagvlak bij de uitvoerders binnen de sector te bereiken en dat er voldoende rekening wordt gehouden met de bezwaren die in de praktijk bestaan. 
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de nota van toelichting aan te vullen.
 

  1. Inhoudelijke opmerkingen
  1. Het ontwerp
  1.  De geneesmiddelenautoriteiten (artikel I, onderdeel F)

In onderdeel F van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 13a in het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen op te nemen. In onderdeel a van het eerste lid van het voorgestelde artikel 13a wordt, voor zover relevant, een opsomming van geneesmiddelenautoriteiten gegeven die hier te lande erkend worden in verband met de inschrijving en import van generieke geneesmiddelen. Uit het rapport van de Taskforce marktordening en financiering volgt dat ook de Pan American Health Organization (hierna: PAHO) als een geneesmiddelenautoriteit erkend zou moeten worden. De Raad ziet de PAHO echter niet terug in onderdeel a van het eerste lid van het voorgestelde artikel 13a.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdeel F, van het ontwerp aan te passen.

  1. Het voeren van een administratie (artikel I, onderdeel F)

 1°. De term “Uitvoeringsorganisatie”

In onderdeel F van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 13b in het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen op te nemen. In alle leden van het voorgestelde artikel 13b wordt de organisatie belast met de uitvoering van de LvBVZ genoemd. De Raad is van oordeel dat een omschrijving van de term “Uitvoeringsorganisatie” in de begripsbepaling opgenomen dient te worden, waarbij in deze omschrijving verwezen kan worden naar artikel 1.1, onderdeel b, van de LvBVZ.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdelen B en F, van het ontwerp aan te passen.

 2°. Het periodiek verstrekken van gegevens

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 13b van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen wordt bepaald dat de apotheker of apotheekhoudende geneeskundige periodiek gegevens met betrekking tot ingekochte geneesmiddelen aan de Uitvoeringsorganisatie moet verstrekken. Het is niet duidelijk welke termijn bedoeld wordt met “periodiek”. De Raad is van oordeel dat een termijn uitgedrukt in maanden of jaren opgenomen dient te worden in het tweede lid van het voorgestelde artikel 13b.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdeel F, van het ontwerp aan te passen.

3°. Een redelijke vergoeding

In het derde lid van het voorgestelde artikel 13b van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen wordt bepaald dat de Uitvoeringsorganisatie een redelijke vergoeding aan de apotheker of apotheekhoudende geneeskundige kan verstrekken voor het houden van een administratie en het verstrekken van gegevens. Het is niet duidelijk om welke reden gekozen is om het toekennen van een redelijke vergoeding tot een discretionaire bevoegdheid en niet tot een wettelijke verplichting van de Uitvoeringsorganisatie te maken. De apotheker of apotheekhoudende geneeskundige is volgens het eerste lid van het voorgestelde artikel 13b immers verplicht om een administratie bij te houden en gegevens te verstrekken en zal hierbij zeker kosten maken. Uit de laatste volzin van de voorlaatste alinea op pagina 8 van de nota van toelichting volgt dat de kosten van de administratie door de Uitvoeringsorganisatie worden gedragen.

Daarnaast volgt uit de voorlaatste alinea op pagina 8 van de nota van toelichting dat de vergoeding ten laste van de besparingen wordt uitbetaald. Het is niet duidelijk op welke wijze en volgens welke maatstaven de omvang van de vergoeding bepaald zal worden en om de hoeveel tijd deze vergoeding toegekend kan worden. Ook is in het ontwerp niet geregeld op welke wijze de apotheker of apotheekhoudende geneeskundige in kennis wordt gesteld dat in een bepaald jaar een vergoeding aan hem zal worden uitbetaald.

 De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdeel F, van het ontwerp en de nota van toelichting aan te passen. Voorts wordt geadviseerd de totale verwachte kosten voor de Uitvoeringsorganisatie als gevolg van de door de apotheker of apotheekhoudende geneeskundige in te voeren administraties in de financiële paragraaf in de nota van toelichting – bij benadering - te vermelden opdat de Uitvoeringsorganisatie hier rekening mee kan houden.    

  1. Het verzoek tot inschrijving van geneesmiddelen (artikel I, onderdeel G)

Artikel I, onderdeel G, van het ontwerp betreft een wijziging van artikel 14 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen. Uit de voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 14 is af te leiden dat er sprake kan zijn van volledige en onvolledige verzoeken tot het inschrijven  van geneesmiddelen. In het ontwerp wordt niet voorzien in een procedure hoe om te gaan met onvolledige verzoeken. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk op welke wijze de verzoeker op de hoogte gesteld zal worden dat zijn verzoek onvolledig is, binnen welke termijn dit zal geschieden en binnen welke termijn de verzoeker het nodige moet doen om zijn verzoek volledig te maken c.q. aan te vullen. Ook dient in het ontwerp geregeld te worden dat indien de verzoeker nalatig is om binnen de vastgestelde termijn zijn verzoek aan te vullen, dit tot gevolg zal hebben dat zijn verzoek niet of niet verder in behandeling wordt genomen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdeel G, van het ontwerp aan te passen.

  1. De vergoeding ten aanzien van de inschrijving van geneesmiddelen (artikel I, onderdeel J)

In artikel I, onderdeel J, van het ontwerp wordt voorgesteld om het eerste lid van artikel 21 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen te wijzigen. Uit het huidige eerste lid van artikel 21 volgt dat kosten van respectievelijk NAf 500,- en NAf 250,- verschuldigd zijn voor de inschrijving of verlenging van de inschrijving van een geneesmiddel. Door de voorgestelde uitbreiding van het eerste lid van artikel 21 met het wijzigen van de inschrijving van een geneesmiddel zullen ook kosten verschuldigd zijn. Het is niet duidelijk welk bedrag verschuldigd zal zijn ten aanzien van een wijziging van de inschrijving van een geneesmiddel.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel I, onderdeel J, van het ontwerp aan te passen.

 a. De Adviescommissie medische uitzendingen (artikel III, onderdeel B)

Artikel III, onderdeel B van het ontwerp betreft de introductie van een nieuwe artikel 1a in het Landsbesluit medische uitzendingen. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 1a wordt de ziekenhuisvoorziening aangewezen als centrumziekenhuis verplicht om een Adviescommissie medische uitzendingen te hebben. In de toelichting op dit artikel wordt aangegeven dat dit nodig is omdat de huidige formele procedure voor medische uitzendingen, zoals omschreven in het derde lid van artikel 5.4 van de LvBVZ onderhevig is aan kritiek vanuit de groep van de medische specialisten. Het is niet duidelijk welke van de twee beslissingen doorslaggevend zal zijn om een patiënt naar het buitenland te kunnen sturen voor medische behandeling. Immers, de bevoegdheid van de medisch adviseur van de Uitvoeringsorganisatie is gebaseerd op een landsverordening, terwijl de bevoegdheid van de Adviescommissie medische uitzendingen gestoeld is op een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, dat van een lagere orde is. Volgens de Raad wordt hetgeen beoogd wordt met het instellen van de Adviescommissie medische uitzendingen niet bereikt door de bevoegdheid ervan te regelen in een wettelijke regeling van lagere orde.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel III, onderdeel B, van het ontwerp aan te passen.

 Overig

  1. Inleiding

Bij het bestuderen van het ontwerp en de daarin vervatte voorstellen tot het wijzigen van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen en het Landsbesluit vergoeding kosten geneesmiddelen is de Raad gestuit op een tweetal artikelen in deze wettelijke regelingen waarvoor de aandacht van de regering nodig is. Hierna zullen deze twee artikelen besproken worden.

  1. Rechtsbescherming

De Raad wenst de regering attent te maken op artikel 19 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen. In artikel 19 wordt bepaald dat tegen een beslissing tot weigering of doorhaling van een inschrijving in het geneesmiddelenregister, beroep openstaat bij de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, onder schriftelijke kennisgeving daarvan aan de commissie belast met de beoordeling van verpakte geneesmiddelen. Bij de invoering van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: LAR) heeft de wetgever ervoor gekozen om het administratief beroep af te schaffen en hebben de interne administratieve beroepsprocedures voor een groot deel plaats gemaakt voor de bezwaar- en beroepsprocedure omschreven in de LAR. Her en der en in het geval van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen is dit nog niet geschied. Ten overvloede merkt de Raad op dat de beroepstermijn van dertig dagen veel korter is dan de in de LAR gehanteerde termijnen van zes weken.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 19 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen te schrappen. 

  1. Ingetrokken regelingen

In het ontwerp wordt voorgesteld om technische wijzigingen aan te brengen in het Landsbesluit vergoeding kosten geneesmiddelen in verband met de aanpassing van de LvBVZ. Deze aanpassing van de LvBVZ houdt onder meer in het intrekken van de Regeling tegemoetkoming ziektekosten overheidsgepensioneerden en de Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren[7]. De regering wordt attent gemaakt op artikel 34 van het Landsbesluit vergoeding kosten geneesmiddelen waarin de Regeling tegemoetkoming ziektekosten overheidsgepensioneerden en de Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren worden genoemd.

De Raad adviseert de regering om artikel 34 van het Landsbesluit vergoeding kosten geneesmiddelen met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

  1. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
     

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging conform de in het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, opgenomen voorstellen te besluiten, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 30 april 2019

de Ondervoorzitter,                                                     de Secretaris,

____________________                                             _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/10-19-LB

 

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

  1. Het ontwerp

 

  1. De considerans

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de wettelijke regeling genoemd in de vierde overweging in een voetnoot aan te geven.

Tevens wordt voorgesteld om in de vijfde overweging het jaartal 2014 te schrappen.

  1. Artikel I, onderdeel A

Voorgesteld wordt om de zinsnede “artikel 5, zesde lid, onderdeel b” te vervangen door “artikel 5, vijfde lid, onderdeel b”.

 

  1. Artikel I, onderdeel C

Voorgesteld wordt om het woord “Indien” met een kleine letter te schrijven.

 

  1. Artikel I, onderdeel D

Voorgesteld wordt in onderdeel b van het voorgestelde eerste lid van artikel 6 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen de komma achter “gekocht” te vervangen door een puntkomma.

 

  1. Artikel I, onderdeel F, voorgestelde artikel 13a

Het is de Raad opgevallen dat de formulering en redactie van het voorgestelde artikel 13a van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen niet helemaal correct zijn. Het artikel begint bijvoorbeeld met een onderverdeling in leden maar uiteindelijk blijkt het artikel alleen één lid te hebben. Daarnaast lijkt het woord “mits” in onderdeel vi van onderdeel a van het artikel erop te duiden dat de opsomming gecontinueerd wordt in onderdeel b. Bovendien past onderdeel d niet bij de aanhef van het artikel.

Voorgesteld wordt om dit artikel aan te passen.

 

Voorts wordt voorgesteld om in de aanhef van het voorgestelde artikel 13a de zinsnede “artikel 5, van de landsverordening” te vervangen door “artikel 5, tweede lid, van de landsverordening”.

Ook wordt voorgesteld om in onderdeel a van het voorgestelde artikel 13a “beheert” te vervangen door “beheerd”.

Tenslotte wordt voorgesteld om “lid staat” in onderdeel ii van onderdeel b van artikel 13a te vervangen door “lidstaat”.

  1. Artikel I, onderdeel G

De Raad merkt op dat de laatste volzin van het tweede lid van het voorgestelde artikel 14 van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen (artikel I, onderdeel G, punt 1) dezelfde inhoud heeft als het nieuwe derde lid van dit artikel (artikel I, onderdeel G, derde lid).

Voorgesteld wordt om dit artikel aan te passen.

  1. Artikel I, onderdeel H

Voorgesteld wordt om de zinsnede “artikel 17, tweede lid, wordt” te vervangen door “artikel 17, eerste lid, onder b, wordt.

  1. Artikel III, onderdeel A

Voorgesteld wordt om in onderdeel A, punt 1, van artikel III de volzin “Artikel 1, vijfde lid, wordt genummerd zesde lid” te vervangen door “Het vijfde lid wordt genummerd tot het zesde lid”.

  1. Artikel III, onderdeel B

Voorgesteld wordt om in onderdeel a van het tweede lid van het voorgestelde artikel 1a van het Landsbesluit medische uitzendingen het woord “uitvoeringsorganisatie” met een hoofdletter te schrijven.

Tevens wordt voorgesteld om ook in het derde lid van het voorgestelde artikel 1a het woord “uitvoeringsorganisatie” maar ook “minister” met een hoofdletter te schrijven.

  1. Artikel IV

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de wettelijke regeling genoemd in artikel IV van het ontwerp in een voetnoot aan te geven.

 

  1. Artikel V

Onder verwijzing naar aanwijzing 187 van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt voorgesteld de benaming c.q. de citeertitel van de regelingen, waarvan de doorlopende tekst bekend moet worden gemaakt, expliciet in artikel V van het ontwerp te noemen.

 

  1. De nota van toelichting
  1. Het opschrift

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de in het opschrift genoemde wettelijke regelingen in een voetnoot aan te geven.

  1. Pagina 7

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het derde tekstblok de tweede “heeft” te schrappen.

 

Tevens wordt voorgesteld om in de derde volzin van het vierde tekstblok het woord “gegeven” te vervangen door “gedaan”.

  1. Pagina 8

Voorgesteld wordt om:

  • in de tweede volzin van het eerste tekstblok het woord “gemoeid” te schrappen;
  • onder de titel “Artikelsgewijs deel” de subtitel “Artikel I” op te nemen;
  • de vindplaats van de in de vierde volzin van paragraaf “Artikelsgewijs deel” genoemde  Landsverordening op de geneesmiddelenvoorzieningen en de Prijzenverordening 1961 in een voetnoot op te nemen;
  • in de achtste volzin van paragraaf “Artikelsgewijs deel” het woord “betreft” te vervangen door “treft”;
  • in de dertiende volzin van paragraaf “Artikelsgewijs deel” achter “onderdeel a” de zinsnede “, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten” op te nemen;
  • in de veertiende volzin van paragraaf “Artikelsgewijs deel” de eerste “de” te schrappen;
  • in de vijftiende volzin van paragraaf “Artikelsgewijs deel” achter “onderdeel” de letter “D” op te nemen en achter “13b” de zinsnede “van het Landsbesluit verpakte geneesmiddelen”.
  1. Pagina 9

Voorgesteld wordt om in paragraaf “Artikel III”:

  • in de eerste volzin de zinsnede “verstrekkingen 2014” te vervangen door “uitzendingen”;
  • in de derde volzin het woord “BVZ” te schrappen;
     
  • in de vijfde volzin “Landsverordening BVZ” te vervangen door “Landsverordening basisverzekering ziektekosten”;
  • in de achtste volzin het woord “BVZ” te schrappen.
  1. Pagina 10

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het eerste tekstblok “medisch” te vervangen door “medische”.

 

Tevens wordt voorgesteld om in de eerste volzin van het laatste tekstblok “artikel VII” te vervangen door “artikel VI”.

 

[1] Het CMC staat ook bekend als het HNO ofwel Hospital Nobo Otrabanda.

[2] Het rapport van de Taskforce is gedateerd 4 maart 2019.

[3] Bijlage-4 (pagina 138) behorende bij het rapport van de Taskforce. 

[4] IMF Country Report No. 19/23, Kingdom of the Netherlands – Curaçao and Sint Maarten, January 2019.

[5] Zie pagina 7, vierde tekstblok.

[6] Brief met zaaknummer 2019/008356 (2018/051223).

[7] Zie artikel 11.1 van de LvBVZ.