Adviezen

RvA no. RA/24-19-LV

Uitgebracht op : 21/08/2019
Publicatie datum: 02/09/2019

Ontwerplandsverordening tot wijziging van de Gedistilleerdverordening 1908, artikel 2a, eerste lid, van de Landsverordening accijns op bier 1970, de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970, de Landsverordening onroerende zaakbelasting 2014, de Landsverordening omzetbelasting 1999, de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen, de Eilandsverordening afvalstoffenbelasting en reinigingsrechten, de Landsverordening tarief en invoerrechten en de Landsverordening internationale bijstandverlening bij heffing van belastingen (Landsverordening belastingmaatregelen 2019) (zaaknummer 2019/021090)

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 19 juli 2019 dat op 24 juli 2019 is ontvangen, om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 19 augustus 2019, bericht de Raad u als volgt.

Bovengenoemd adviesverzoek heeft betrekking op zowel de onderhavige  ontwerplandsverordening belastingmaatregelen 2019 (hierna: het ontwerp) als het ontwerp van het Tijdelijk landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 7bis, eerste lid, van de Gedistilleerdverordening 1908, artikel 2a, eerste lid, van de Landsverordening accijns op bier 1970, artikel 2a, eerste lid, van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 en artikel 4, tweede lid, van de Landsverordening tarief en invoerrechten (Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven) (RvA no. RA/24a-19-LB) (zaaknummer 2019/021090). De Raad zal de regering over genoemd ontwerplandsbesluit een separaat advies toesturen.

  1. Algemeen
  1. Overleg met stakeholders

In de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) is niet aangegeven met welke stakeholders de regering overleg heeft gevoerd over de in het ontwerp voorgestelde tariefsverhogingen en wat de resultaten van die overleggen zijn geweest. De Raad vindt dit belangrijk.

Uit een doorrekening van de effecten van het totale maatregelenpakket op de economie van Curaçao (dus inclusief de nog in te voeren algemene bestedingsbelasting) blijkt namelijk dat de maatregelen een significant negatief effect hebben op de bestedingenkant van de economie en zullen leiden tot hogere inflatie. Daarbij wordt benadrukt dat vooral de particuliere consumptie zal worden getroffen doordat de koopkracht afneemt.[1]

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande.

 

2. Uitvoeringsaspecten met betrekking tot de ondernemer

 

Op basis van de huidige regelgeving geniet de ondernemer die handelsgoederen koopt, waarvan een deel bedoeld is voor export, bij invoer van deze goederen vrijstelling van omzetbelasting als bedoeld in de Landsverordening omzetbelasting 1999 en bij levering van deze goederen buiten het heffingsgebied geniet hij wederom vrijstelling.[2] Hiermee wordt bereikt dat de levering van handelsgoederen aan afnemers buiten het heffingsgebied van Curaçao, zonder heffing voor de omzetbelasting plaatsvindt.

Met het ontwerp wordt de vrijstelling van omzetbelasting bij invoer van handelsgoederen afgeschaft. De ondernemer dient bij invoer omzetbelasting te voldoen over deze goederen. De ondernemer kan met de aanpassing van artikel 2a van de Landsverordening omzetbelasting 1999 voor 50% van de bij de invoer betaalde omzetbelasting verrekenen met hetgeen op aangifte aan omzetbelasting moet worden voldaan. Deze verrekening is echter slechts mogelijk indien de handelsgoederen voor een belaste prestatie wordt gebruikt.

Het deel van de bovenbedoelde inkoop van handelsgoederen dat bestemd is voor de export naar bijvoorbeeld Bonaire, komt niet in aanmerking voor verrekening. Immers de uitvoer van goederen aan afnemers buiten het heffingsgebied, mits aan alle voorwaarden is voldaan, is vrijgesteld van omzetbelasting. Het gevolg hiervan zal zijn dat Curaçao niet meer aantrekkelijk is om als inkooppunt te fungeren omdat de goederen 9% duurder worden dan thans het geval is.

De Raad vraagt de regering aandacht te besteden aan het bovenstaande.

 

3. Financiële paragraaf

  1. De effecten van de inkomstenverhogende maatregelen

In de memorie van toelichting staat dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten in combinatie met het Ministerie van Economische Ontwikkeling een doorrekening heeft gedaan van de effecten van (het aangepaste pakket) van de inkomstenverhogende maatregelen. Uit het daaruit voortvloeiende rapport kan worden geconcludeerd dat er een negatief effect zal zijn op het bruto binnenlands product (hierna: het bbp) en op de inflatie, maar dat dit effect niet zodanig is dat de geschatte opbrengsten van de te nemen maatregelen aangepast moeten worden. [3] 

De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting een nadere specificatie op te nemen van bedoelde doorrekening alsook van de kwantificering van het negatieve effect op het bbp en de inflatie op korte - en lange termijn. Tevens beveelt de Raad de regering aan om de berekening van de meeropbrengsten aan te passen aangezien de onderhavige landsverordening niet per 1 augustus 2019 van kracht zal zijn.

b. Te maken kosten ten behoeve van de aangifteplicht voor de onroerendezaakbelasting

Voor de te introduceren aangifteplicht voor de onroerendezaakbelasting, conform het nieuw voorgestelde artikel 10a van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014, zullen kosten gemaakt moeten worden. Dit in verband met aanpassingen in het administratief systeem van de onroerendezaakbelasting omdat dit systeem geen aangifteplicht kent. Bewerkstelligd moet worden dat dit administratief systeem aangiften moet kunnen aannemen, verwerken en dat de aanslag met boete kan worden opgelegd. De Raad gaat ervan uit dat ook kosten gemaakt zullen moeten worden in verband met de te geven informatie aan het publiek. Hieraan wordt in de memorie van toelichting geen aandacht besteed.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

  1. Voorlichting

Aangezien de onderhavige landsverordening gevolgen heeft voor zowel burgers als bedrijven vindt de Raad het noodzakelijk dat deze(n) tijdig op de hoogte worden gebracht van de inhoud en implicaties van de onderhavige landsverordening.

De Raad adviseert de regering hier bijzondere aandacht aan te besteden.

Met betrekking tot de invoering van een gedeeltelijke aangifteplicht voor de onroerendezaakbelasting wordt tevens geadviseerd, om ten minste in de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening, belastingplichtigen via de media eraan te herinneren aangifte te doen indien zij geen aanslag voor deze belasting hebben ontvangen.

  1. Inhoudelijke opmerkingen
  1. Het ontwerp
  1. De Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 (artikel I)
     

1°. De verplichting tot het doen van aangifte

Het nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014

In het nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 is de verplichting opgenomen om na twee maanden aangifte te doen voor de onroerendezaakbelasting als zich wijzigingen in de onroerende zaak als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van genoemde landsverordening hebben voorgedaan. Dit betreft wijzigingen onder andere als gevolg van bouw, verbouwing, verbetering, afbraak en vernietiging. Alsdan wordt de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar volgend op dat waarin de wijziging heeft plaatsgevonden.

In artikel 8, tweede lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 staat vervolgens dat bedoelde waarde alleen wordt toegepast als de wijziging meer dan 5% van de waarde en minimaal NAf 25.000,-- bedraagt.

Nu in genoemd artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, een plicht tot aangifte van deze wijzigingen wordt geïntroduceerd, bij gebreke waarvan een navorderingsaanslag en een boete van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag kan worden opgelegd, valt het de Raad op dat nergens in de memorie van toelichting is uitgelegd wat dit in de praktijk voor een belastingplichtige betekent. Op welke wijze dient de belastingplichtige vast te stellen dat de waarde van de onroerende zaak met NAf 25.000,-- is vermeerderd. Dient bij een verbouwing steeds een taxatierapport te worden opgesteld of kan volstaan worden met opgave van het bedrag dat besteed is aan de verbouwing. Daarbij kan ook de vraag worden gesteld wat onder “verbetering” moet worden verstaan.

Voor het overige is de Raad van mening dat de aangiftetermijn van twee maanden kort is, vooral indien betrokkene over een taxatierapport moet beschikken om de wijziging van de waarde van de onroerende zaak aan te tonen.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

  • Het nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel c. van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014

In het in artikel I van het ontwerp nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 staat dat degenen die binnen twaalf maanden na afloop van een kalenderjaar geen aanslag hebben ontvangen daartoe aangifte moeten doen bij de Inspecteur. Een termijn waarbinnen deze aangifte moet worden gedaan is echter niet vermeld, hetgeen volgens de Raad alsnog dient te gebeuren.

Voorts is het de Raad niet duidelijk hoe dit artikelonderdeel zich verhoudt tot artikel 7 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: de ALL) waarin de bepalingen inzake de aangifte met betrekking tot aanslagbelastingen is geregeld.

De Raad adviseert de regering in het in artikel I van het ontwerp nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014, een termijn op te nemen waarbinnen de betreffende aangifte moet worden gedaan. Tevens adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting nader toe te lichten hoe voornoemd artikelonderdeel en artikel 7 van de ALL zich tot elkaar verhouden.

  • Aangifteplicht ter zake onroerendezaakbelasting huurgronden

Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 wordt de onroerendezaakbelasting geheven van opstallen op huurgronden die eigendom zijn van het Land. Deze onroerendezaakbelasting wordt geheven ten laste van de huurder.

In het ontwerp is de belastingplichtige met een opstal op huurgrond van het Land echter niet verplicht gesteld om aangifte te doen conform het nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden en indien nodig het ontwerp aan te passen.

  • De verplichting om binnen zes maanden na inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening aangifte te doen (de memorie van toelichting)

In de financiële paragraaf van de memorie van toelichting staat over de aangifteplicht dat degenen die bij de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening het genot van een onroerende zaak hebben krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht, en die in de afgelopen vijf jaar geen aanslag hebben ontvangen, verplicht zijn om binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening daartoe aangifte te doen.[4] De Raad stelt vast dat het voorgaande niet in het ontwerp staat. De memorie van toelichting en het ontwerp moeten derhalve op elkaar worden afgestemd. De Raad is evenwel van oordeel dat deze bepaling in artikel XI van het ontwerp (de overgangsbepaling) moet worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

2°. De definitie van “genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht”

De definitie van “genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht” in artikel 2, vierde lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 is slechts van toepassing op het eerste tot en met het derde lid van dat artikel.

De Raad adviseert de regering na te gaan of bedoelde definitie van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op het in artikel I van het ontwerp nieuw voorgestelde artikel 10a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014.

3°. Verjaring van de bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag

In het nieuw voorgestelde artikel 10a, vierde lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 wordt in de eerste volzin verwezen naar “een navorderingsaanslag en een boete als bedoeld in het tweede lid”. De Raad attendeert erop dat in het tweede lid van voornoemd artikel 10a sprake is van een aanslag en niet van een navorderingsaanslag.

Mocht het echter de bedoeling zijn om de navorderingstermijn van artikel 10 van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 te verruimen van vijf naar tien jaar, dan dient de zinsnede “als bedoeld in het tweede lid” in het nieuw voorgestelde artikel 10a, vierde lid, van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014, te worden verwijderd. De Raad vindt dat in dat geval de afwijkende termijn van tien jaar in de memorie van toelichting moet worden gemotiveerd.

De Raad adviseert de regering op het bovenstaande in de memorie van toelichting in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

  1. De Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 (artikel VII)

In artikel VII van het ontwerp wordt voorgesteld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970, het tarief “NAf 14,55” te vervangen door “NAf 21,85”. In het op pagina 1 van dit advies genoemde ontwerp van het Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven wordt in artikel III, onderdeel B, echter voorgesteld dit tarief van “NAf 14,55” te vervangen door “NAf 31,75”.

Het vervangende bedrag dat wordt genoemd in het ontwerp is dus niet hetzelfde bedrag dat wordt genoemd in het ontwerp van het Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven. Het is de Raad niet bekend of dit correct is.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

  1. Intrekking Landsbesluit (P.B. 2009, no. 15) (artikel X)

Artikel X van het ontwerp beoogt het Landsbesluit van de 2de februari 2009[5] in te trekken hoewel dat landsbesluit reeds zal worden ingetrokken met artikel V van het nog vast te stellen Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven[6].

Tegen die achtergrond merkt de Raad tevens op dat de toelichting op artikel IX van het ontwerp[7] de indruk wekt dat met de onderhavige landsverordening het bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 2de februari 2009, gewijzigde tariefpercentage van invoerrechten inzake reuk- en toiletwaters, wordt bekrachtigd.

De Raad wijst erop dat dit landsbesluit van de 2de februari 2009[8] zal worden ingetrokken na de inwerkingtreding van artikel V van het nog vast te stellen Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven. Het is de bedoeling dat het Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven op korte termijn van kracht wordt.

Gezien het bovenstaande dient in artikel X van het ontwerp te worden opgenomen dat het nog vast te stellen Tijdelijk landsbesluit wijziging accijnstarieven wordt ingetrokken, aangezien dit landsbesluit als het ware bekrachtigd wordt met de onderhavige landsverordening[9] en dient de memorie van toelichting op dit punt te worden aangepast.

De Raad adviseert de regering artikel X van het ontwerp alsook de memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

  1. Slotbepaling (artikel XVI)

In artikel XVI van het ontwerp staat dat de onderhavige landsverordening in werking treedt met ingang van de datum van dagtekening. De Raad merkt hierover het volgende op.

Artikel 81, tweede volzin, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) bepaalt dat landsverordeningen niet in werking treden voordat zij zijn bekendgemaakt. Bekendmaking van een landsverordening is dus een constitutieve voorwaarde voor het in werking treden daarvan en geschiedt door plaatsing in het Publicatieblad dat wordt bekendgemaakt door plaatsing op de website wjz.gobiernu.cw.[10]

De Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr)[11] bepalen ten aanzien hiervan dat de datum van inwerkingtreding van een regeling in elk geval ligt na het tijdstip van de feitelijke verkrijgbaarstelling van het betrokken Publicatieblad en dat die datum – zo mogelijk – zodanig wordt vastgesteld, dat de betrokkenen (bijvoorbeeld de advocatuur, de rechterlijke macht of uitvoeringsorganen) de gelegenheid hebben om tijdig kennis te nemen van de nieuwe regeling. Wellicht wordt met artikel XVI van het ontwerp voldaan aan de letter van de wet, maar niet aan de geest daarvan en evenmin aan aanwijzing 137, eerste lid, van de Awr. Immers, de kans bestaat dat de onderhavige landsverordening op een bepaalde dag in werking treedt (vanaf 0.00 uur) en het Publicatieblad eerst om bijvoorbeeld 11.00 uur of 15.00 uur verkrijgbaar wordt gesteld via voornoemde website.

Teneinde zowel aan de letter als aan de geest van artikel 81, tweede volzin, van de Staatsregeling te voldoen alsook aan aanwijzing 137, eerste lid, van de Awr, adviseert de Raad de regering de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening te doen ingaan op de dag na bekendmaking daarvan in het Publicatieblad.

 

  1. De memorie van toelichting

De toelichting op artikel I van het ontwerp (wijziging van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014)

In de memorie van toelichting met betrekking tot artikel I van het ontwerp staat dat de aangifte onroerendezaakbelasting binnen een termijn van twee maanden moet worden gedaan na uitnodiging van de Inspecteur.[12]  De Raad leest dit echter niet in het ontwerp. Wel staat in artikel 7, eerste lid, van de ALL dat de aangifte binnen een door de Inspecteur gestelde termijn van ten minste twee maanden na het uitnodigen tot het doen van aangifte bij de Inspecteur moet worden ingeleverd.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting de juiste termijn waarbinnen de aangifte moet worden gedaan aan te geven en daarbij de wettelijke regeling te vermelden waarop deze termijn gebaseerd is.

 

  1. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsverordening bij de Staten in te dienen, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 21 augustus 2019

de Ondervoorzitter,                                                     de Secretaris,

___________________                                               _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/24-19-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

  1. Het ontwerp
  1. Het opschrift

Voorgesteld wordt om in het opschrift van zowel het ontwerp als de memorie van toelichting “de Landsverordening onroerende zaakbelasting 2014” te vervangen door “de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014”.

  1. De overwegingen

Vooresteld om in de derde overweging “systematiek wijziging” te vervangen door “systematiekwijziging”.

Voorts wordt voorgesteld om de vierde overweging in overeenstemming te brengen met aanwijzing 91 van de Aanwijzingen voor de regelgeving door het motief hiervoor aan te geven en het woord “noodzakelijk” te vervangen door “wenselijk”.

  1. Artikel I

Voorgesteld wordt om de volzin “De Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 wordt gewijzigd:” te vervangen door “De Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 wordt als volgt gewijzigd:”.

  1. Artikel II, onderdeel A

Voorgesteld wordt na de aanhef van onderdeel A het opschrift “Artikel 2a” in te voegen.

Ook wordt voorgesteld wordt om in het tweede lid van het voorgestelde artikel 2a “inspecteur” te vervangen door “Inspecteur”.

  1. Artikel III

Voorgesteld wordt om in het nieuw voorgestelde artikel 9, achtste lid, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen na “betalingsregeling” in te voegen “ en deze betalingsregeling nakomt” en “overlegd” te vervangen door “overgelegd”.

  1. Artikel IV, onderdeel A

Voorgesteld wordt om de voorgestelde wijziging van artikel 6 als volgt aan te passen:

  • in onderdeel a dient na “artikel 6” de zinsnede “, aanhef,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen;
  • in onderdeel b dient na “artikel 6” de zinsnede “, onderdeel a,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen;
  • in onderdeel c dient na “artikel 6” de zinsnede “, onderdeel b,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen;
  • in onderdeel d dient na “artikel 6” de zinsnede “, onderdeel c,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen;
  • in onderdeel e dient na “artikel 6” de zinsnede “, onderdeel d,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen;
  • in onderdeel f dient na “artikel 6” de zinsnede “, onderdeel e,” te worden ingevoegd en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen.
  1. Artikel IV, onderdeel B

Voorgesteld wordt om voor de duidelijkheid het woord “term” te vervangen door “geldeenheid” en dient na “door”, volgens het eerste lid van aanwijzing 173 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een dubbele punt te worden opgenomen.

  1. Artikel VII, onderdeel A

Voorgesteld wordt om aan te geven welke onderdelen van het tweede lid van artikel 2 van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 gewijzigd dienen te worden.

  1. Artikel VIII

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens in een voetnoot op te nemen en het woord “wet” te vervangen door “landsverordening”.

  1. Artikel X

Voorgesteld wordt om de vindplaats van het in artikel X van het ontwerp genoemde landsbesluit in een voetnoot aan te geven.

  1. Artikel XI

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede lid achter “Landsverordening omzetbelasting” het jaartal “1999” op te nemen.

  1. Artikelen XVI en XVII

Voorgesteld wordt de opschriften van de laatste twee artikelen te vervangen door “Artikel XII” respectievelijk “Artikel XIII”.

  1. De memorie van toelichting

 Algemeen

Voorgesteld wordt om in de memorie van toelichting ten behoeve van de consistentie in woordkeus hetzij “miljoen” of “mln.” te gebruiken.

  1. Pagina 1

Voorgesteld wordt om in de laatste volzin van het eerste tekstblok “verwachtte” te vervangen door “verwachte”;

- in het laatste tekstblok “implementatie tijd” aan elkaar te schrijven.

  1. Pagina 2

Voorgesteld wordt om:

  • in de tweede volzin van het eerste tekstblok “impact studie” en “kostprijs verhogende” aan elkaar te schrijven, het woord “gezien” in te voegen na “ook”, en het woord “het” in te voegen tussen “is” en “de”;
  • in de eerste volzin van het tweede tekstblok “i.p.v.” voluit te schrijven;
  • in de eerste volzin van het vierde tekstblok “verwachtte” te vervangen door “verwachte”;
  • in het laatste tekstblok “implementatie tijd en kosten” te vervangen door “implementatietijd en -kosten” en “heeft” te vervangen door “hebben”.
  1. Pagina 3

Voorgesteld wordt om:

  • in de tweede volzin van het eerste tekstblok “omzetbelasting inkomsten” aan elkaar te schrijven;
  • in de tweede volzin van het tweede tekstblok “verwachtte” te vervangen door “verwachte”;
  • in de eerste volzin van het derde tekstblok “nieuwe OZB verordening” te vervangen door “nieuwe Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 (OZB)”.
  1. Pagina 4

Voorgesteld wordt om:

  • in het tweede tekstblok achter “Accijnzen” en “Totaal meeropbrengst” een dubbele punt op te nemen;
  • in de laatste volzin van het derde tekstblok “hierna volledig mogelijk” te vervangen door “hierna zo volledig mogelijk”;
  • in de laatste volzin van het laatste tekstblok “hierbij” te vervangen door “hiervan”.
  1. Pagina 5

Voorgesteld wordt om:

  • in de vijfde volzin van het tweede tekstblok “Sint-Maarten” te vervangen door “Sint Maarten”;
  • de vindplaats van de in de vijfde volzin van het tweede tekstblok genoemde rijkswet in een voetnoot aan te geven;
  • in de zesde volzin van het tweede tekstblok “ten alle tijde” te vervangen door “te allen tijde”;
  • in de zesde volzin van het tweede tekstblok “Rijkswet financieel toezicht” te vervangen door “Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten”;
  • in de tweede volzin van het laatste tekstblok “CBCS” te vervangen door “Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS)”.
  1. Pagina 6

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het voorlaatste tekstblok “blijven” te vervangen door “blijft”.

  1. Pagina 8

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de in de laatste volzin van het voorlaatste tekstblok genoemde Algemene landsverordening Landsbelastingen in een voetnoot aan te geven.

  1. Pagina 9

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het laatste tekstblok “9% tarief” te vervangen door “9%-tarief”.

  1. Pagina 10

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het derde tekstblok “een bewijs overlegt die” te vervangen door “een bewijs overlegt dat”.

Voorts wordt voorgesteld om de toelichting op de artikelen IV, V en VI achterwege te laten gezien de toelichting op aanwijzing160 van de Aanwijzingen voor de regelgeving waarin wordt aangegeven dat het overbodig is in de toelichting een parafrase van artikelen op te nemen.

Tevens wordt voorgesteld om in de voorlaatste volzin van het voorlaatste tekstblok het woord “volledig” als zijnde overbodig te schrappen.

  1. Pagina 11

Voorgesteld wordt om voetnoot 11 in de eerste volzin van het tweede tekstblok achter het woord “verrekenprijzen” op te nemen.

Tevens wordt voorgesteld om de vindplaats van de in de vierde volzin van het tweede tekstblok genoemde Landsverordening bescherming persoonsgegevens in een voetnoot aan te geven.

Voorts wordt voorgesteld om de opschriften “Artikel XIV” en “Artikel XV” te vervangen door “Artikel X” respectievelijk “Artikel XI” en in de tweede volzin van het laatste tekstblok “Landsverordening omzetbelasting” te vervangen door “Landsverordening omzetbelasting 1999”.

  1. Pagina 12

Voorgesteld wordt om het opschrift “Artikel XVI en XVII” te vervangen door “Artikelen XII en XIII”. 

 

__________________________

 

[1] Zie punt “3. Conclusie” van de notitie “Doorrekening effecten van maatregelenpakket op de economie van Curaçao”(pagina 3). Deze notitie betreft een gezamenlijk advies van het Ministerie van Economische Ontwikkeling en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, gegeven in het kader van de ombuigingsmaatregelen die zijn voorgesteld door de Minister van Financiën.

[2] Artikelen 14d respectievelijk 7, eerste lid, aanhef en onderdeel p, van de Landsverordening omzetbelasting 1999.

[3] Memorie van toelichting, pagina’s 5, laatste tekstblok en 6, voorlaatste tekstblok.

[4]  Memorie van toelichting, pagina 3, derde tekstblok, vijfde volzin.

[5] Publicatieblad 2009, no. 15.

[6] De intrekking gebeurt conform artikel 2a, derde lid, tweede volzin, van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 en artikel 4, vierde lid, van de Landsverordening tarief van invoerrechten.

[7]  Memorie van toelichting, pagina 11, derde tekstblok.

[8]  Publicatieblad 2009, no. 15.

[9] De bekrachtiging gebeurt conform artikel 2a, derde lid, laatste volzin, van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 en artikel 4, vijfde lid, van de Landsverordening tarief van invoerrechten.

[10] Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Bekendmakingsverordening in samenhang met artikel 3, eerste lid, juncto artikel 2 van het Landsbesluit wettelijke regelingen en instelling van het Centraal Register van wettelijke regelingen.

[11] Aanwijzing 137, eerste lid, van de Awr en de toelichting daarop.

[12]  Memorie van toelichting, pagina 8, tekstblok onder “Artikel I”.