Adviezen

RvA no.RA/16-18-LV

Uitgebracht op : 12/06/2018
Publicatie datum: 30/06/2020

Ontwerplandsverordening houdende regels met betrekking tot uitzonderingstoestanden (Landsverordening uitzonderingstoestanden)
(zaaknummer 2017/038610)

Advies:  Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 23 april 2018 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 11 juni 2018 bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

De reikwijdte van artikel 96 van de Staatsregeling van Curaçao

Het begrip “uitzonderingstoestand”

Met de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) wordt beoogd om uitvoering te geven aan artikel 96 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling). In dit artikel wordt bepaald dat bij landsverordening geregeld zal worden in welke gevallen, ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid, bij landsbesluit een door die landsverordening als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd. In paragraaf “1. Algemeen” op pagina 1 van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp wordt aangegeven dat aanleiding tot het afkondigen van een uitzonderingstoestand kan zijn een natuur- of cultuurramp, een crisis of politieke of sociale onrust.[1] Aangezien in het ontwerp de mogelijkheid is opgenomen om vergaande inbreuken door de overheid op grondrechten van burgers te maken, is de Raad van oordeel dat in het ontwerp en de memorie van toelichting ingegaan dient te worden op het begrip “uitzonderingstoestand”.[2] De Raad verwijst in dit verband naar artikel 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: IVBPR)  en de hieruit voortgevloeide jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit onder meer volgt welke toestanden als noodtoestand kunnen worden aangemerkt. Er moet met andere woorden duidelijk uit het ontwerp en de memorie blijken wanneer er sprake zal zijn van een uitzonderingstoestand.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

Het afwijken of het beperken van grondrechten

Volgens het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling kan bij de in het eerste lid van dit artikel bedoelde landsverordening worden afgeweken van de bepalingen van de Staatsregeling betreffende de vrijheid van drukpers, het recht van vereniging en vergadering alsmede van de onschendbaarheid van de woning en het briefgeheim. Volgens de toelichting op voornoemd artikellid is sprake van een limitatieve opsomming van grondrechten waarvan door de formele wetgever afgeweken kan worden. Genoemd artikellid staat toe dat verder wordt ingegrepen (afwijking) dan onder het normale rechtsregime is toegelaten (beperking) in de uitoefening van de daarin genoemde grondrechten.

Het bepaalde in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling laat onverlet dat andere grondrechten dan die genoemd in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling beperkt zouden kunnen worden in verband met een uitzonderingstoestand. Laatstbedoelde beperking dient echter binnen de normale in de Staatsregeling opgenomen beperkingsclausule te blijven.

Het verschil tussen het afwijken van grondrechten en het beperken van grondrechten blijkt niet duidelijk uit het ontwerp. De Raad constateert met andere woorden dat in het ontwerp ook het ingrijpen in andere grondrechten dan die genoemd in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling mogelijk wordt gemaakt. Uit de formulering ervan of uit de memorie van toelichting, of door het soms ontbreken van een kader waarbinnen inbreuk gemaakt kan worden op de betrokken grondrechten, kan niet opgemaakt worden of het de bedoeling is om deze grondrechten te beperken of om hiervan af te wijken. Het betreft de volgende artikelen en grondrechten:

het recht om zich vrijelijk te bewegen (artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM) in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerp;

het recht op privéleven (artikel 12 van de Staatsregeling en artikel 8 van het EVRM) in artikel 13, eerste lid, van het ontwerp, voor zover het betreft het afluisteren van gesprekken gevoerd met behulp van voorzieningen voor de telecommunicatie;

het verbod op binnentreden in een woning zonder de toestemming van de bewoner en zonder zich te hoeven legitimeren of zonder de reden voor het binnentreden te hoeven mededelen (artikel 14, tweede lid, van de Staatsregeling en artikel 8 van het EVRM) in artikel 12, onderdelen b tot en met d van het ontwerp;

het recht op eigendom (artikel 16 van de Staatsregeling en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM) in de artikelen 15, 17 en 18 van het ontwerp;

het recht op persoonlijke vrijheid (artikel 17 van de Staatsregeling en artikel 5 EVRM) in artikel 23 van het ontwerp.

Bovengenoemd onderscheid tussen het beperken of afwijken van grondrechten is van belang omdat het afwijken in het ontwerp van grondrechten anders dan die genoemd in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling in strijd is met laatstgenoemd artikellid.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande in het ontwerp, en meer in het bijzonder in de considerans (waarin verwezen wordt naar de grondslag van de regeling) en de indeling van het ontwerp in hoofdstukken, duidelijk aan te geven van welke van de hierboven genoemde grondrechten wordt afgeweken en welke slechts worden beperkt.

Grond- en vormvoorwaarden om van grondrechten af te kunnen wijken of om deze te kunnen beperken

1°. Onderbouwing van de beperking op of het afwijken van grondrechten

Het afkondigen van uitzonderingstoestanden en de uitoefening van noodbevoegdheden brengen met zich mee een dieper ingrijpen in de grondrechten van burgers. Dit kan gepaard gaan met een verminderde (voorafgaande) controle door de rechter op de uitoefening van de bevoegdheden. Bij het beperken van grondrechten van burgers of bij het afwijken ervan in verband met het afkondigen van uitzonderingstoestanden dient de overheid, teneinde misbruik van de noodbevoegdheden te minimaliseren, de grond- en vormvoorwaarden in acht te nemen. De grond- en vormvoorwaarden voor het afwijken van grondrechten in geval van noodtoestand worden in het eerste lid van artikel 15 van het EVRM en in artikel 4 van het IVBPR bepaald.[3] [4]

Ten aanzien van het stellen van beperkingen aan grondrechten worden de grond- en vormvoorwaarden van elk grondrecht apart in het respectievelijke artikel in het EVRM of IVBPR bepaald.[5] Indien de regering bijvoorbeeld van mening is dat opsporingsambtenaren bevoegd zijn om kennis te nemen van gesprekken gevoerd met behulp van voorzieningen voor telecommunicatie (artikel 13, eerste lid, van het ontwerp) dan wordt hiermee in principe het recht op privacy geschonden. Beperkingen op dit grondrecht zijn echter mogelijk op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM en het eerste lid van artikel 12 van de Staatsregeling. Daarin worden ook de voorwaarden gesteld.

De Raad is van oordeel dat ten aanzien van zowel beperkingen op als afwijkingen van grondrechten in verband met uitzonderingstoestanden, deugdelijk onderbouwd moet worden om welke reden wordt afgeweken of beperkt en binnen welke marges en onder welke voorwaarden dit kan geschieden. Het aangeven van deze redenen, marges en voorwaarden in het ontwerp en de memorie van toelichting dient de rechtszekerheid.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

 

2°. Beperken van grondrechten versus de reeds bestaande beperkingen in de lokale wetgeving

Naast het feit dat zowel het afwijken van grondrechten als het beperken ervan goed onderbouwd dient te worden, zal volgens de Raad bij het beperken van grondrechten ook rekening gehouden moeten worden met bestaande beperkingen in onze lokale wetgeving. Ten aanzien van bijvoorbeeld het afluisteren van gesprekken bestaan al voorzieningen in de Landsverordening van de 18de oktober 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen). Geanalyseerd dient te worden of deze beperkingen voldoende zijn bij uitzonderingstoestanden of dat in deze wettelijke regelingen een apart hoofdstuk moet worden opgenomen voor het omgaan met uitzonderingstoestanden (noodbepalingen).

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande en waar nodig in het ontwerp de bestaande landsverordeningen aan te passen.

Uitbreiding van de grondrechten, genoemd in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling

De Raad constateert dat de in artikel 96, tweede lid, van de Staatsregeling genoemde grondrechten waarvan afgeweken kan worden in geval sprake is van een uitzonderingstoestand overeenkomen met de grondrechten, genoemd in artikel 34, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut). Van deze grondrechten kan afgeweken worden in het kader van de handhaving van de uit- of inwendige veiligheid, ingeval van oorlog of oorlogsgevaar of ingeval van bedreiging of verstoring van de inwendige orde en rust. Een verdere uitwerking van deze bepaling van het Statuut is te vinden in het tweede lid van artikel 103 van de Grondwet van Nederland (hierna: GW). In dat artikellid wordt een limitatieve opsomming gegeven van de grondrechten waarvan tijdens uitzonderingstoestanden afgeweken kan worden.[6]

Een vergelijkbaar artikel als het tweede lid van artikel 103 van de GW is te vinden in het tweede lid van artikel 112 van de Staatsregeling van Sint Maarten, in artikel V.29 van de Staatsregeling van Aruba en in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling van Curaçao.[7] Bij een vergelijking van de soorten grondrechten genoemd in de artikelen 103, tweede lid van de GW, 112, tweede lid van de Staatsregeling van Sint Maarten en V.29, tweede lid van de Staatsregeling van Aruba met het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling valt het op dat Nederland, Sint Maarten en Aruba een veel uitgebreidere lijst van grondrechten hebben waarvan in uitzonderingstoestanden kan worden afgeweken.

De Raad acht het niet uitgesloten dat voor een effectieve beheersing c.q. beëindiging van een uitzonderingstoestand het noodzakelijk kan zijn om van andere grondrechten af te kunnen wijken dan van die genoemd in artikel 96, tweede lid, van de Staatsregeling. Teneinde tijdens uitzonderingstoestanden van deze grondrechten te kunnen afwijken, zal het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling aangevuld dienen te worden.

De Raad beveelt de regering aan na te laten gaan met welke grondrechten het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling aangevuld kan worden en zo nodig voornoemd artikellid te wijzigen.

De gekozen systematiek voor de Landsverordening uitzonderingstoestanden

Andere systematiek in het Koninkrijk

Het is de Raad opgevallen dat andere landen van het Koninkrijk, te weten Nederland en Sint Maarten, een wettelijke regeling ten aanzien van uitzonderingstoestanden hebben vastgesteld. In de Nederlandse Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (hierna: de CwuNL) is voor een systematiek gekozen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een algemene noodtoestand en een beperkte noodtoestand. Ten aanzien van elk van deze twee categorieën van noodtoestanden geldt een lijst van noodwetgeving die in of buiten werking gesteld zal worden. Sint Maarten kent het onderscheid tussen algemene en beperkte noodtoestand niet en heeft ook geen lijsten van noodwetgeving vastgesteld. De wetgever van Sint Maarten heeft ervoor gekozen om de regels voor het afkondigen en opheffen van een uitzonderingstoestand en de bevoegdheden van het burgerlijk gezag tijdens uitzonderingstoestanden, waaronder de beperking van grondrechten, meteen in de Landsverordening uitzonderingstoestand op te nemen.

De regering van Curaçao heeft in het ontwerp duidelijk de systematiek van Sint Maarten gevolgd. De Raad is echter van oordeel dat het land beter gebaat zou zijn bij het hebben van een wettelijke regeling met elementen van zowel de systematiek van Nederland als die van Sint Maarten. Anders vreest de Raad dat er sprake zou zijn van onvoldoende inkadering van met name de waarborgen voor de burgers. In het ontwerp worden namelijk open normen vastgesteld terwijl er op vergaande wijze in bijvoorbeeld de grondrechten van burgers wordt ingegrepen.

De Raad is voorstander dat naast de regels in het ontwerp ook de noodzakelijke noodwetgeving c.q. noodbepalingen in bestaande wetgeving wordt vastgesteld.

Noodwetgeving

Bij het afkondigen van een uitzonderingstoestand zou zich het geval kunnen voordoen dat de overheid maatregelen zal moeten nemen met betrekking tot andere onderwerpen die niet direct te maken hebben met het beperken van grondrechten of het afwijken ervan maar die noodzakelijk zijn en meer te maken hebben met het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan maatregelen ten aanzien van de voedselvoorziening, het vaststellen van prijzen, het hamsteren van goederen, sanitaire voorzieningen, toelating en uitzetting van vreemdelingen en het wegenverkeer. Uit de memorie van toelichting is niet gebleken of hiermee rekening is gehouden. De Raad is van oordeel dat het noodzakelijk is om een analyse te laten verrichten van alle bestaande wettelijke regelingen in verhouding gezien tot de scenario’s die zich tijdens een uitzonderingstoestand kunnen voordoen. Aan de hand hiervan kan de benodigde (nieuwe) noodwetgeving worden vastgesteld of de bestaande noodwetgeving c.q. noodbepalingen worden aangescherpt teneinde discrepanties op te heffen. Ter illustratie, de bevoegdheid tot het afkondigen van een uitzonderingstoestand berust op grond van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp bij de Minister van Algemene Zaken. Uit artikel 22 van het ontwerp blijkt  dat in de onderhavige landsverordening ook de handhaving van de openbare orde wordt geregeld. In het eerste lid van artikel 5 van de Landsverordening openbare orde wordt echter bepaald dat bij onder meer orkanen, branden en andere buitengewone omstandigheden eenieder zich moet onderwerpen aan de voorschriften in het belang van de openbare orde, rust of veiligheid, die door de Minister van Justitie worden gegeven. 

De Raad beveelt de regering aan om bovenbedoelde analyse zo spoedig mogelijk te laten uitvoeren en om aan de hand van de bevindingen uit de analyse het ontwerp zonodig aan te passen.

Separate toepassing

Uit het systeem van de CwuNL is gebleken dat het gebruik van buitengewone bevoegdheden niet uitsluitend hoeft plaats te vinden in het kader van uitzonderingstoestanden maar ook daar buiten.[8] De Raad is van oordeel dat bij het opstellen van noodwetgeving ook rekening gehouden moet worden met het bestendig maken van deze wetgeving ook indien er geen uitzonderingstoestand zou worden afgekondigd. Vanzelfsprekend houdt de separate toepassing van noodwetgeving dan wel in dat niet afgeweken kan worden van de in het tweede lid van artikel 96 van de Staatsregeling bepaalde grondrechten.

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

Rechtsbescherming

1°. Strijd met de Landsverordening administratieve rechtspraak

In het derde lid van artikel 23 van het ontwerp wordt bepaald dat de schriftelijke beslissing tot ophouding van een persoon een beschikking is. Op deze beschikking zijn volgens het achtste tot en met het elfde lid van artikel 23 van het ontwerp de bepalingen van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: LAR) van toepassing. De Raad wijst op onderdeel l van het tweede lid van artikel 7 van de LAR waarin wordt bepaald dat geen beroep open staat tegen een beschikking genomen op grond van een in een wettelijk voorschrift, voor het geval van buitengewone omstandigheden, toegekende bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze omstandigheden. Volgens de literatuur ziet deze uitzondering in de LAR op beschikkingen die zijn gegeven op grond van bepalingen uit noodwetgeving die in werking zijn gesteld omdat buitengewone omstandigheden dat noodzakelijk maken.[9] De persoon ten aanzien van wie een beschikking inhoudende een beslissing tot zijn ophouding, bedoeld in het derde lid van artikel 23 van het ontwerp, is genomen geniet met andere woorden geen rechtsbescherming op grond van de LAR.

Uit rechtsvergelijkend onderzoek is gebleken dat artikel 23 van het ontwerp voor een groot gedeelte overgenomen is van artikel 154a van de Gemeentewet van Nederland. Uit het tiende tot en met dertiende lid van dit artikel in samenhang gelezen met artikel 8:4, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) blijkt dat de burger wel rechtsbescherming geniet tegen besluiten genomen in uitzonderingstoestanden.

In artikel 17 van de Landsverordening uitzonderingstoestand van Sint Maarten is de bevoegdheid tot het bestuurlijk ophouden geregeld. In dit artikel is geen voorziening ter zake de rechtsbescherming voor de burgers geregeld. De memorie van toelichting van laatstgenoemde landsverordening bevat geen uitleg hiervoor.

Voorts constateert de Raad dat alleen ten aanzien van het bestuurlijk ophouden in het ontwerp de mogelijkheid tot rechterlijke controle is geregeld. Ten aanzien van de uitoefening van de overige in het ontwerp genoemde bevoegdheden kan niet uit het ontwerp en de memorie van toelichting worden opgemaakt welke waarborgen tegen gebruik en misbruik van de betreffende bevoegdheid bestaan. De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting hierop moet worden ingegaan. Bovendien dient duidelijkheid gecreëerd te worden ter zake de verhouding tussen het achtste tot en met elfde lid van artikel 23 van het ontwerp en onderdeel l van het tweede lid van artikel 7 van de LAR.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

2°. Advies van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Uit de memorie van toelichting en overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken is niet gebleken of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) om advies is verzocht. De Raad is van oordeel dat het advies van het Hof noodzakelijk is vanwege het feit dat het gaat om ingrijpen in de uitoefening van grondrechten en de rechtsbescherming hiertegen.

De Raad adviseert om artikel 23 van het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande zo nodig aan te passen nadat het advies van het Hof hierover is ontvangen. De Raad ontvangt gaarne het advies van het Hof zodra dit beschikbaar is ten einde alsnog een aanvullend advies uit te brengen indien daartoe aanleiding bestaat.

De verhouding van het ontwerp met artikel 47 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 en artikel 25 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten

In paragraaf 4 “Financiële implicaties” van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de kosten die als gevolg van het afkondigen van een uitzonderingstoestand ontstaan budgetneutraal gedekt moeten worden. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 47 van de Landsverordening comptabiliteit 2010, waarin wordt bepaald dat indien het landsbelang dit vordert of bij onverwacht opgekomen dringende behoeften die niet in de begroting voorzien waren, afgeweken kan worden van de begroting van een dienstjaar. De Raad mist in de memorie van toelichting een uiteenzetting van de verhouding tussen het afkondigen van een uitzonderingstoestand en artikel 47 van de Landsverordening comptabiliteit 2010.

Ten aanzien van het gestelde in voornoemde paragraaf dat de kosten verbonden aan een uitzonderingstoestand budgetneutraal moeten worden gedekt, wordt ook verwezen naar artikel 25 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

 De kwaliteit van de memorie van toelichting

De Raad constateert dat de kwaliteit van de memorie van toelichting inhoudelijk voor verbetering vatbaar is. De tekst van het algemeen gedeelte van de memorie van toelichting is voor een groot gedeelte vrijwel letterlijk overgenomen van de tekst van de memorie van toelichting van de Landsverordening uitzonderingstoestand van Sint Maarten. Volgens de Raad zijn daardoor de beweegredenen van de wetgever van Curaçao, geënt op de lokale situatie, om met de betreffende landsverordening te komen onvoldoende tot hun recht gekomen.

Ter illustratie, in de eerste volzin van paragraaf 2 “Staatkundige context en/of militair gezag”

van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (pagina 2) wordt aangegeven dat in de landsverordening bijzondere bevoegdheden worden toegekend aan de overheid. Voorts wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat het toekennen van bijzondere bevoegdheden aan de overheid onderscheiden dient te worden van het toekennen van burgerlijke bevoegdheden aan het militair gezag. In het resterende gedeelte van genoemde paragraaf 2 wordt een uitgebreide uiteenzetting gegeven met betrekking tot de wettelijke grondslag in het Statuut voor het toekennen van burgerlijke bevoegdheden aan het militair gezag. Deze uiteenzetting in de memorie van toelichting kan tot verwarring leiden aangezien de staatkundige context van het ontwerp gelegen is in artikel 96 van de Staatsregeling.

Het ingrijpen in grondrechten van burgers is een zwaar middel en dient naar het oordeel van de Raad ook een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing te hebben in de memorie van toelichting. Dit ontbreekt echter in zowel het algemeen gedeelte als in de artikelsgewijze toelichting op het ontwerp. Ook wordt in de memorie van toelichting waar nodig niet ingegaan op de verhouding tussen het ontwerp en de bestaande wettelijke regelingen waarin normale waarborgen voor de burgers zijn opgenomen. In dit verband wordt verwezen naar artikel 13, tweede lid van het ontwerp in samenhang met de Landsverordening bijzondere opsporingsbevoegdheden.

Volledigheidshalve verwijst de Raad de regering naar aanwijzing 157 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en verzoekt wederom om voldoende aandacht te besteden aan de kwaliteitseisen waaraan een memorie van toelichting dient te voldoen.

Gezien het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aangepast dient te worden.

II. Inhoudelijke opmerkingen ten aanzien van het ontwerp

Inzet van de krijgsmacht gestationeerd op Curaçao (artikel 8)

Artikel 8 van het ontwerp betreft het inzetten van de krijgsmacht gestationeerd op Aruba en Sint Maarten voor de handhaving van een uitzonderingstoestand. De Raad mist in de memorie van toelichting een uiteenzetting van het inzetten van de krijgsmacht gestationeerd op Curaçao en de regels die ten aanzien van het gebruik van bijvoorbeeld geweld zullen gelden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming hiervan de memorie van toelichting en indien nodig het ontwerp aan te passen.

Het ontruimen van gebieden (artikel 11)

In het derde lid van artikel 11 van het ontwerp wordt bepaald dat gebieden aangewezen kunnen worden die geheel of gedeeltelijk zullen worden ontruimd. Deze aanwijzing geschiedt door middel van een landsbesluit dat voorgedragen wordt door de Minister van Algemene Zaken. In de toelichting op dit artikellid wordt aangegeven dat het landsbesluit een andere is dan het landsbesluit tot afkondiging van een uitzonderingstoestand. Het is niet duidelijk om welke reden de aanwijzing bij landsbesluit en niet bij ministeriële regeling met algemene werking moet geschieden. Bedoelde aanwijzing heeft immers een algemene strekking.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Het recht van de leden van de Staten om ongehinderd te vergaderen ondanks de uitzonderingstoestand (artikel 11)

Artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp betreft de bevoegdheid om bij het afkondigen van een uitzonderingstoestand beperkingen te stellen aan het recht van vereniging en vergadering. In het vijfde lid van artikel 11 van het ontwerp wordt bepaald dat de uitzondering onverlet laat het recht van de leden van de Staten om ongehinderd in vergadering bijeen te komen. De Raad is van oordeel dat het bepaalde in het vijfde lid van artikel 11 van het ontwerp in elk geval dient te gelden voor de Raad van Ministers. In het verlengde daarvan moet worden bezien of laatstgenoemd artikellid ook van toepassing moet zijn op toezicht- en adviesorganen die hun grondslag in de Staatsregeling hebben.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Toegang tot plaatsen (artikel 12 )

1°. Legitimatieplicht en mededeling van het doel tot binnentreden

Artikel 12 van het ontwerp regelt het binnentreden door opsporingsambtenaren tijdens een uitzonderingstoestand ter handhaving hiervan. Op grond van onderdelen c en d van dit artikel hoeven deze opsporingsambtenaren zich niet te legitimeren en ook niet het doel van het binnentreden mede te delen aan de gebruiker van de plaats of woning. Het gaat hier om een middel dat ingrijpt in de privésfeer van burgers. Dit vergaand middel moet  volgens de Raad van de noodzakelijke waarborgen worden voorzien aangezien dit binnentreden ook zonder de toestemming van de bewoner kan geschieden in een woning. In de memorie van toelichting dient onderbouwd te worden om welke reden opsporingsambtenaren zich niet hoeven te legitimeren en het doel van het binnentreden niet hoeven mede te delen. Hierbij dient voorts uiteen gezet te worden waarom het één en ander niet achteraf, bij de eerste gelegenheid daarna kan geschieden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting en indien nodig het ontwerp aan te passen.

2°. Proces-verbaal van het binnentreden

De Raad mist in artikel 12 van het ontwerp een bepaling waarin de verplichting voor de opsporingsambtenaren wordt geregeld om een proces-verbaal van het binnentreden op te stellen. Als leidraad en voor zover van toepassing verwijst de Raad in deze naar artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Belanghebbenden (artikel 13)

In het eerste lid van artikel 13 van het ontwerp wordt, kort gezegd, bepaald dat bij het afkondigen van een uitzonderingstoestand beperkingen op het briefgeheim kunnen worden gesteld. Volgens het tweede lid van artikel 13 worden de belanghebbenden bij het vervallen van de noodzaak voor de inbreuk op het briefgeheim schriftelijk op de hoogte gesteld van het gebruik van de bevoegdheid. Het is niet duidelijk welke personen of instanties bedoeld worden met de term ”belanghebbenden”.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Vergoeding van schade en rechtsbescherming voor vergunninghouders (artikel 14)

In het tweede lid van artikel 14 van het ontwerp wordt bepaald dat het onevenredig financieel nadeel dat de vergunninghouders, bedoeld in de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen, als gevolg van de in het tweede lid bedoelde bindende aanwijzingen of opdrachten hebben ondervonden naar billijkheid wordt vergoed. Het is niet duidelijk welke maatstaven gehanteerd zullen worden bij het bepalen van de schade. Bovendien is het niet duidelijk welke rechtsbescherming, anders dan het instellen van een actie uit onrechtmatige daad, de vergunninghouders hiertegen zullen genieten.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en indien nodig de memorie van toelichting aan te passen.

Bevoegd gezag (artikel 15)

1°. De term “bevoegd gezag”

Artikel 15 van het ontwerp betreft de bevoegdheid om bij het afkondigen van een uitzonderingstoestand te bepalen dat de Minister van Justitie dan wel de daartoe aangewezen opsporingsambtenaren de bevoegdheid hebben om roerende en onroerende zaken te gebruiken of in gebruik te vorderen. In het derde lid van artikel 15 wordt bepaald dat het bevoegd gezag bevoegd is om veranderingen aan te brengen in, aan of op zaken die zijn gebruikt of die in gebruik zijn genomen. Het is niet duidelijk welke autoriteiten bedoeld worden met de term ”bevoegd gezag”. De Raad is van oordeel dat deze term in de begripsbepaling gedefinieerd dient te worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

2°. Schadevergoeding of tegemoetkoming bij schade

In het derde lid van artikel 15 van het ontwerp wordt bepaald dat het bevoegd gezag bevoegd is om veranderingen aan te brengen in, aan of op zaken die zijn gebruikt of die in gebruik zijn gevorderd. De Raad mist een bepaling in het ontwerp waarin de schadeloosstelling of de tegemoetkoming bij schade wordt geregeld.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Onteigening (artikel 17)

1°. Schadeloosstelling of tegemoetkoming bij schade

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het ontwerp geschiedt de onteigening indien het landsbelang dit noodzakelijk maakt. Volgens artikel 16, derde lid, van de Staatsregeling moet bij landsverordening worden bepaald in welke gevallen recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in schade bestaat. De Raad mist in het ontwerp een regeling met betrekking tot de schadeloosstelling of de tegemoetkoming in het geval van onteigening van roerende en onroerende zaken.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 17 van het ontwerp aan te passen.

2°. Overgang van de eigendom

In het tweede lid van artikel 17 van het ontwerp wordt bepaald dat de eigendom van een zaak onmiddellijk overgaat door het enkele besluit tot vordering. De Raad mist in het ontwerp een regeling met betrekking tot zaken die tevens registergoederen zijn op grond van artikel 3:10 van het Burgerlijk Wetboek. Onder normale omstandigheden is voor overgang van de eigendom van registergoederen inschrijving in het openbare register een vereiste.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

3°. Legitimatieplicht

In het derde lid van artikel 17 van het ontwerp wordt kortgezegd bepaald dat de aangewezen ambtenaren bevoegd zijn om de uitlevering te vorderen van in bezit te nemen waren en toegang te hebben tot alle plaatsen waar deze goederen zich bevinden. Het is niet duidelijk of ten aanzien van deze aangewezen ambtenaren ook een legitimatieplicht dient te gelden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming hiervan het ontwerp aan te passen.

4°. Bijzondere of algemene schriftelijke last van de minister

Uit het vierde lid van artikel 17 van het ontwerp volgt dat de Minister van Algemene Zaken bevoegd is tot het geven van bijzondere of algemene lasten voor het binnentreden in woningen zonder de toestemming van de bewoner. De Raad is van oordeel dat het verschil tussen een bijzondere en een algemene last gedefinieerd dient te worden. Bovendien is het niet duidelijk wanneer de minister zal kiezen voor een bijzondere of voor een algemene last. Voorts dient ook bepaald te worden aan welke inhoudelijke vereisten een last dient te voldoen en wat de geldigheidsduur ervan is.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en indien nodig de memorie van toelichting aan te passen.

Schatters (artikel 18)

In het tweede lid van artikel 18 van het ontwerp wordt bepaald dat de schadeloosstelling voor de in bezit genomen waren op grond van dit artikel wordt bepaald door twee schatters afzonderlijk. Het is niet duidelijk of deze schatters bijvoorbeeld ambtenaren van het ijkwezen mogen zijn of dat zij uit de particuliere sector dienen te komen. Bovendien is het niet duidelijk volgens welke maatstaven deze schatters hun taak dienen te volbrengen. 

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te passen.

Het gebruik van de haven, luchthaven en de raffinaderij (artikel 19)

1°. Andere infrastructurele complexen

Artikel 19 van het ontwerp betreft het geven van aanwijzingen door de Minister van Justitie met betrekking tot het gebruik van de haven, de luchthaven en de raffinaderij. Hiermee wordt een limitatieve opsomming gegeven van de gebieden c.q. faciliteiten. De Raad is echter van oordeel dat uitzonderingstoestanden zich ook zouden kunnen afspelen in of op andere infrastructurele complexen. Te denken valt aan een telecommunicatie-infrastructuur en aan de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 19 van het ontwerp aan te passen.

2°. Het begrip “gebruik”

Volgens het eerste lid van artikel 19 van het ontwerp kan de minister met betrekking tot het gebruik van de haven, de luchthaven en de raffinaderij aanwijzingen geven die in het belang van het land noodzakelijk zijn. Het is niet duidelijk wat onder het begrip “gebruik” verstaan dient te worden. Daarnaast is de Raad van oordeel dat duidelijk uit het ontwerp dient te blijken welke de begrenzingen zijn ten aanzien van deze bevoegdheid van de minister aangezien het hierbij om private ondernemingen gaat.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp en aan te passen.

3°. Het geven van aanwijzingen in verband met de luchthaven en de raffinaderij

Het eerste lid van artikel 19 van het ontwerp regelt het gebruik van de haven, luchthaven en de raffinaderij. In het tweede lid van dit artikel wordt kortgezegd bepaald dat de minister aanwijzingen kan geven aan de autoriteiten, lichamen of personen welke zijn belast met het bestuur of het beheer van de haven. Het is niet duidelijk om welke reden geen aanwijzingen gegeven kunnen worden aan autoriteiten, lichamen of personen die belast zijn met het bestuur of het beheer van de luchthaven en de raffinaderij.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

4°. Gezagvoerders van luchtvaartuigen

Volgens het tweede lid van artikel 19 van het ontwerp kan aan kapiteins van schepen en bestuurders van vervoermiddelen te land aanwijzingen worden gegeven. Het is niet duidelijk om welke reden geen aanwijzingen aan gezagvoerders van luchtvaartuigen kan worden gegeven.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

5°. Bekendmaking

In de tweede volzin van het tweede lid van artikel 19 van het ontwerp wordt bepaald dat aanwijzingen bekendgemaakt kunnen worden door deze in de haven te plaatsen. Het is niet duidelijk om welke reden de bekendmaking ten aanzien van de aanwijzingen geldig voor de luchthaven en de raffinaderij niet bekendgemaakt worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de luchthaven (artikel 20)

In artikel 20 van het ontwerp wordt de bevoegdheid van de minister geregeld tot het regelen, beperken of verbieden van de toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de havens en de raffinaderij. Het is niet duidelijk om welke reden deze bevoegdheid niet is geregeld ten aanzien van de toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de luchthaven.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

Bevoegdheid tot ophouding (artikel 23)

1°. De term “bevoegd gezag”

In onderdeel a van het tweede lid van artikel 23 wordt de term “het bevoegd gezag” gehanteerd. Het is niet duidelijk welke autoriteiten bedoeld worden met deze term. De Raad is van oordeel dat deze term in de begripsbepaling gedefinieerd dient te worden.

2°. Termijn voor het op schrift stellen van de beslissing tot ophouding

In het derde lid van artikel 23 van het ontwerp wordt bepaald dat de beslissing tot ophouding op schrift wordt gesteld. Het is niet duidelijk binnen welke termijn het op schrift stellen van voornoemde beslissing dient te geschieden.

De Raad adviseert de regering om een termijn uitgedrukt in uren of dagen in het derde lid van artikel 23 van het ontwerp op te nemen.

3°. Bekendmaking van de beslissing tot ophouding

In de laatste volzin van het derde lid van artikel 23 van het ontwerp wordt bepaald dat de op schrift gestelde beslissing tot ophouding bekend wordt gemaakt. Het is niet duidelijk om welke reden deze beslissing bekendgemaakt moet worden en op welke wijze de bekendmaking dient te geschieden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het derde lid van artikel 23 van het ontwerp aan te passen.

4°. Groep

Uit het vierde lid van artikel 23 van het ontwerp volgt dat de beslissing tot ophouding ten opzichte van een groep personen zal gelden. Er wordt verwezen naar het eerste lid van artikel 23. Uit het eerste lid van artikel 23 volgt echter niet dat het tijdelijk ophouden van personen alleen ten opzichte van een groep personen en niet voor individuele personen toegepast kan worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 23 van het ontwerp aan te passen.

5°. Ophouduren

In het vijfde lid van artikel 23 van het ontwerp wordt het aantal ophouduren gesteld op maximaal twaalf uren. Het is niet duidelijk om welke reden voor twaalf uren is gekozen.

De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

De strafbepaling (artikel 24)

In artikel 24, eerste lid, van het ontwerp worden de strafrechtelijke sancties bepaald ten aanzien van het overtreden van de verbodsbepalingen opgenomen in de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid van het ontwerp. Het is opgevallen dat in het ontwerp meerdere verbods- en gebodsbepalingen voorkomen die echter niet strafbaar gesteld worden in artikel 24, eerste lid, van het ontwerp. Het gaat om bijvoorbeeld de artikelen 9, derde lid, 14, derde lid en 19, tweede lid van het ontwerp.

Ten overvloede merkt de Raad op dat ten aanzien van het derde lid van artikel 14 van het ontwerp een gebodsbepaling opgenomen dient te worden waarin eenieder verplicht wordt aan de aanwijzing of opdracht door of namens de Minister van Justitie gevolg te geven.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

De geheimhoudingsbepaling (artikel 25)

Artikel 25, eerste lid, van het ontwerp bevat een geheimhoudingsbepaling. In het tweede lid van dit artikel wordt de straf bepaald ten aanzien van het overtreden van deze geheimhoudingsplicht. Een bepaling van gelijke inhoud komt reeds voor in artikel 2:232 van het Wetboek van Strafrecht, dat een algemene landsverordening is. Aangezien er geen verhoging of verlaging van het strafmaximum in het tweede lid van artikel 25 van het ontwerp wordt voorgesteld, is de Raad van mening dat artikel 25 op grond van aanwijzing 82 van de Aanwijzingen voor de regelgeving geschrapt moet worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp aan te passen.

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend heeft de Raad van Advies bezwaar tegen de ontwerplandsverordening en geeft de regering in overweging deze niet aldus bij de Staten in te dienen.

 

Willemstad, 12 juni 2018

de wnd. Ondervoorzitter,                                            de Secretaris,

____________________                                            _____________________

Dr. J. Sybesma                                                                       mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/16-18-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1.  Het ontwerp

Hoofdstukindeling

Voorgesteld wordt om boven “Artikel 1” het volgende opschrift op te nemen met dien verstande dat de rest van de hoofdstukken in het ontwerp vernummerd dienen te worden:

“Hoofdstuk 1

Begripsbepaling”

Voorts wordt voorgesteld om de artikelen 38 en 39 van het ontwerp, na vernummering, in een apart hoofdstuk op te nemen voorzien van een kop waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat deze artikelen de slotbepalingen zijn van het ontwerp.

Artikel 1

Voorgesteld wordt om in de aanhef van artikel 1 “Landsverordening” te vervangen door “landsverordening”.

Voorts dient “minister: Minister van Algemene Zaken” in overeenstemming gebracht te worden met aanwijzing 58 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikel 3

Voorgesteld wordt vóór “landsbesluit” de zinsnede “afschrift van het” in te voegen.

Artikel 7

Voorgesteld wordt het bepaalde in artikel 7 in de begripsbepaling in artikel 1 op te nemen.

Artikel 8

Voorgesteld wordt om in het tweede lid van artikel 8 achter “Gouverneur” de zinsnede “in Curaçao” te voegen.

Artikel 11

Voorgesteld wordt om in het tweede lid achter “onderneming” de zinsnede “of instelling” op te nemen.

Artikel 14

Voorgesteld wordt om, gezien het bepaalde in het eerste en derde lid, voor de volledigheid in het tweede lid achter “aanwijzingen” de zinsnede “of opdrachten” op te nemen.

In het derde lid dient de zinsnede “maatregelen nemen” te worden vervangen door “maatregelen te nemen”.

Artikel 16

Voorgesteld wordt om in het eerste lid “besluit” te vervangen door “landsbesluit”.

Artikel 18

Voorgesteld wordt om in het eerste lid “het vorige artikel” te vervangen door “artikel 17” en de zinsnede “die niet te boven gaan de daarvoor” te vervangen door “die niet te boven gaan aan de daarvoor”.

Artikel 19

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede lid de zinsnede “het beheer van de haven, dan wel” te vervangen door “het beheer van de havens, luchthaven of de raffinaderij”.

Tevens wordt voorgesteld om ook “gezagvoerders van vliegtuigen” in het tweede lid op te nemen.

In de tweede volzin van het tweede lid dient de zinsnede “in de haven op de wijze” vervangen te worden door “in de havens, luchthaven of raffinaderij op de wijze”.

Artikel 20

Voorgesteld wordt om de zinsnede “toegang tot- het verkeer binnen- en” te vervangen door “toegang tot, het verkeer binnen, en”. Voorts dient “de havens” vervangen te worden door “de haven en luchthaven”. Tevens dient “hiervan” vervangen te worden door “hiervoor”.

Het opschrift van hoofdstuk 3

Voorgesteld wordt om het opschrift van hoofdstuk 3 te vervangen door “Bevoegdheid tot bestuurlijke ophouding en strafbepalingen”.

Artikel 23

Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 76, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, artikel 23 van het ontwerp op te splitsen in meerdere artikelen.

In het tweede lid, onderdeel a dient “voorschrift” vervangen te worden door “voorschrift, aanwijzing of opdracht” en dient achter “landsverordening” de zinsnede “en de daarop berustende bepalingen” te worden opgenomen.

Artikelen 26 tot en met 37

De Raad adviseert de regering om de artikelen 26 tot en met 37 van het ontwerp in overeenstemming te brengen met aanwijzing 175 van de Aanwijzingen voor de regelgeving door de wijzigingen van de Landsverordening rampenbestrijding in één artikel, onderverdeeld in hoofdletters, op te nemen.

Artikel 31

Onder verwijzing naar de geconsolideerde tekst van artikel 6, tweede lid, van de Landsverordening rampenbestrijding stelt de Raad voor om de in punt 2 van artikel 31 van het ontwerp voorgestelde wijziging van artikel 6 van de Landsverordening rampenbestrijding de zinsnede “De landelijk geneeskundig rampencoördinator is belast” te vervangen door “De landelijk geneeskundig rampencoördinator is ten behoeve van het landgebied belast”.

Artikel 33

Voorgesteld wordt om de in punt twee van artikel 33 van het ontwerp voorgestelde wijziging van artikel 8, tweede lid, van de Landsverordening rampenbestrijding “de politie” vervangen te worden door “het Korps Politie Curaçao”.

Artikel 34

Voorgesteld wordt om de in punt 2 van artikel 34 van het ontwerp voorgestelde wijziging van artikel 9, tweede lid, van de Landsverordening rampenbestrijding “of crisis” te vervangen door “of de crisis”.

2.  De memorie van toelichting

Pagina 1

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het eerste tekstblok “Landsverordening Rampenbestrijding” te vervangen door “Landsverordening rampenbestrijding” en de vindplaats van deze landsverordening in een voetnoot te vermelden.

Voorts wordt voorgesteld om de vindplaats van de Staatsregeling van Curaçao, genoemd in de eerste volzin van het tweede tekstblok, in een voetnoot te vermelden.

Voorgesteld wordt om de vijfde volzin van het derde tekstblok te herformuleren.

Pagina 2

Voorgesteld wordt om de vindplaats van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, genoemd in de derde volzin van het tweede tekstblok, in een voetnoot te vermelden.

Pagina 3

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede tekstblok “Sint-Maarten” te vervangen door “Sint Maarten” en Sint-Eustatius” te vervangen door “Sint Eustatius”.

In de vijfde volzin van het derde tekstblok dient “kwantificeren” vervangen te worden door “kwalificeren”.

Pagina 4

Voorgesteld wordt om in de vijfde volzin van het tweede tekstblok “ongevallen in tunnels” te vervangen door “ongevallen onder viaducten”.

Pagina 5

In de derde volzin van het voorlaatste. tekstblok van de toelichting op artikel 2 van het ontwerp dient “e.d.” vervangen te worden door “en dergelijke”.

Pagina 6

In de toelichting op artikel 6 van het ontwerp dient “hoofdstuk 2 van deze landsverordening” vervangen te worden door “de artikelen 8 tot en met 21 van ontwerplandsverordening”.

Pagina 7

In de eerste volzin van het eerste tekstblok van de toelichting op de artikelen 9 tot en met 16 dient “inlichten” vervangen te worden door “inlichtingen”.

Voorts dient in de laatste volzin van het tweede tekstblok van de toelichting op de artikelen 9 tot en met 16 “hierin” te worden vervangen “in”.

Pagina 8

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van de toelichting op artikel 23 van het ontwerp de afkortingen “EHRM” en “EVRM”, aangezien het hierbij om hun eerste vermelding in de memorie van toelichting gaat, voluit te schrijven.

Pagina’s 9 en 10

In de laatste volzin van de toelichting op artikel 23 van het ontwerp dient “president van het Gerecht in eerste aanleg” vervangen te worden door “President van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba”.

Pagina 10

Voorgesteld wordt om de kop “Artikelen 29” te vervangen door “Artikel 29”.

Voorts dient in de eerste volzin van de toelichting op artikel 29 van het ontwerp achter “werking” het woord “vastgesteld” te worden opgenomen.

 

 

[1] Zie de tweede volzin van het laatste tekstblok.

[2] Zie Jan-Peter Loof, “Noodtoestanden in het Nederlandse publiekrecht” in “Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Preadviezen 2016”, Boom Juridisch, Den Haag 2016, p. 91-95.

[3] Zie J. vande Lanotte en Y. Haeck, “Handboek EVRM, Deel 1 Algemene beginselen”, Intersentia Antwerpen-Oxford 2005, p. 156-164 en Jan-Peter Loof, “Noodtoestanden in het Nederlandse publiekrecht” in “Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Preadviezen 2016”, Boom Juridisch, Den Haag 2016, p. 122 e.v.

[4] Uit deze twee artikelen kunnen de volgende eisen worden afgeleid: (1) er moet sprake zijn van een crisissituatie die dermate ernstig is dat het voortbestaan van het land erdoor bedreigd wordt, (2) de uitzonderingstoestand moet officieel worden afgekondigd, (3) afwijkingen van grondrechten moeten strikt noodzakelijk zijn en in een redelijke verhouding staan tot het doel waartoe zij dienen, (4)      er mag geen sprake zijn van willekeurige of discriminatoire gronden, (5) van bepaalde (notstandfeste) grondrechten kan nimmer afgeweken worden en mogen onder geen enkele omstandigheid worden ingeperkt dan is toegestaan op grond van de normale beperkingsclausule opgenomen in het betreffende grondrechtartikel, (6) andere internationaalrechtelijke verplichtingen mogen niet geschonden worden, (7) afwijken van bepaalde grondrechten is pas toegestaan na internationale notificatie aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

[5] Zie J. vande Lanotte en Y. Haeck, “Handboek EVRM, Deel 1 Algemene beginselen”, Intersentia Antwerpen-Oxford 2005, p. 123-147.

[6] Het gaat om kortgezegd de godsdienstvrijheid (artikel 6 van de GW) voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen betreft, de vrijheid van drukpers (artikel 7 GW), het recht tot vereniging (artikel 8 van de GW), het recht tot vergadering en betoging (artikel 9 van de GW), het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner (het tweede en derde lid van artikel 12 van de GW) en het briefgeheim (artikel 13 GW).

[7] In het tweede lid van artikel 112 van de Staatsregeling van Sint Maarten worden kortgezegd het binnentreden in woningen zonder de toestemming van de bewoner voor zover dit het vereiste van een bijzondere schriftelijke machtiging van de rechter betreft (artikel 7, eerste lid), het binnentreden in een woning zonder de toestemming van de bewoner zonder zich voorafgaand te legitimeren en het doel voor het binnentreden mede te delen (artikel 7, tweede lid), het briefgeheim (artikel 8), de godsdienstvrijheid voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen betreft (artikel 9), de vrijheid van drukpers (artikel 10), het recht tot vereniging (artikel 12), het recht tot vergadering en betoging (artikel 13), het recht om zich vrijelijk te bewegen (artikel 14, eerste lid) en het eigendomsrecht (artikel 15, eerste lid) aangegeven als zijnde de grondrechten waarvan bij een uitzonderingstoestand kan worden afgeweken. De opsomming van de grondrechten in het tweede lid van artikel V.29 van de Staatsregeling van Aruba waarvan kan worden afgeweken komt overeen met die van Sint Maarten.

[8] Jan-Peter Loof, “Noodtoestanden in het Nederlandse publiekrecht” in “Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Preadviezen 2016”, Boom Juridisch, Den Haag 2016, p. 111.

[9] Zie mr. M.E.B. de Haseth, Prof. mr. L.J.J. Rogier en mr. dr. J. Sybesma, “Landsverordening administratieve rechtspraak Curaçao”, tweede geheel herziene druk, Boom juridisch Den Haag 2016, p. 52.