Adviezen

RvA no. RA/28-20-LV

Uitgebracht op : 20/10/2020
Publicatie datum: 05/11/2020

 

Initiatiefontwerplandsverordening houdende regels inzake het invoeren van flexibel werken op Curaçao (Zittingsjaar 2019-2020-161)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 21 juli 2020 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 19 oktober 2020 bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

Inleiding
 
In de considerans van de voorliggende initiatiefontwerplandsverordening houdende regels inzake het invoeren van flexibel werken op Curaçao (hierna: het initiatiefontwerp) wordt de wenselijkheid uitgesproken om flexibel werken te bevorderen in Curaçao, zodanig dat werknemers meer mogelijkheden krijgen om in deeltijd te werken op voor hun gunstige tijden en om thuis te werken (telewerken). Het initiatiefontwerp beoogt dan ook aan werknemers een wettelijke aanspraak te geven op aanpassing van arbeidsduur, werktijd en arbeidsplaats, wat in de bij het initiatiefontwerp behorende memorie van toelichting (hierna: memorie van toelichting) aangeduid wordt met “flexibel werken”. Uit de memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat met het initiatiefontwerp wordt beoogd een goede balans te creëren tussen werken, zorgen en scholing. [1]

Het horen van de Sociaal-Economische Raad
 
Uit de bij het adviesverzoek over het initiatiefontwerp gevoegde stukken is gebleken dat ook de Sociaal-Economische Raad (hierna: SER) om advies is gevraagd. Uit het initiatiefontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting blijkt evenwel dat met het advies van de SER d.d. 13 juli 2020, met referentienummer 088/2020-SER, niets is gedaan, althans in de memorie van toelichting wordt niet gereageerd op dit advies en het blijkt ook niet dat het is verwerkt in het initiatiefontwerp. Ten aanzien hiervan wordt kortheidshalve verwezen naar de brief van de Ondervoorzitter van de Raad d.d. 7 oktober 2020 met kenmerk RvA no. OV/47-20 waarin door de Raad wordt ingegaan op een zestal initiatiefontwerplandsverordeningen (inclusief dit initiatiefontwerp) waarin de verwerking van het advies van de SER ontbreekt.

De Raad brengt ondanks voornoemd geconstateerde gebrek toch een advies uit omdat in dit geval de gebrekkige motivering van het voorgestelde in het initiatiefontwerp niet van dien aard is dat de Raad niet kan komen tot een deugdelijk en verantwoord inhoudelijk advies.

De Raad adviseert om in ieder geval een gedegen afweging te maken met betrekking tot de in het advies van de SER opgenomen opmerkingen c.q. bedenkingen en eventueel een gemotiveerde weerlegging daarvan alsnog in de memorie van toelichting bij het initiatiefontwerp op te nemen. Uit de memorie van toelichting moet dus duidelijk blijken op welke wijze met het advies van de SER is omgegaan. Ook wordt geadviseerd om waar nodig, het initiatiefontwerp te wijzigen.

Inhoudelijke opmerkingen

Algemeen

De Aanwijzingen voor de regelgeving
Aanwijzing 2 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) bepaalt dat ministers en onder hen ressorterende dienstonderdelen en personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn betrokken de Awr in acht moeten nemen. In de toelichting op aanwijzing 2 staat dat de aanwijzingen zich naar hun aard niet kunnen richten tot niet onder het gezag van ministers werkzame deelnemers in het proces van regelgeving, waaronder de Staten, maar dat het niettemin aanbeveling verdient dat de deelnemers met de aanwijzingen rekening houden. Met betrekking tot de advisering van de Raad over het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting zal om die reden tevens rekening worden gehouden met de Awr.

De onderbouwing van het initiatiefontwerp en de toelichting daarop
 
1°. Onvoldoende onderbouwde stellingen en conclusies
In de memorie van toelichting worden stellingen aangedragen en conclusies getrokken die naar de mening van de Raad onvoldoende onderbouwd zijn. De Raad geeft hieronder enkele voorbeelden daarvan:

De initiatiefnemers hebben zich door de Nederlandse Wet flexibel werken[2] (hierna: Wfw) laten inspireren en menen dat het initiatiefontwerp, net zoals de Wfw in Nederland, grote voordelen heeft voor werkgevers en werknemers op Curaçao en voor de Curaçaose samenleving in het algemeen.[3] De Raad merkt op dat uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken niet is gebleken dat daar onderzoek naar is gedaan. Bovendien is de sociaal- economische situatie van Nederland een geheel andere dan die van Curaçao en kan de Wfw om die reden niet zonder nader onderzoek worden overgenomen.

In de memorie van toelichting staat onder andere dat werknemers steeds meer belang hechten aan een goede balans van werken, zorgen en scholing, maar dat de arbeidsmarkt van negen tot vijf, inflexibele roostertijden, verplichte aanwezigheid op kantoor en lange files op bepaalde wegen op Curaçao, de werknemers daarin belemmeren.[4] Ook ten aanzien hiervan merkt de Raad op dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat daar onderzoek naar is gedaan. De noodzaak tot het vaststellen van de onderhavige landsverordening is dan ook niet gemotiveerd. De SER merkt hierover op, dat voor wat betreft Curaçao, vooralsnog niet is onderzocht of flexibiliteit in het werk een cruciale voorwaarde voor vrouwen en mannen is om (meer of minder) deel te nemen aan werk.[5]

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat er kosten in de zin van tijd en loonkosten voor de werkgever verbonden zullen zijn aan de overleggen met werknemers, welke kosten na verloop van tijd wel afnemen omdat te verwachten valt dat afhandeling van het verzoek deel uit kan maken van de reguliere beoordelingscyclus.[6]
Naar de diverse stellingen en conclusies die aan het ontstaan van het initiatiefontwerp ten grondslag liggen zal nog onderzoek moeten worden gedaan, waardoor gehandeld wordt in overeenstemming met de aanwijzingen 4 en 5 van de Awr.[7] De SER heeft eveneens geconstateerd dat het initiatiefontwerp in onvoldoende mate in lijn is met aanwijzing 4 van de Awr.[8]
De Raad adviseert om alsnog een gedegen onderbouwing aan de noodzaak tot het vaststellen van de onderhavige landsverordening ten grondslag te leggen met inachtneming van het bovenstaande. De Raad attendeert er hierbij op dat de SER vraagt om aandacht te besteden aan de eventuele maatschappelijke baten en kosten van flexibel werken.[9]
 
2°. De toelichting op de artikelen van het initiatiefontwerp
De toelichting op de diverse artikelen van het initiatiefontwerp vindt de Raad volstrekt onvoldoende omdat ze niet tot nauwelijks worden toegelicht. Voor betrokkenen is het namelijk van belang om uitleg te krijgen over de strekking en reikwijdte van de artikelen en de betekenis van gebruikte terminologie daarbij. Voor een goed begrip en juiste uitvoering van de onderhavige landsverordening is dat soms zelfs noodzakelijk.
Bij de Raad bestaat de indruk dat de artikelsgewijze toelichting deels is overgenomen uit de memorie van toelichting behorende bij de Wfw.[10]  De Wfw is een aanpassing van de Nederlandse Wet aanpassing arbeidsduur[11] (hierna: Waa). Om die reden is de memorie van toelichting[12] behorende bij de Waa eveneens van belang voor de uitleg van het initiatiefontwerp. De Raad geeft in onderdeel “2. Initiatiefontwerp” daar een voorbeeld van bij “e. Zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (artikel 3, vierde lid)”.
De Raad adviseert om in te memorie van toelichting alsnog zorg te dragen voor een gedegen (artikelsgewijze) toelichting van het initiatiefontwerp.

Het initiatiefontwerp in het licht van de sociaal-economische ontwikkelingen

Inleiding
De sociaal-economische situatie op Curaçao is verslechterd hetgeen al vóór de COVID-19-crisis was ingezet. Gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de bestrijding van COVID-19 is het de verwachting dat deze verslechtering niet op korte termijn kentert. De negatieve sociaal-economische gevolgen hiervan zijn onder andere financiële achteruitgang van bedrijven en de overheid alsook een stijging van de werkloosheid.

Lastendruk
Aanwijzing 10 van de Awr bepaalt dat er bij het ontwerpen van een regeling gestreefd moet worden naar zo beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, voor zover niet uitdrukkelijk het opleggen van lasten wordt beoogd. Volgens de toelichting op deze aanwijzing wordt onder andere gedoeld op rechtstreekse financiële lasten die uit een regeling voortvloeien. De onderhavige landsverordening zal gepaard gaan met kosten voor werkgevers voor bijvoorbeeld organisatorische veranderingen binnen bedrijven, het aantrekken van nieuwe medewerkers, het ontwikkelen van nieuw personeelsbeleid, het inrichten van werkplekken aan huis waarbij de betrokken werknemers eventueel digitaal toegang moeten krijgen tot bestanden van het bedrijf.

Opmerkingen van de SER
De SER merkt op dat in de memorie van toelichting niet aan bod komt of er in een krimpende economie (voldoende) vraag is naar flexibele werknemers en ook komt niet aan bod de vraag of de introductie van flexibel werken gedurende de economische crisis tot meer of wellicht minder risico’s voor werknemers leidt. Anderzijds vindt de SER dat de COVID-19-crisis ook het belang laat zien van flexibele werkmodaliteiten.[13]

Advies
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de doelstelling daarvan te plaatsen in het licht van de huidige sociaal- economische situatie van Curaçao en daarbij in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

De verhouding tussen het initiatiefontwerp en bestaande regelgeving
 
1°. De Arbeidsregeling 2000
Op grond van artikel 3 van de Arbeidsregeling 2000 is deze van toepassing op werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben met een inkomen beneden de premiegrens van de in de Landsverordening Ziekteverzekering geregelde ziekteverzekering. Deze werknemers kunnen worden onderverdeeld in schemawerkers en niet-schemawerkers[14], voor welke categorieën van werknemers verschillende regels gelden ten aanzien van (maximale) arbeidstijden, rusttijden en overwerk op grond van artikel 9 van de Arbeidsregeling 2000. De Arbeidsregeling 2000 bevat in artikel 2, tweede lid, eveneens een definitie van de begrippen “arbeidsduur” en “werktijd”. Deze sluiten echter niet geheel aan op de definities van de begrippen “arbeidsduur” en “werktijd” in het initiatiefontwerp.
Verder wordt het begrip “arbeidstijd” in de Arbeidsregeling 2000 gedefinieerd, welke definitie meer in lijn is met de definitie van het begrip “werktijd” in het initiatiefontwerp. Daar komt bij dat artikel 24 van de Arbeidsregeling 2000 bepaalt dat als de bevoegde autoriteit aan een onderneming een beschikking heeft gegeven voor verlenging van de arbeidsduur, wijzigingen in onder meer de werktijden, rusttijden en arbeidsduur in die onderneming dan niet doorgevoerd mogen worden zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de bevoegde autoriteit. [15]
Het is dan ook de vraag hoe het initiatiefontwerp zich verhoudt tot de Arbeidsregeling 2000.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het initiatiefontwerp aan te passen.
 
2°. De Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht
Op grond van artikel 1, onderdeel a, van het initiatiefontwerp worden ook ambtenaren onder de reikwijdte van het initiatiefontwerp gebracht, namelijk degenen met een publiekrechtelijke aanstelling.
Artikel 39 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (hierna: LMA) bevat regels over dienst- en werktijden. Het eerste lid bepaalt bijvoorbeeld dat voor iedere dienst of bedrijf zoveel mogelijk een regeling van de werktijd wordt vastgesteld en bekendgemaakt, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens de LMA, houdende bepalingen tot regeling van de arbeidsduur. De Raad mist in de memorie van toelichting de zienswijze van de initiatiefnemers over de verhouding tussen het initiatiefontwerp en de LMA.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het initiatiefontwerp aan te passen.
 
3°. De Veiligheidslandsverordening 1958
De Veiligheidslandsverordening 1958 die van toepassing is op de private sector en de overheid bepaalt in artikel 1, eerste lid, dat onder arbeid wordt verstaan alle werkzaamheden in een onderneming. De Raad gaat ervan uit dat een werkplek aan huis daar niet onder valt en dat voornoemde landsverordening niet van toepassing is op arbeidsplaatsen aan huis als bedoeld in het initiatiefontwerp. In dat geval is er geen verplichting dat zo een arbeidsplaats moet voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Veiligheidslandsverordening 1958 en de bijbehorende uitvoeringsregelingen. De Raad is van mening dat daar aandacht aan besteed moet worden en ook aan de eventuele kosten die daaruit kunnen voortvloeien.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het initiatiefontwerp aan te passen.

Rechtsbescherming
In geval van een afwijzing door de werkgever op een verzoek van een werknemer ingevolge de onderhavige landsverordening dient deze dit aan een rechter te kunnen voorleggen.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting uitleg te geven over de rechtsbescherming ten aanzien van werknemers die op grond van een arbeidsovereenkomst zijn aangesteld en zij die een publiekrechtelijke aanstelling hebben.

Het initiatiefontwerp

Definitie van werkgever (artikel 1, onderdeel a)
In artikel 1, onderdeel a, van het initiatiefontwerp wordt “werkgever” gedefinieerd als degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling en gelijkgestelden arbeid laat verrichten. Het is niet bekend wat met “gelijkgestelden” wordt bedoeld; ook uit de toelichting op dit artikellid blijkt dat niet. In de memorie van toelichting staat slechts dat onder “publiekrechtelijk” ook gelijkgestelden worden verstaan zoals werknemers van staatsorganen zoals de Raad van Advies, Ombudsman enzovoorts.[16]
Volgens de Raad is de term “gelijkgestelden” overbodig omdat personen die werkzaam zijn bij staatsorganen en elders, óf publiekrechtelijk worden aangesteld óf op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. De term “gelijkgestelden” wordt doorgaans gebruikt voor personen die werkzaam zijn bij een rechtspersoon die bij landsbesluit is aangewezen als lichaam waarvan het personeel overheidsdienaar is in de zin van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (hierna: Plvo), conform artikel 5, eerste jo zevende lid, van de Plvo. Daarmee wordt het personeel van deze rechtspersonen onder het toepassingsbereik van de Plvo gebracht. Voorbeelden daarvan zijn de aanwijzingen van de Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten en van Curaçao Airport Holding N.V.[17]
De Raad adviseert in artikel 1, onderdeel a, de woorden “en gelijkgestelden” te verwijderen.

Beperking toepassingsbereik ten aanzien van werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (artikel 2)
Artikel 2 van het initiatiefontwerp en de toelichting daarop geven geen duidelijkheid over de term “pensioengerechtigde leeftijd”. De pensioengerechtigde leeftijd die is opgenomen in een arbeidsovereenkomst kan namelijk een andere zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd op grond van artikel 6 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, te weten de leeftijd (65 jaar) waarop recht ontstaat op algemeen ouderdomspensioen. De pensioengerechtigde leeftijd die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst kan daaraan gekoppeld zijn, maar dat is niet steeds het geval.
De Raad gaat ervan uit dat met “pensioengerechtigde leeftijd” de leeftijd wordt bedoeld waarop recht ontstaat op algemeen ouderdomspensioen. In dat geval adviseert de Raad in artikel 2 van het initiatiefontwerp de zinsnede “de pensioengerechtigde leeftijd” te vervangen door “de in artikel 6 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering bedoelde leeftijd”. In het geval de initiatiefnemers met “pensioengerechtigde leeftijd” een andere leeftijd bedoelen dan adviseert de Raad dit duidelijk aan te geven dan wel te omschrijven in artikel 2 en in de memorie van toelichting daar een nadere toelichting op te geven.

Onvoorziene omstandigheden (artikel 3, eerste, tweede en elfde lid)
Uit het initiatiefontwerp noch uit de memorie van toelichting kan worden opgemaakt wat in artikel 3, eerste en tweede lid, aanhef en laatste volzin van het initiatiefontwerp wordt verstaan onder “onvoorziene omstandigheden”. In het elfde lid van artikel 3 wordt verwezen naar de “onvoorziene omstandigheden” van het tweede lid. Wat de gevolgen zijn als zich een onvoorziene omstandigheid voordoet, blijkt evenmin uit artikel 3, eerste of tweede lid, van het initiatiefontwerp of uit de memorie van toelichting.
De Raad heeft de indruk dat ingeval er sprake is van een onvoorziene omstandigheid een andere termijn gehanteerd mag worden voor het indienen van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur, de arbeidsplaats of de werktijd of om een nieuw verzoek daartoe. Met andere woorden bij onvoorziene omstandigheden vervallen diverse procedurele vereisten. Dit is echter niet expliciet in het initiatiefontwerp geregeld. Slechts in artikel 3, elfde lid, staat wat het gevolg is als zich een onvoorziene omstandigheid voordoet. De werkgever mag dan niet een maand vóór het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing op het verzoek van de werknemer beslissen maar moet dat binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek doen. De Raad vindt het noodzakelijk dat het duidelijk is wat met de term “onvoorziene omstandigheden” wordt bedoeld en wat de gevolgen zijn van het zich voordoen van een “onvoorziene omstandigheid”. In een artikel van H.G. van Andel, te weten “Van (wet) aanpassing arbeidsduur naar (wet) flexibel werken” in het tijdschrift ArbeidsRecht (2017/24), staat op pagina 3 dat uit de wetsgeschiedenis van de Wfw volgt dat een “onvoorziene omstandigheid” bijvoorbeeld een situatie is van plotselinge hulpbehoevendheid van de partner die ertoe noodzaakt dat de werknemer zijn arbeidstijd (tijdelijk) vermindert.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande.

De termijn waarbinnen een werkgever moet beslissen op een verzoek van een werknemer om aanpassing van de arbeidsuren, werktijd en/of arbeidsplaats (artikel 3, tweede en elfde lid)
Op grond van artikel 3, tweede lid, in samenhang met het elfde lid, van het initiatiefontwerp zou het zich kunnen voordoen dat een werkgever twee maanden vóór het beoogde ingangstijdstip van de gewenste aanpassing een verzoek daartoe krijgt en slechts een maand de tijd heeft om op dit verzoek te beslissen. Mocht de beslissing binnen die maand uitblijven dan wordt het verzoek als het ware van rechtswege goedgekeurd.
Aangezien werkgevers thans voor het eerst te maken zullen krijgen met deze regeling en werkgevers in sommige gevallen aanpassingen in hun bedrijf zullen moeten aanbrengen, vindt de Raad bedoelde termijn van een maand geen redelijke termijn waarbinnen de werkgever een beslissing moet nemen indien het ingangstijdstip van de aanpassing daar meteen op volgt.
De termijnen in het initiatiefontwerp zijn overgenomen uit de sinds 1 januari 2016 in Nederland geldende Wfw (zie artikel 2, derde jo twaalfde lid, van de Wfw). De Wfw kent echter een lange voorgeschiedenis en in Nederland zijn werkgevers al sinds het jaar 2000 bekend met de Waa die werknemers het recht geeft een aanpassing van de arbeidsduur te verzoeken. Op grond van artikel 2, derde jo tiende lid, van de Waa dienden werknemers hun verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur ten minste vier maanden vóór de beoogde aanpassingsdatum te doen en werd de arbeidsduur aangepast. Indien de werkgever niet een maand vóór de beoogde aanpassingsdatum had beslist, werd het verzoek toegekend. Dit betekent dat de werkgever onder deze eerder geldende regeling minstens drie maanden de tijd had om daarover te beslissen. Dit is pas in 2016 verlaagd tot een termijn van ten minste een maand.
De Raad adviseert artikel 3, tweede en elfde lid, van het initiatiefontwerp te heroverwegen met inachtneming van het bovenstaande.

Zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (artikel 3, vierde lid)
Artikel 3, vierde lid, van het initiatiefontwerp bepaalt dat de werkgever het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of werktijd inwilligt, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. In het achtste tot en met het tiende lid van artikel 3 is vermeld wat in ieder geval in de genoemde situaties wordt aangemerkt als “zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen”. Deze term die voor de beoordeling van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd van belang is, wordt niet genoemd en toegelicht in de memorie van toelichting. Dit dient volgens de Raad wel te gebeuren. Daarbij wijst de Raad op de memorie van toelichting behorende bij de Waa[18] waarin ten aanzien van deze term het volgende staat:
“In dit artikellid is opgenomen in welke situaties er in ieder geval sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang ingeval van vermeerdering van de arbeidsduur. Het gaat hier, evenals in het zesde lid, niet om een limitatieve opsomming. Bepaald is dat bij uitbreiding van de arbeidsduur er in ieder geval sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang als er zich ernstige financiële of organisatorische problemen voordoen of indien zich ernstige problemen voordoen wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk. Zo zal in het algemeen sprake zijn van een ernstig financieel probleem, indien een verstrekte subsidie in het kader van de gesubsidieerde arbeid niet toereikend is om de kosten te betalen die voortvloeien uit de vermeerdering van de arbeidsduur. Het ontbreken van formatieruimte of (personeels)budget is ook een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. In dit verband kan er bijvoorbeeld op worden gewezen dat overheidswerkgevers met betrekking tot het aantal beschikbare functies binnen de vastgestelde formatieruimte moeten blijven. Uiteraard zal de uitbreiding van de arbeidsduur niet verder kunnen gaan dan het aantal uren dat voor de betreffende arbeidsorganisatie als maximale arbeidsduur geldt.”
Aangezien de term “zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen” in de memorie van toelichting niet is toegelicht en de Raad dit wel van belang vindt, adviseert de Raad om dit alsnog te doen en na te gaan of er internationaal gezien verdragsbepalingen bestaan die daar een rol bij spelen. Tevens adviseert de Raad om, gezien de kleinschaligheid van de Curaçaose samenleving, in de memorie van toelichting het toekennen van de mogelijkheid om vermeerdering van de arbeidsduur te motiveren en daarbij te betrekken de vraag of er internationaal gezien verdragsbepalingen bestaan die daar een rol bij spelen.

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
 
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
 
Willemstad, 20 oktober 2020
  
de Ondervoorzitter,                                                                de Secretaris,
 
  
___________________                                                         _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial                                                           mevr. mr. C. M. Raphaëla
 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/28-20--LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1.  Het initiatiefontwerp

De aanhef

Voorgesteld wordt om in de laatste volzin “onderstaand” te vervangen door “onderstaande”.

Artikel 3

Voorgesteld wordt om

in het tweede lid, eerste volzin, “tenminste” te vervangen door “ten minste”;

in het twaalfde lid het zinsdeel “als bedoeld in het vierde lid, ten aanzien van de arbeidstijd” te herformuleren aangezien de term “arbeidstijd” niet voorkomt in artikel 3, vierde lid en overigens niet voorkomt in het initiatiefontwerp.

Overige

Voorgesteld wordt om in het initiatiefontwerp een citeertitel op te nemen conform aanwijzingen 146 en 147 van de Awr en deze citeertitel aan het slot van het opschrift tussen haakjes te plaatsen conform aanwijzing 85 van de Awr.

2.  De memorie van toelichting

Pagina 1

Voorgesteld wordt om:

in de vierde volzin “een goede balans van” te vervangen door “een goede balans tussen”;

in de achtste volzin de woorden “op Curaçao” tussen “dat” en “44%” te verwijderen;.

in de derde volzin van onderaf “vooroplopen” te vervangen door “voorop lopen” en “SBAB” door “Stichting Belastingaccountantsbureau”;

in de laatste volzin “onderhavig” te vervangen door “onderhavige”;

in de voetnoot “CBS” te vervangen door “Centraal Bureau voor de Statistiek”.

Pagina 2

Voorgesteld wordt om in het eerste tekstblok:

in de tweede volzin “Naast dit” te vervangen door “Daarnaast”;

in de tiende volzin “heen” te verwijderen;

in de dertiende volzin “de werkloosheid cijfer” te vervangen door “het werkloosheidscijfer” en “kan” door “kunnen”.

Voorgesteld wordt om in het tweede tekstblok:

in de eerste volzin “bediening in restaurant” te vervangen door “bedieningspersoneel in een restaurant”;

in de derde volzin “mogelijk is” te vervangen door “mogelijk zijn”.

Pagina 3

Voorgesteld wordt om in het tweede tekstblok in de eerste volzin “middels” te vervangen door “middel”.

Voorgesteld wordt om in het laatste tekstblok in de laatste volzin “Wet Flexibel Werken (Wfw)” te vervangen door “Wfw”.

Pagina 4

Voorgesteld wordt om in het tweede tekstblok, tweede volzin “de algemene gedeelte” te vervangen door “het algemene gedeelte van”.

Voorgesteld wordt om in het vierde tekstblok:

in de tweede volzin “voldoende is waarbij een werkgever een (vertrouwens)relatie heeft kunnen opbouwen met haar werkgever” te vervangen door “voldoende zijn voor een werknemer om een (vertrouwens)relatie op te bouwen met zijn werkgever”;

in de laatste volzin “achtten” te vervangen door “achten”.

Voorgesteld wordt om in het vijfde tekstblok “Artikel 7A:1615s, lid 2, Burgerlijk Wetboek” te vervangen door “Artikel 4”.

Voorgesteld wordt om in het laatste tekstblok:

in de eerste volzin “na bekrachtiging” te vervangen door “na inwerkingtreding”;

in de tweede volzin “de effect en efficiëntie” te vervangen door “het effect en de efficiëntie”.

 

 

[1] Memorie van toelichting, “Hoofdstuk 1. Inleiding”.

[2] Staatsblad 2015, 245.

[3] Memorie van toelichting, pagina 3, laatste tekstblok.

[4] Memorie van toelichting, pagina 1, eerste tekstblok.

[5] SER-advies, pagina 10, tweede tekstblok, laatste volzin.

[6] Memorie van toelichting, pagina 3, eerste tekstblok.

[7] Op grond van deze aanwijzingen moet de noodzaak tot het ontwerpen van een nieuwe regeling komen vast te staan omdat eerst nagegaan moet worden of het onderwerp door zelfregulerend vermogen van de sector(en) kan worden bereikt en dient voordat tot het treffen van een regeling wordt besloten kennis te worden vergaard over relevante feiten en omstandigheden waarbij tevens alternatieve oplossingen voor het realiseren van de gekozen doelstellingen moeten worden overwogen en tegen elkaar moeten worden afgewogen.

[8] SER-advies, pagina 3, eerste tekstblok.

[9] SER-advies, pagina 6, laatste tekstblok.

[10] Memorie van toelichting met betrekking tot het voorstel van wet van de leden Van Gent en van Hijum tot wijziging van de Wet aanpassing arbeidsduur ten einde flexibel werken te bevorderen (Wet flexibel werken). Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32889, nr. 3.

[11] Staatsblad 2000, 114.

[12] Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26358, nr. 3.

[13] SER-advies, pagina 4, vierde tekstblok.

[14] Artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Arbeidsregeling 2000 merkt als schemawerk aan arbeid, niet zijnde overwerk, verricht volgens een periodiek werkrooster op verschillende, met het oog op de aard van de onderneming noodzakelijke, tijdstippen waardoor de arbeidstijd geheel of gedeeltelijke valt binnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde rusttijd.

[15] De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Arbeidsregeling 2000.

[16] Memorie van toelichting, pagina 4, tweede tekstblok.

[17] P.B. 2013, no. 1 en P.B. 2019, no.5.

[18] Artikelsgewijze toelichting op artikel 2, zevende lid, van de Waa (memorie van toelichting behorende bij de Waa, pagina 17, tweede tekstblok) waarin het gaat om het verzoek om vermindering of vermeerdering van de arbeidsduur.