Adviezen

RvA no. RA/10-14-LV

Uitgebracht op : 09/10/2014
Publicatie datum: 05/09/2019

Ontwerplandsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering
(zaaknummer 2013/066101)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 31 maart 2014 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en de behandeling hiervan in de vergadering van de Raad van Advies d.d. 6 oktober 2014, bericht de Raad u als volgt.

Bestudering van het onderhavige ontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting alsmede de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken geeft de Raad aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.

Algemeen

Kwaliteit van het ontwerp

De Raad heeft in het verleden de regering diverse malen attent gemaakt op de waarborging van de kwaliteit van ontwerpen van wettelijke regelingen, aangezien er ruimte was voor verbetering van de kwaliteit daarvan. De Raad wenst in dit geval naar voren te brengen met genoegen de onderhavige ontwerplandsverordening (het ontwerp) te hebben gelezen. Het ontwerp is inhoudelijk, redactioneel en wetstechnisch van een hoge kwaliteit.

Financiële paragraaf

Artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 schrijft voor dat in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel moet worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. Naast de Landsverordening comptabiliteit 2010 is ook de inachtneming van aanwijzing 159 van de Aanwijzingen voor de regelgeving van belang. In deze aanwijzing wordt bepaald dat in een afzonderlijk deel van de memorie van toelichting de financiële gevolgen van de ontwerplandsverordening voor het Land aangegeven dienen te worden.

Uit de brief van de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer d.d. 13 februari 2014 volgt dat de financiële paragraaf in de memorie van toelichting is bijgevoegd. De Raad constateert echter dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp dit niet het geval is.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande een financiële paragraaf in de memorie van toelichting bij het ontwerp op te nemen.

Bijscholing en voorlichting

Het introduceren van een nieuw Wetboek van Strafvordering betekent vanzelfsprekend een verandering in de procedures die enerzijds de opsporingsambtenaar en andere actoren in het strafproces dagelijks moeten volgen maar anderzijds ook een niet te verwaarlozen verandering voor de burger. De Raad voorziet dat met name het justitiële apparaat, de advocatuur, de rechterlijke macht en andere belanghebbenden bijgeschoold dienen te worden. Ook de burger dient bijvoorbeeld op de hoogte gebracht te worden dat hij of zij op grond van artikel 78, derde lid van het ontwerp in een uiterst geval gefouilleerd zou kunnen worden door een opsporingsambtenaar van een ander geslacht. Uit de bijbehorende stukken bij het ontwerp is niet gebleken hoe de regering om zal gaan met de veranderingen in het strafproces voor de uitvoerders ervan.

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Adolescentenstrafprocesrecht

Op 2 november 2011 werd het nieuwe Wetboek van Strafrecht vastgesteld. Het jeugdstrafrecht wordt in Titel X van deze landsverordening geregeld en is van toepassing op jongeren van tussen de 12 en 18 jaar. De Raad van Advies van de Nederlandse Antillen heeft op 19 augustus 2009 (RvA no. RA/42-08-LV) advies uitgebracht waarbij is ingegaan op het jeugdstrafrecht. De Raad van Advies heeft destijds onder andere gepleit voor de introductie van een afzonderlijke kinderrechter. In de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht (pagina 3) heeft de regering aangegeven het advies van de Raad ten aanzien van dit specifiek onderwerp niet te zullen volgen. Bij de voorgenomen herziening van het Wetboek van Strafvordering zou de regering dit onderwerp weer in behandeling nemen.

Het is de Raad niet gebleken of de regering in het onderhavige ontwerp het introduceren van een kinderrechter of het adolescentenstrafprocesrecht heeft overwogen. De Raad is van oordeel dat gelet op de kwetsbaarheid van jongeren in het strafproces, het wenselijk en noodzakelijk kan zijn om bij de herziening van het Wetboek van Strafvordering rekening te houden met het adolescentenstrafprocesrecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in meerdere uitspraken aangegeven dat wanneer er sprake is van een minderjarige verdachte, hij behandeld moet worden op een manier die volledig rekening houdt met zijn leeftijd, graad van volwassenheid, intellect en emotionele omstandigheden om zijn begrip en participatie in het proces te promoveren[1]. Volgens het EHRM moeten de autoriteiten zoveel mogelijk het gevoel van intimidatie en het gevoel van het zich belemmerd voelen bij de minderjarige verdachte minimaliseren. Ter illustratie noemt de Raad het volgende voorbeeld.

In artikel 62, eerste lid van het ontwerp wordt bepaald dat aan iedere verdachte die op verdenking van een of meer misdrijven van zijn vrijheid is beroofd, kosteloos een raadsman wordt toegevoegd, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen. Het introduceren van adolescentenstrafprocesrecht kan met zich meebrengen dat een jonge verdachte niet zonder meer op grond van artikel 62, eerste lid van het ontwerp af kan zien van de toevoeging van een raadsman. Er zouden meer waarborgen opgenomen kunnen worden zoals  de mogelijkheid voor een jonge verdachte om terug te kunnen komen op zijn beslissing om van de toevoeging van een raadsman af te zien. De Raad merkt tenslotte op dat het EHRM benadrukt dat het belang van extra waarborgen voor minderjarige verdachten in het strafproces niet ineens verdwijnt op het moment dat een verdachte meerderjarig wordt[2]. 

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Inhoudelijke opmerkingen

Het ontwerp

a.   Nummering van artikelen

Het is de Raad opgevallen dat in het ontwerp gebruik is gemaakt van de (oude) nummering van het huidige Wetboek van Strafvordering. Op grond van aanwijzing 72, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden artikelen doorgaans doorlopend genummerd. De Raad verwijst naar artikel CC van de Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht juncto artikel 1 van de Ministeriële Beschikking van 1 november 2011 ter uitvoering van artikel CC van de Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht[3] en adviseert de regering om in navolging van deze bepaling het daarheen te leiden dat het ontwerp (bij de invoering ervan) voorzien zal worden van een doorlopende nummering.

De Raad verzoekt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Ministeriële beschikking of regeling (artikelen 5a en 177u)

De Raad constateert dat in het vierde lid van artikel 5a van het ontwerp gesproken wordt van een ministeriële beschikking of regeling, terwijl in artikel 177u, eerste lid, van het ontwerp alleen over een ministeriële beschikking wordt gesproken. In de toelichting op artikel 5a van het ontwerp wordt aangegeven dat in dit artikel een gelijke tekst als in artikel 1:191 van het Wetboek van Strafrecht betreffende het (ver)horen via telecommunicatie is opgenomen. In het vierde lid van artikel 1:191 van het Wetboek van Strafrecht wordt de term “ministeriële regeling met algemene werking” gehanteerd.

De Raad adviseert de regering om ten behoeve van de consistentie en in navolging van aanwijzing 44 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en artikel 2, onderdeel h van de Staatsregeling van Curaçao steeds de term “ministeriële regeling met algemene werking” te hanteren. Ten overvloede merkt de Raad op dat de Staatsregelingen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten de term “ministeriële beschikking” niet (meer) kennen en dat deze soort regeling ook niet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorkomt.

De officier van justitie en de opgave in eigen woorden (artikel 42)

In het tweede lid van artikel 42 van het ontwerp wordt bepaald dat indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, dit, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk zal geschieden. De Raad is van oordeel dat ook het openbaar ministerie over gelijke bevoegdheden als de verdachte, getuige, deskundige, raadsman of advocaat moet kunnen beschikken.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Kennisgeving van toevoeging en wijziging van raadslieden (artikel 68)

In artikel 68 van het ontwerp wordt bepaald dat van elke toevoeging en wijziging van raadslieden onverwijld kennis moet worden gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte, de rechter-commissaris en indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting. Op grond van artikel 1:164, vierde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht kunnen jeugdigen door de rechter als strafmaatregel in een inrichting voor jeugdigen worden geplaatst, de zogenaamde PIJ-maatregel. De Raad is van oordeel dat in artikel 68 van het ontwerp opgenomen kan worden dat ook aan de directeur van een jeugdinrichting onverwijld kennis moet worden gegeven van elke toevoeging en wijziging van raadslieden ten aanzien van de jeugdige verdachte of veroordeelde die in de inrichting is geplaatst.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Het gerecht in feitelijke aanleg (artikel 70b)

Het is de Raad in het eerste lid van artikel 70b van het ontwerp opgevallen dat gesproken wordt van “het gerecht in feitelijke aanleg”. De Raad adviseert de regering om in navolging van aanwijzing 94 van de Aanwijzingen voor de regelgeving deze term in de definitiebepaling in het ontwerp op te nemen.

Kennisneming van processtukken door het slachtoffer en de toestemming van de officier van justitie (artikel 70b)

De Raad leest in het eerste lid van artikel 70b van het ontwerp dat zowel het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak dient als de officier van justitie tijdens het onderzoek op de terechtzitting bevoegd zijn om toestemming te verlenen aan het slachtoffer om kennis te kunnen nemen van de processtukken. Op grond van het eerste lid van artikel 310 juncto artikel 302 van het ontwerp heeft de rechter de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en geeft hij daartoe de nodige bevelen, en in dit geval, toestemming aan het slachtoffer om kennis te kunnen nemen van de processtukken. De Raad is dan ook van mening dat de officier van justitie slechts gehoord dient te worden ten aanzien van het verzoek van het slachtoffer.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Rijwiel- of autohandelaar (artikel 124)

In artikel 124 van het ontwerp wordt een opsomming van de lokaliteiten en plaatsen gegeven waartoe de opsporingsambtenaren te allen tijde vrije toegang hebben, waaronder de rijwiel- en autohandelaar. De Raad acht het raadzaam om in deze opsomming ook de (auto)garages en handelaren in auto-onderdelen op te nemen aangezien er de laatste jaren een stijgende trend is waar te nemen in het aantal autodiefstallen en ongewenste praktijken rondom auto-onderdelen. De Raad is van oordeel dat opsporingsambtenaren te allen tijde vrije toegang tot deze lokaliteiten en plaatsen moeten hebben. De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Aanwijzingen van een terroristisch misdrijf (artikelen 177l e.v.)

Titel XVIII van het Derde Boek van het ontwerp (artikelen 177l en volgende) geeft regels met betrekking tot de bijzondere opsporingsbevoegdheden. In verschillende van de artikelen in deze titel wordt de term “aanwijzingen van een terroristisch misdrijf” gebruikt. In de toelichting op deze artikelen is echter geen nadere uitleg over deze term opgenomen. De Raad geeft de regering in overweging om deze term in de memorie van toelichting nader uit te leggen waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden bij de memorie van toelichting behorende bij de Landsverordening Bijzondere opsporingsbevoegdheden (pagina’s 16 en 17).

De Raad verzoekt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Het verstrekken van een kosteloos afschrift van een aangifte (artikel 201)

In het derde lid van artikel 201 van het ontwerp wordt bepaald dat aan de aangever, op zijn verzoek, kosteloos een afschrift van diens aangifte wordt verstrekt, tenzij het opsporingsbelang zich daar dringend tegen verzet. Voor de aangever kan het van belang zijn om over de door hem gedane aangifte te beschikken. Om deze reden acht de Raad het raadzaam om in alle gevallen en niet slechts indien de aangever dit verzoekt, aan hem een afschrift van zijn aangifte te verschaffen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Gronden voor het wraken van tolken (artikel 348)

In het zevende lid van artikel 348 van het ontwerp wordt bepaald dat de verdachte op bepaalde aangegeven gronden de tolk kan wraken. Uit het ontwerp volgt niet welke de gronden zijn waarop een tolk door de verdachte gewraakt kan worden. In de toelichting op dit artikel wordt ook niet nader ingegaan op deze gronden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

Het vonnis (artikel 410)

In het derde en vierde lid van artikel 410 van het ontwerp wordt het afgeven van afschriften van het proces-verbaal van de terechtzitting en van het vonnis geregeld. De Raad mist in het ontwerp een bepaling waarin wordt geregeld dat het openbaar ministerie, mede ten behoeve van de executie van strafvonnissen, onverwijld een afschrift van het vonnis moet ontvangen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

Schriftelijke mededelingen aan minderjarige verdachten (artikel 497)

De Raad leest in artikel 497 van het ontwerp dat schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte, zoals dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen en andere schriftelijke mededelingen, ter kennis gebracht dienen te worden aan de ouders of voogd, alsmede aan de raadsman. Aangezien minderjarigen op grond van artikel 1:146, vierde lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafrecht in een jeugdinrichting geplaatst kunnen worden, acht de Raad het raadzaam om deze schriftelijke mededelingen ook aan de directeur van deze jeugdinrichting ter kennis te brengen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

 Weigering van de machtiging tot aftappen of aftappen van telecommunicatie (artikel 562c)

Indien de machtiging tot het aftappen of aftappen van telecommunicatie niet wordt verleend, deelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, op grond van artikel 562c, zesde lid van het ontwerp, binnen de in het toepasselijk verdrag gestelde termijn mede dat niet wordt ingestemd met het voornemen tot aftappen of het aftappen van telecommunicatie en eist hij, voor zover nodig, dat het aftappen onmiddellijk wordt stopgezet.

Normaliter zou dus eerst een machtiging van de rechter-commissaris afgewacht dienen te worden voordat met het tappen kan worden begonnen, maar de Raad begrijpt uit voornoemd artikel dat met het aftappen begonnen kan worden in afwachting van de machtiging van de rechter-commissaris. Met andere woorden, er zou een inbreuk gemaakt kunnen worden op het recht op privacy van een persoon, terwijl achteraf kan blijken dat deze inbreuk niet noodzakelijk of niet toegestaan was. Anderzijds ziet de Raad het belang van de opsporing van strafbare feiten in en acht het aannemelijk dat met name bij terrorisme onverwijld wordt begonnen met het verzamelen van gegevens tot opsporing van dit strafbare feit. De Raad mist echter een deugdelijke onderbouwing van de keuze van de overheid om zonder een machtiging af te wachten alvast met het aftappen te beginnen. Ook is het gewenst dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de gevallen waarbij sprake dient te zijn van een uitzondering op de normale situatie.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

2.   De memorie van toelichting

Verwijzen naar vervallen wetgeving
In de toelichting op artikel 29 (pagina 12) wordt verwezen naar “artikel 66 van de voormalige onderlinge regeling, zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen de Nederlandse Antillen en Aruba”. De bedoelde Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba is op 10 oktober 2010 vervallen[4].
De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting in plaats van te verwijzen naar de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba, te verwijzen naar artikel VI.27 van de Staatsregeling van Aruba.

Het recht op verhoorbijstand

In de toelichting op artikel 48 van het ontwerp (pagina 15, laatste tekstblok en verder) wordt het onderwerp van de rechtskundige bijstand van de verdachte besproken, inhoudende zowel het consultatierecht als het recht op verhoorbijstand van de verdachte. De Raad merkt op dat de Hoge Raad der Nederlanden (de Hoge Raad)[5] recentelijk heeft overwogen dat het op de weg van de wetgever ligt de invoering van de vereiste wettelijke regeling van de verhoorbijstand met voortvarendheid ter hand te nemen en dat niet kan worden uitgesloten dat het uitblijven van een wettelijke regeling te eniger tijd tot een andere afweging zal leiden bij de beoordeling van toekomstige gevallen waarin vragen naar de inhoud en de reikwijdte van het recht op ‘verhoorbijstand’ aan de Hoge Raad worden voorgelegd.

De Raad juicht het initiatief van de regering toe om met name het derde lid van artikel 48 van het ontwerp (alvast) op te nemen en adviseert de uitspraak van de Hoge Raad in de memorie van toelichting te verwerken.

De partijen bij het akkoord over EU-Richtlijn (10190/13)
In de toelichting op artikel 48 (pagina 17, derde tekstblok) wordt aangegeven dat er een akkoord op 28 mei 2013 is bereikt over de EU-Richtlijn (10190/13) over het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en het recht op communicatie bij aanhouding. Er wordt echter niet vermeld tussen wie dit akkoord is bereikt.
De Raad adviseert om met inachtneming van het bovenstaand de memorie van toelichting aan te passen.

Veiligheidsfouillering

De Raad leest uit de toelichting op artikel 78 van het ontwerp (pagina 32, eerste tekstblok) dat veiligheidsfouillering niet in artikel 78 is opgenomen vanwege het feit dat dit al geregeld is in artikel 13, vierde en vijfde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet politie). Het is wenselijk de regering erop attent te maken dat de in artikel 14 van de Rijkswet politie voorgeschreven (onderlinge) regelingen ter uitvoering van de artikelen 12 en 13 van de Rijkswet politie nog niet zijn vastgesteld.

De Raad vraag de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Inwerkingtreding van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens

Het is de Raad opgevallen dat in de toelichting op artikel 173 van het ontwerp (pagina 66, tweede tekstblok) aangegeven wordt dat de in Nederland bestaande verwijzing naar ‘de verantwoordelijke voor de gegevens’ (artikel 125m, derde lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering van Nederland) niet in het ontwerp is overgenomen vanwege het feit dat er op Curaçao nog geen wetgeving bestaat over de bescherming van persoonsgegevens. De Landsverordening bescherming persoonsgegevens is ondertussen op 1 oktober 2013 in werking getreden[6].

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

Jeugdreclassering versus Voogdijraad

Het is de Raad opgevallen dat in de artikelen 486, eerste lid en 487, eerste en tweede lid van het ontwerp de “Voogdijraad” door “de jeugdreclassering” vervangen wordt. Hoewel de Raad kennis heeft genomen van de ministeriële beschikking van de Minister van Justitie van 20 december 2013, no. 2013/073786,  inhoudende de instelling van een jeugdreclassering, mist de Raad ten eerste een nadere onderbouwing in de memorie van toelichting over de keuze van de regering om niet de Voogdijraad maar een andere organisatie belast met de jeugdreclassering met de betreffende taken te belasten. Voorts is niet in de memorie van toelichting aangegeven hoe omgegaan zal worden met de zaken die reeds in behandeling zijn bij de Voogdijraad.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsveror-dening bij de Staten in te dienen, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 9 oktober 2014

de wnd. Ondervoorzitter,                                                        de Secretaris,

_____________________                                                      _____________________

Ronald Gomes Casseres                                                       mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

[1] EHRM 30 mei 2013, nr. 35985/09 (Martin/Estonia), EHRM 11 december 2008, nr. 4268/04 (Panovits/Cyprus),

  EHRM 16 december 1999, nr. 24724/94 (T./The United Kingdom).

[2] EHRM 30 mei 2013, nr. 35985/09 (Martin/Estonia).

[3] P.B. 2011, no. 49 en P.B. 2011, no. 50.

[4] Vervallen bij Landsverordening algemene en overgangsregeling wetgeving en bestuur, A.B. 2010, no. 87 en A.B. 2010, no. 102, bijlage A.

[5] HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770.

[6] P.B. 2013, no. 92 jo. A.B. 2010, no. 84.

 

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

Het ontwerp

Algemeen
De Raad adviseert om ter verdere verfijning van de tekst de volgende correcties aan te brengen in het ontwerp door:

in het vierde lid van artikel 5a “ministeriele” te vervangen door “ministeriële”;

het woord “proces verbaal” in artikel 48, tweede lid te vervangen door “proces-verbaal”;

overal in de tekst waar woorden abusievelijk door een koppelteken worden doorbroken deze te corrigeren (zie bijvoorbeeld artikel 60, vierde lid onderzoeks-handelingen”, artikel 79, tweede lid “onder-zoek”);

in artikel 125, tweede lid, drie keer het woord “zij” te vervangen door “het”;

in de eerste volzin van het eerste lid van artikel 141 het woord “wordt” te schrappen;

in artikel 176, tweede lid, het woord “deze” te schrappen;

in artikel 177a, tweede lid, het woord “wederrechtelijke” te vervangen door “wederrechtelijk”;

in artikel 177a, derde lid, “verleend” te schrappen;

in de tweede volzin van het derde lid van artikel 261o “van de” te schrappen;

het doorgehaalde woord “of” in het eerste lid van artikel 316 te schrappen;

in het vijfde lid van artikel 329 “op het Hof” te vervangen door “bij het Hof”; 

in het tweede lid van artikel 391 achter “tijd” het woord “is” op te nemen;

“titel III” aan het begin van de tweede volzin van het derde lid van artikel 440a met een hoofdletter te schrijven;

in het derde lid van artikel 448 “Minister” te vervangen door “Minister van Justitie”;

“titel II” aan het begin van de tweede volzin van het derde lid van artikel 475e met een hoofdletter te schrijven;

in het eerste lid van artikel 475h het woord “Wetboek” ten behoeve van het consequent woordgebruik te vervangen door “wetboek”;

het woord “Gerecht” en de benaming “Gerecht in Eerste Aanleg” in het ontwerp steeds met hoofdletters te schrijven (zie als voorbeeld artikel 502, eerste lid, onder a en artikel 554a, eerste lid);

in de artikelen 579, 579a, vierde lid, 581, tweede lid en in artikel 593, eerste lid het woord “Minister” te vervangen door “Minister van Justitie”;

in artikel 603 de zinsnede “rechterlijke beslissing het Land” te vervangen door “rechterlijke beslissing in het Land”;

in artikel 604c, eerste lid aan het slot van de aanhef een dubbele punt te plaatsen en in onderdeel b “aan” te vervangen door “door”;

in het tweede lid van artikel 604j het lidwoord “de” voor “procureur-generaal” op te nemen;

in het eerste lid van artikel 604p het woord “Verdragen” te vervangen door “verdragen”;

in het tweede lid van artikel 621 vóór het woord “vrijheidsstraf” het woord “een” op te nemen;

de opsomming in het tweede lid van artikel 623 in overeenstemming met het eerste lid, onder a van aanwijzing 77 van de Aanwijzingen voor de regelgeving te brengen door de onderdelen met letters a, b en c aan te geven;

in de artikelen 621, vierde lid, 623, derde lid, laatste volzin, 624, tweede lid en 625, eerste lid, aanhef en onder e steeds de zinsnede “gevangenis of andere inrichting” te hanteren;

in het eerste lid van artikel 648 en in het eerste lid van artikel 649 de zinsnede “bij en krachtens” te vervangen door “bij of krachtens”;

consequent het woord “Staat” met een kleine letter te schrijven (vergelijk bijvoorbeeld artikel 571 en 579ca);
in het tweede lid van artikel 655 de zinsnede “door of vanwege de Minister van Justitie” te vervangen door “uit de kas van het Land” (vgl. artikel 650, eerste en tweede lid).

Artikel 109

De Raad stelt voor de haakjes in de omschrijving van de begrippen
“landsbesluit” en “landsbesluit, houdende algemene maatregelen” in artikel 1 van het ontwerp te schrappen.

Artikel 109, tweede lid
De Raad adviseert de regering om ten behoeve van de leesbaarheid artikel 109, tweede lid te herformuleren en hierbij aansluiting te zoeken bij aanwijzing 77 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikel 124

In artikel 124 van het ontwerp wordt gebruik gemaakt van het woord “tagrijn”. De Raad geeft de regering in overweging om dit woord te vervangen door een term die niet sterk van het normale en moderne spraakgebruik afwijkt.

Slotbepaling
De Raad adviseert de regering om in navolging van aanwijzing 73 van de Aanwijzingen voor de regelgeving artikel 657 in tweede afzonderlijke bepalingen te redigeren.

Inhoudsopgave

De Raad merkt op dat de paginanummers in de inhoudsopgave niet in overeenstemming zijn met de pagina’s van het ontwerp en stelt voor om deze te corrigeren.

De memorie van toelichting

Algemeen

De Raad adviseert de regering om ter verdere verfijning van de tekst de volgende correcties aan te brengen in de memorie van toelichting door:

in de tweede volzin van het eerste tekstblok op pagina 2 van de toelichting het woord “was” te vervangen door “waren”;

in de vierde volzin van het tweede tekstblok op pagina 2 van de toelichting “Wetboek Strafvordering” te vervangen door “Wetboek van Strafvordering”;

in het eerste tekstblok op pagina 3 van de toelichting het woord “appelmogelijkheid” te vervangen door “appèlmogelijkheid” en deze correctie ook in de rest van de tekst van de toelichting aan te brengen;

in de  derde volzin van het tweede tekstblok op pagina 3 van de toelichting “(tweede boek, titel II)” te vervangen door “(tweede boek, titel III);

in de eerste en vierde volzin van het tweede tekstblok op pagina 6 van de toelichting het woord “appel” te vervangen door “appèl” en deze correctie ook in de rest van de tekst van de toelichting aan te brengen;

in de derde volzin van het derde tekstblok op pagina 17 van de toelichting het tweede woord “over” te schrappen;

het woord “proces verbaal” in de eerste volzin van de toelichting op artikel 50 (pagina 18) te vervangen door “proces-verbaal”;

het woord “landsverordening” in de tweede volzin van de toelichting op artikel 53 (pagina 19) te vervangen door “landsbesluit, houdende algemene maatregelen”;

de kopjes van de verschillende paragrafen consequent vetgedrukt te maken met als voorbeeld “Titel IV (onderzoek aan lichaam en kleding)” (pagina 31), “Titel V (ophouden voor onderzoek)” (pagina 33) en “Tweede afdeling: gevangenhouding en gevangenneming” (pagina 38);

de derde volzin van de toelichting op artikel 152a (pagina 54) te herformuleren;

de zinsnede “Aftappen van gegevensverkeer (oud) achter “Titel XIV” op pagina 55 te schrappen;

in de eerste volzin van het laatste tekstblok op pagina 65 “Artikel 172, derde lid” te vervangen door “Artikel 172a, derde lid”;

in de vierde volzin van de toelichting op artikel 276 (pagina 93) “prakrijk” te vervangen door “praktijk”;

in de eerste volzin van de toelichting op artikel 558 (pagina 124), achter het getal “558” het woord “wordt” en achter het woord “aantekening” het woord “gemaakt” op te nemen;

in laatste volzin in de voorlaatste alinea op pagina 136 (de toelichting op artikel 649) het woord “sterkt” te vervangen door “strekt”;

overal in de tekst waar woorden abusievelijk door een koppelteken worden doorbroken deze te corrigeren. 

Aanhaling van jurisprudentie

Sinds 28 juni 2013 wordt de European Case Law Identifier ofwel het ECLI-nummer gehanteerd voor het verwijzen naar rechtspraak.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

Aanhaling van wettelijke regelingen

De Raad adviseert de regering om bij het aanhalen van wettelijke regelingen steeds de juiste citeertitel te gebruiken en stelt voor om:

in de laatste volzin van het eerste tekstblok op pagina 32 “Rijkswet van politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba” te vervangen door “Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba”;

in de laatste volzin van het eerste tekstblok op pagina 68 de zinsnede “Cybercrimeverdrag 2001” te vervangen door “Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18) (Cybercrimeverdrag 2001)”.

Artikel 1

De Raad constateert dat de omschrijvingen van de begrippen in de begripsbepaling in een alfabetische volgorde zijn opgenomen. In navolging hiervan wordt voorgesteld om de toelichting van de definitie “schip van het Land” in de toelichting op artikel 1 van het ontwerp, opgenomen onder punt 6 (pagina 8), op te nemen vóór de toelichting van de definitie van “schriftelijk”, opgenomen onder punt 14 (pagina 9). 

Artikel 15
Artikel 15 van het ontwerp is geplaatst onder “Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten”. In de memorie van toelichting (pagina 11) is de (artikelsgewijze) toelichting op artikel 15 echter opgenomen bij “Titel III (Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter”.
De Raad adviseert de regering om de toelichting op artikel 15 onder te brengen bij de toelichting op de bepalingen in Titel IV.

Artikel 80

In de vijfde volzin van de toelichting op artikel 80 van het ontwerp (pagina 33) stelt de Raad voor om de zinsnede “lastig vallen” als onnodig krenkend en sarcastisch te vervangen door een juiste bewoording.

Artikel 205

In de tweede alinea op pagina 74 van de memorie van toelichting wordt verwezen naar “artikel 2:205 Wetboek van Strafrecht”. De Raad stelt voor om deze zinsnede te vervangen door “artikel 205” en dit in vet op te nemen.

Artikel 219a

Zoals aangegeven in de toelichting op artikel 219a (pagina 78, derde tekstblok) is de officier van justitie gehouden om alle informatie aan de rechter-commissaris te verstrekken om hem in staat te stellen om toezicht op de voortgang van het opsporingsonderzoek uit te oefenen.

De Raad adviseert de regering om in de tweede volzin van de toelichting op artikel 219 van het ontwerp (pagina 76) het woord “opsporing” te vervangen door “nasporing”.

Artikel 261h

De Raad adviseert de regering om in de vijfde volzin van de toelichting op artikel 261h van het ontwerp (pagina 91) “artikel 403 tweede lid” te vervangen door “artikel 403, eerste lid”.

Artikel 387a

De Raad adviseert de regering om in de voorlaatste alinea van de toelichting op artikel 387a van het ontwerp (pagina 107) de zinsnede “Overigens is in artikel 403 opgenomen, dat het Hof” te vervangen door “Overigens is in artikel 403 opgenomen, dat de rechter”.