Adviezen

RvA no. RA/23-16-LV

Uitgebracht op : 19/08/2016
Publicatie datum: 19/01/2021

Ontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening herziening Boek 2 BW)
(zaaknummer 2016/028983)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 25 april 2016 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 15 augustus 2016, bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

De herziening van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: Boek 2 BW) behelst onder andere de minderheidsbescherming en de afschaffing van de aandelen aan toonder.

De Raad is van oordeel dat het voorstel om de aandelen aan toonder af te schaffen (pagina 1, onder 2, van de memorie van toelichting) tamelijk ingrijpend is.

Het kan zijn dat de regering het als een belangrijk voordeel ziet dat het gemakkelijker wordt gemaakt te achterhalen wie de aandeelhouders van een vennootschap zijn.

De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting een openbare bron vermeld moet worden waaruit blijkt dat en waarom de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling traceerbaarheid (“traceability”) wil verbeteren door afschaffing van de aandelen aan toonder, en dat en waarom het goed is voor Curaçao om aan die wens tegemoet te komen. Hierbij zouden ook tegenargumenten besproken moeten worden.

De Raad adviseert de regering om bovengenoemde reden in de memorie van toelichting nader toe te lichten wat de voor- en nadelen van deze afschaffing zijn en waarom de regering na afweging van deze voor- en nadelen deze afschaffing bepleit.

Ook wordt geadviseerd in de memorie van toelichting aan te geven welk invloed van de afschaffing van aandelen aan toonder verwacht wordt op de offshore-industrie en het investeringsklimaat in het algemeen.

Nu op grond van het ontwerp alle aandelen op naam dienen te zijn adviseert de Raad bovendien na te gaan of de term "naamloze vennootschap" nog wel de lading dekt en om in de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp in te gaan op de vraag waarom het gerechtvaardigd blijft twee soorten vennootschappen te handhaven.

Daarbij dienen de meest kenmerkende verschillen tussen beide soorten vennootschappen besproken te worden, hetzij op het gebied van de publicatieplicht, hetzij in andere opzichten.

De Raad adviseert de regering op het voorgaande in te gaan in de memorie van toelichting.

Inhoudelijke opmerkingen

Het ontwerp

Artikel 14
 
Anders dan in artikel 9, tweede lid, tweede volzin, van Boek 2 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (hierna: het NedBW), wordt in het voorgestelde artikel 14, vierde lid, laatste volzin, van Boek 2 BW de term "tenzij" niet gebruikt, en wel de termen "echter" en "mits". Deze termen hebben een signaalfunctie met betrekking tot de bewijslastverdeling.
De Raad adviseert de regering om in het voorgestelde artikel 14, vierde lid, laatste volzin, van Boek 2 BW hetzij dezelfde termen als in het NedBW te gebruiken, hetzij in de memorie van toelichting behorende bij de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) op te merken dat geen andere bewijslastverdeling is beoogd.

Artikel 15
 
Voor de Raad is niet duidelijk of de term "betrokken regeling" in het voorgestelde artikel 15, zesde lid, van Boek 2 BW terug slaat op "wettelijke of statutaire". Het lijkt dat de voorgestelde mogelijkheid om het inzagerecht van bestuurders te beperken (gelet op het woord "krachtens") ruimer is dan in de huidige regeling. Immers, de term "zonder onthouding van inzageplicht" in het huidige artikel 243, eerste lid, van Boek 2 BW bevat geen verwijzing naar lagere regelingen; en de huidige artikelen 133, zesde lid en 233, zesde lid 6 bevatten slechts een wettelijke mogelijkheid van onthouding van inzageplicht.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting in te gaan op het bovenstaande.

Artikel 29
 
De laatste volzin van de toelichting op het voorgestelde artikel 29 van Boek 2 BW kan naar het oordeel van de Raad verwarring wekken (pagina 8, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting).
De Raad adviseert de regering in de slotzin van het voorgestelde artikel 33, tweede lid, van Boek 2 BW op te nemen dat niet alleen artikel 29, eerste lid, voor het overige overeenkomstig van toepassing is, maar ook artikel 29, vijfde lid.

Artikel 100
 
1°. Definitie van naamloze vennootschappen
Gelet op het overgangsrecht blijven ook na invoering van de onderhavige ontwerplandsverordening naamloze vennootschappen bestaan met aandelen aan toonder. De definitie van een naamloze vennootschap in het voorgestelde artikel 100, eerste lid, eerste volzin, van Boek 2 BW lijkt volgens de Raad daarom niet juist.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.
 
2°. Karakter artikel 100, eerste lid
De Raad merkt op dat het voorgestelde artikel 100, eerste lid, van Boek 2 BW een bepaling is van overgangsrecht en om die reden naar de bepalingen van overgangsrecht verplaatst kan worden.
De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 105
 
Mede gelet op het voorgestelde artikel 1 van het overgangsrecht kan naar het oordeel van de Raad overwogen worden het voorgestelde artikel 105 van Boek 2 BW te schrappen.
De Raad adviseert de regering te overwegen alleen het eerste lid van het voorgestelde artikel 105 van Boek 2 BW te handhaven door de inhoud daarvan op te nemen onder het overgangsrecht.

Artikel 108a
De voorgestelde regeling in artikel 108a, derde lid, van Boek 2 BW is volgens de memorie van toelichting (pagina 11, voorlaatste tekstblok) bedoeld als een vereenvoudiging. Het is echter de vraag of het er daadwerkelijk een is. Het roept volgens de Raad vragen op dat invoering van een bepaling anders wordt geregeld dan een wijziging ervan, en afschaffing ervan nog weer anders, en dat daarbij ook onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën a, b en c.
De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 108a, derde lid, van Boek 2 BW geheel te schrappen en dus voor alle gevallen terug te vallen op de minderheidsbescherming van artikel 21 en artikel 134, vierde lid (met handhaving van artikel102, vijfde lid).

Artikel 109
 
Uit het voorgestelde artikel 109, vijfde lid, van Boek 2 BW volgt dat de bestuurders aansprakelijk blijven jegens eenieder op dezelfde voet als wanneer het bestuur het register zelf bijhoudt. Uit het voorgestelde artikellid blijkt echter niet duidelijk of de derde aansprakelijk kan zijn jegens de bestuurders of jegens de vennootschap.
De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 109, vijfde lid, van Boek 2 BW met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Artikel 118
 
De Raad merkt ten aanzien van het voorgestelde artikel 118 van Boek 2 BW op dat op grond van de huidige wet statutair bepaald kan worden dat het recht op uitkering niet vervalt. In verband daarmee vraagt de Raad de regering of is overwogen aan de termijnen bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, een wettelijk maximum te verbinden.
De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 129
 
Op pagina 16, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting wordt aangegeven wat het woord "dienovereenkomstig" in het voorgestelde artikel 129, derde lid, van Boek 2 BW inhoudt.
Voorgesteld wordt de uitleg van de term “dienovereenkomstig” in de tekst van het ontwerp zelf op te nemen.

Bepalingen betreffende de besloten vennootschap
 
De door de Raad gemaakte opmerkingen bij de bepalingen betreffende de naamloze vennootschap gelden mutatis mutandis ook voor de parallel lopende bepalingen betreffende de besloten vennootschap (artikelen 200 tot en met 238 van Boek 2 BW).

Artikel 241
 
De Raad is van oordeel dat anders dan in de memorie van toelichting staat vermeld (pagina 19, tweede tekstblok), het buiten toepassing verklaren van het voorgestelde artikel 229, derde lid, in artikel 241, vierde lid, van Boek 2 BW juist het misverstand kan wekken dat aandelen zonder of met een beperkt stemrecht mogelijk zijn bij een aandeelhouder-bestuurde-vennootschap (ABV).
De Raad adviseert de regering de vermelding van artikel 229, derde lid, in het voorgestelde artikel 241, vierde lid, van Boek 2 BW te schrappen.

Artikel 255
 
De Raad adviseert de regering in het voorgestelde artikel 255 van Boek 2 BW "door deze gevraagde" te schrappen. Het moet naar het oordeel van de Raad immers mogelijk zijn dat de voorziening weliswaar op verzoek wordt getroffen, maar toch enigszins afwijkt van het verzoek.
 

Artikel 273
 
Het gebruik van het woord "daarbij" in het voorgestelde artikel 273, tweede lid, tweede volzin, van Boek 2 BW wil zeggen: door het bestuur of het toezichthoudend orgaan. Echter, het aanwijzen van een bijzondere vertegenwoordiger kan ongetwijfeld ook bij later besluit van dat orgaan.
De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden en het ontwerp in het licht daarvan aan te passen.
 
Aangezien het soms om spoedeisende acties gaat, zoals het verzoeken van voorlopige voorzieningen en het tijdig instellen van cassatieberoep, met inschakeling van een cassatieadvocaat enzovoorts adviseert de Raad de regering in artikel 273, tweede lid, derde volzin, te volstaan met “redelijkerwijs voldoende inspanningen zijn gedaan om op de hoogte te stellen”.

Artikelen 274 en 275
 
1°. Artikel 274, derde lid
Het komt de Raad minder logisch voor dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) vooraf een maximumbedrag vaststelt van bijkomende kosten als bedoeld in het voorgestelde artikel 274, derde lid, van Boek 2 BW. Het Hof zal immers niet de verwachting uitspreken dat enige partij acties zal gaan instellen die geen kans van slagen hebben, zoals in de toelichting omschreven (pagina 26, vierde tekstblok). Het komt logischer voor dat het Hof dergelijke bijkomende kosten begroot bij het verhogen van het budget, of zelfs achteraf, als het onderzoek is afgerond (zie ook artikel 281, eerste lid).
In het licht van het voorgaande adviseert de Raad de regering het voorgestelde artikel 274, derde lid, nauwer te doen aansluiten op artikel 350, derde lid, van het BWNed.
 
2°. Artikel 274, vierde lid en artikel 275
De Raad meent dat aan de figuur van de rechter-commissaris in het kleinschalige Curaçao in principe geen behoefte bestaat. In de praktijk fungeren de secretaris en de voorzitter als aanspreekpunt en worden beslissingen meervoudig genomen, behoudens organisatorische beslissingen. Dat heeft in de praktijk nooit tot problemen geleid. De verhouding tussen de rechter-commissaris en het Hof zijn in het voorgestelde artikel 274, vierde lid, en in het voorgestelde artikel 275 van Boek 2 BW onduidelijk gelaten. Dat kan naar het oordeel van de Raad aanleiding geven tot onnodige juridisering van het debat over competenties.
De Raad adviseert de regering de invoering van de figuur van de rechter-commissaris in het licht van het voorgaande te heroverwegen.

Artikel 276
 
1°. Het vijfde lid
In het voorgestelde artikel 276, vijfde lid, van Boek 2 BW is in de laatste volzin de zinsnede “in dit geval ambtshalve” geschrapt.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting nader toe te lichten waarom voornoemde zinsnede is geschrapt.
 
2°. Het zevende lid
In het voorgestelde artikel 276, zevende lid, van Boek 2 BW wordt voor wat betreft de verbeurte van een dwangsom verwezen naar een enkel artikel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Raad adviseert de regering om de gehele afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de dwangsom (artikelen 611a tot en met 611g) van toepassing te verklaren.

Artikel 279
 
In het voorgestelde artikel 279, vierde lid, zijn een tweetal verboden opgenomen voor de onderzoeker enerzijds en voor een ieder anderzijds.
De Raad adviseert de regering om aan te geven wat de rechtsgevolgen zijn van de overtreding van de in het voorgestelde artikel 279, vierde lid, genoemde verboden.

Artikel 286
 
Gelet op artikel 23, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) zijn de bepalingen in het voorgestelde artikel 286 van Boek 2 BW, die niet bij rijkswet worden ingevoerd, maar gedeeltelijk wel de rechtsmacht van de Hoge Raad ten aanzien van Curaçao betreffen, naar het oordeel van de Raad mogelijk gedeeltelijk onverbindend, met name het voorgestelde artikel 286, eerste lid. Het kan echter zo zijn dat zij zo veel mogelijk overeenkomen met een corresponderende regeling in Nederland. In dat geval zullen zij mogelijk toch uit hoofde van artikel 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet cassatierechtspraak) gelden.
De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden en mede gelet op artikel 23, eerste lid van het Statuut in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak in de memorie van toelichting aan te geven met welke regeling in Nederland het voorgestelde in artikel 286, eerste lid, van Boek 2 BW correspondeert.

Artikel 286
 
Voor de Raad is niet duidelijk waarom geen cassatieberoep openstaat tegen beslissingen als bedoeld in artikel 282, vierde en vijfde lid, van Boek 2 BW.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven waarom geen cassatieberoep openstaat tegen beslissingen als bedoeld in artikel 282, vierde en vijfde lid, van Boek 2 BW.
 

Overgangsbepaling
 
1°. Artikel 2
In de praktijk zijn de inschrijvingen, bedoeld in het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp vaak gebrekkig. Zie ook pagina 10 van de memorie van toelichting, onder “Artikel 104”, tweede tekstblok, waaruit blijkt dat een verificatie van de identiteit van de houder geen geldigheidsvereiste is.
De Raad vraagt de regering in het licht van het voorgaande of sprake moet zijn van een inschrijving die in alle opzichten voldoet aan artikel 109 van Boek 2 BW of dat een gebrekkige inschrijving ook voldoende is.
 
Uit het ontwerp blijkt voorts niet expliciet dat het bestuur verplicht is tot registratie van iemand die zich legitimeert en een toonderbewijs bezit. Het kan zijn dat zulks al uit de artikelen 108 en 109 van Boek 2 BW volgt.
Indien het voorgaande het geval is, adviseert de Raad de regering zulks in de memorie van toelichting te vermelden.

2°. Artikel 4

Op grond van het huidige artikel 105, eerste lid, van Boek 2 BW kan aan een latere verkrijger te goeder trouw niet worden tegengeworpen dat een door de vennootschap afgegeven aandeelbewijs aan toonder niet rechtsgeldig in omloop is gebracht. Voorts merkt de Raad op dat op grond van het huidige artikel 104, tweede lid, aandelen aan toonder niet rechtsgeldig kunnen worden "uitgegeven".

De Raad adviseert de regering artikel 4 van het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

3°. Artikel 7

Het voorgestelde artikel 7 van het ontwerp heeft niet alleen terugwerkende kracht tot 1 januari 2012, maar ook kracht tot twee jaren na de inwerkingtreding van het ontwerp.

De Raad vraagt in dat verband of de regering met het risico dat het huidige voorstel tot verrassingen leidt, rekening heeft gehouden. In het licht daarvan vraagt de Raad of de belangen van degenen die na 1 januari 2012 te goeder trouw hebben gehandeld niet beschermd moeten worden. Gedacht kan worden aan het geval waarin men iemand het voorkeursrecht heeft ontzegd, achteraf gezien ten onrechte, in het vertrouwen dat de artikelen 106 en 206 van Boek 2 BW onmiddellijke werking hadden.

De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden.

4°. Artikel 8

Het voorgestelde artikel 8 van het ontwerp heeft niet alleen terugwerkende kracht tot 1 januari 2012, maar ook kracht tot twee jaren na de inwerkingtreding van het ontwerp.

In het licht daarvan vraagt de Raad of de belangen van degenen die na 1 januari 2012 te goeder trouw hebben gehandeld niet beschermd moeten worden. Gedacht kan worden aan het geval waarin men te goeder trouw iemand onbeperkt inzage heeft verschaft, toen te goeder trouw, maar achteraf gezien ten onrechte, in het vertrouwen dat de artikelen 109 en 209 van Boek 2 BW onmiddellijke werking hadden.

De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden.

De memorie van toelichting

Minderheidsbescherming

Het is naar het oordeel van de Raad niet zonder meer duidelijk dat de op pagina 3, onder 3 van de memorie van toelichting genoemde voorstellen zullen leiden tot een versterking van de positie van de minderheidsaandeelhouder. Het lijkt erop dat die voorstellen leiden tot een deregulering op punten die de minderheidsaandeelhouder aangaan (uittreding en gedwongen overdracht). Dat is op zichzelf goed verdedigbaar, maar lijkt in voorkomende gevallen net zo goed de positie van de andere betrokkenen dan de minderheidsaandeelhouder te kunnen versterken.

De Raad adviseert de regering het voorstel dat moet leiden tot minderheidsbescherming nader toe te lichten.

Artikel 104

In de toelichting op het voorgestelde artikel 104, tweede lid, van Boek 2 BW (pagina 10) is vermeld dat deze nieuwe administratieve verplichting geen geldigheidsvereiste is. De Raad kan uit het ontwerp noch uit de memorie van toelichting afleiden wat het rechtsgevolg is als deze verplichting niet wordt nageleefd. De Raad vraagt in dat verband of het een onrechtmatige gedraging kan opleveren die voor de rechtspersoon of voor een bij de rechtspersoon betrokken natuurlijke persoon een schadevergoedingsplicht meebrengt (vergelijk het voorgestelde artikel 108, derde lid, van Boek 2 BW). De Raad vraagt voorts of de nemer ten aanzien van wie deze verplichting niet is nagekomen, dezelfde aan het aandeel verbonden rechten heeft als een nemer ten aanzien van wie dat wel is gebeurd.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat het rechtsgevolg is als bovengenoemde verplichting niet wordt nageleefd.

Artikel 110
 
De Raad meent dat het verduidelijking behoeft waarom in geval van een door partijen ondertekende akte als bedoeld in het voorgestelde artikel 110, tweede lid, van Boek 2 BW erkenning niet is vereist (betekening is voldoende), en in geval van twee schriftelijke verklaringen als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel, erkenning wel is vereist.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen.
  

Artikel 243
 
De opmerking op pagina 21 van de memorie van toelichting, eerste tekstblok, dat de bewaarplicht van het bestuur wel behoort mee te brengen dat iedere bestuurder een inzagerecht heeft, maar niet dat iedere bestuurder een kopieerrecht heeft, behoeft naar het oordeel van de Raad verduidelijking. In dat verband vraagt de Raad de regering of het inzagerecht van een bestuurder in die opvatting slechts dient om te controleren dat het bestuur zijn bewaarplicht nakomt. De Raad meent dat ook los van een bewaarplicht van het bestuur een bestuurder behoefte kan hebben aan eigen kopieën. Voor de Raad is niet op voorhand duidelijk welk belang zich ertegen verzet hem het kopieerrecht toe te kennen.
De Raad adviseert de regering het voorgaande in de memorie van toelichting te verduidelijken.

Artikel 255
 
De Raad constateert dat het huidige artikel 255 van Boek 2 BW een regeling bevat over het vervallen van de voorziening; het voorgestelde artikel 255 niet.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat de reden is om in het voorgestelde artikel 255 van Boek 2 BW geen regeling op te nemen over het vervallen van de voorziening.
 

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsverordening bij de Staten in te dienen, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 19 augustus 2016

de fungerend Ondervoorzitter,                                              de Secretaris,

 

________________________                                               _____________________

mevr. mr. L.M. Dindial                                                            mevr. mr. C.M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/23-16-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

Het ontwerp

Algemeen

Voorgesteld wordt in het ontwerp te vermelden welke artikelen gereserveerd zijn.

Voorgesteld wordt een inhoudsopgave (overzicht van titels en afdelingen) aan het begin van te ontwerp op te nemen. Wel dient deze inhoudsopgave conform de toelichting op aanwijzing 71 van de Aanwijzingen voor de regelgeving bij de bekendmaking van de onderhavige landsverordening in het Publicatieblad te worden opgenomen.

Citeertitel

Aan het slot van het opschrift is een citeertitel vermeld.

Voorgesteld wordt in het ontwerp een artikel op te nemen waarin aan de regeling een citeertitel wordt gegeven.

De considerans

De considerans spreekt van concordantie en ontwikkelingen in Nederland. Echter, het streven naar concordantie lijkt volgens de memorie van toelichting niet de inspiratie geweest te zijn voor de voorgestelde wijzigingen.

Voorgesteld wordt het ontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting in bovenbedoelde zin op elkaar te doen aansluiten.

Artikel 14
Voorgesteld wordt de term "hoofdelijk" in het voorgestelde artikel 14, vierde lid, van Boek 2 BW ter verduidelijking op te nemen, zoals in het vierde lid van het huidige artikel 14.
 

Artikel 100
Voorgesteld wordt het voorgestelde artikel 100, eerste lid, laatste volzin, van Boek 2 BW aan te passen aan de redactie van het huidige artikel 104, tweede lid, in die zin dat er geen nieuwe toonderbewijzen kunnen worden afgegeven.
 

Artikel 104
Voorgesteld wordt om aan het slot van het voorgestelde artikel 104, eerste lid, tweede volzin het woord "daarvan" toe te voegen, om tot uitdrukking te brengen dat de aanvaardingsverklaring voldoende duidelijk inhoudelijk moet overeenstemmen met de uitgifteverklaring (vergelijk artikel 217, eerste lid, van Boek 6 BW).
 

Artikel 108a
Gelet op de voorgenomen inkorting van het voorgestelde artikel 257 van Boek 2 BW wordt geadviseerd die bepaling uit te schrijven in artikel 108a, eerste lid, onder c en deze te laten vervallen in het voorgestelde artikel 257.
 

Artikel 109
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 109, eerste lid, tweede volzin, van Boek 2 BW toe te voegen dat de aantekening “in het register” plaatsvindt en dat daarin ook de aantekening van een overdracht van een pandrecht op de aandelen plaatsvindt.
 

Artikel 113
De memorie van toelichting (pagina 13, onder “Artikel 113”) vermeldt dat er een volzin is toegevoegd aan het vierde lid van artikel 113. Het voorstel bevat echter geen toegevoegde volzin.
Voorgesteld wordt het ontwerp en de memorie van toelichting op elkaar te doen aansluiten.
 

Artikel 114
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 114, derde lid, van Boek 2 BW “118(218)” te vervangen door “118”.
 

Artikel 118
Voorgesteld wordt de tweede volzin van het voorgestelde artikel 118, vierde lid, van Boek 2 BW op te nemen in een vijfde lid en om het vijfde en zesde lid te vernummeren tot zesde en zevende lid.
 

Artikel 127
Voorgesteld wordt de het vierde en achtste lid van het voorgestelde artikel 127 samen te voegen in één enkel artikellid.
 

Artikel 129
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 129, tweede lid, tweede volzin, van Boek 2 BW het lidwoord “het” te handhaven bij "het vergaderrecht", ook al kan het worden uitgesloten of beperkt.
 

Artikel 131
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 131, vijfde lid, van Boek 2 BW “hier te lande” te vervangen door "in Curaçao".
 

Artikel 133
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 133, zesde lid, laatste volzin, van Boek 2 BW "desgewenst" te schrappen.
 

Artikel 214
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 214, derde lid, van Boek 2 BW “118(218)” te vervangen door “218”.
 

Artikel 241
Het tweede lid
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 241, tweede lid, tweede volzin, van Boek 2 BW voor “één stem” in te voegen “het uitbrengen” en in de vierde volzin tussen “soort” en “meer” in te voegen “het recht tot het uitbrengen van”.
 
Het derde lid
Voorgesteld wordt voorts in het derde lid, tweede volzin, vóór "vergaderrecht" in te voegen “het”.
 

Artikel 251, eerste en vierde lid
In het eerste lid van het voorgestelde artikel 251 van Boek 2 BW is de toewijzingsmaatstaf voor een vordering van de houder van aandelen opgenomen. Het verdient naar het oordeel van de Raad de voorkeur deze echter in het vierde lid op te nemen. Immers, het zou logischer zijn om in het eerste lid te bepalen dat iedere aandeelhouder een vordering als hier bedoeld kan instellen, en dat de rechter de vordering moet toewijzen als de aandeelhouder door gedragingen van de vennootschap dan wel van een of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd.
Voorgesteld wordt het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.
 

Artikel 252
 
Het vijfde lid
De mogelijkheden om een vordering tot uittreding in te stellen bedoeld in het voorgestelde artikel 252, vijfde en zesde lid, van Boek 2 BW staan volgens de Raad op een onlogisch voorkomende plaats. Het komt de Raad logischer voor om artikel 252, vijfde lid te nemen in of vlak na artikel 251, eerste lid, en om artikel 252, zesde lid op te nemen in of vlak na artikel 251, vierde lid.
 
Het zesde lid
Voorgesteld wordt dat in het in artikel 252, zesde lid, omschreven geval de vordering niet kan worden afgewezen, maar wordt afgewezen (verplicht).
 

Artikel 271
Boek 2 kent de openbare vennootschap niet. Deze rechtsvorm is geregeld in de Landsverordening personenvennootschappen.
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 271, tweede lid, van Boek 2 BW naar de Landsverordening personenvennootschappen te verwijzen.
 

Artikel 273
 
Het eerste lid
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 273, eerste lid, van Boek 2 BW eerste zinsnede “optreden” te vervangen door “optreedt”.
 
Het tweede lid
Voorgesteld wordt in het tweede lid, tweede volzin, “bijzonderevertegenwoordiger” te vervangen door “bijzondere vertegenwoordiger”.
 
Met het voorgestelde artikel 273, tweede lid, derde volzin, van Boek 2 BW zal bedoeld zal zijn dat het bestuur het toezichthoudend orgaan, zo dat er is, van het voornemen op de hoogte moet stellen en dat het toezichthoudend orgaan aan de andere kant het bestuur op de hoogte moet stellen. De term "onderscheidenlijk" kan naar het oordeel van de Raad verwarring wekken.
Voorgesteld wordt met het ontwerp in het licht daarvan aan te passen.
 
Op pagina 25 van de memorie van toelichting, derde tekstblok, laatste volzin, staat dat artikel 11 van Boek 2 BW buiten werking wordt gesteld.
Voorgesteld wordt duidelijkheidshalve in de tekst van het voorgestelde artikel 273, tweede lid, van Boek 2 BW op te nemen dat artikel 11 buiten werking wordt gesteld.
 

Artikel 276
Het Curaçaose Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent geen artikel 611c, tweede lid, waarnaar in het voorgestelde artikel 276, zevende lid, van Boek 2 BW wordt verwezen.
De Raad vraagt uw aandacht voor het voorgaande.
 

Artikel 279
Voorgesteld wordt in artikel 279, zesde lid, van Boek 2 BW “hun optreden” te vervangen door “hun optreden in verband met het vervullen van hun taak”.
 

Artikel 283
Voorgesteld wordt in artikel 283, aanhef, “artikel 282” te vervangen door “artikel 282, derde lid,” en in onderdeel d “ontbinding” door “ontbinding van de rechtspersoon".
 

Artikel 286
 
Het eerste lid
Voorgesteld wordt in de opsomming van het voorgestelde artikel 286, eerste lid, van Boek 2 BW ook artikel 282, derde lid op te nemen.
 
Het tweede lid
Voorgesteld wordt de aanduiding “2” voor het tweede lid één keer te schrappen.
Voorgesteld wordt voorts “het ingevolge (…) cassatie” te vervangen door “Het beroep in cassatie tegen beschikkingen waartoe de artikelen 271, 276 en 277 aanleiding geven".
 
Het is voor de Raad niet duidelijk welke uitspraak met de term “einduitspraak” in artikel 286, tweede lid, bedoeld wordt.
De Raad adviseert de regering in het voorgestelde artikel 286, tweede lid, duidelijk op te nemen welke uitspraak als einduitspraak dient te worden aangemerkt. Daarbij zou gebruik gemaakt kunnen worden van woorden van de volgende strekking “kan worden ingesteld zonder dat enige latere uitspraak van het Hof als bedoeld in deze titel behoeft te worden afgewacht."

Overgangsrecht
 
Algemeen
Voorgesteld wordt de artikelen die in artikel III van het ontwerp voorkomen te groeperen naar onderwerp in afzonderlijke artikelen die aangeduid worden met Romeinse cijfers en deze weer onder te verdelen in artikelleden.
 
Artikel 1
Voorgesteld wordt “tijstip” te vervangen door “tijdstip”.
 
Artikel 2
Voorgesteld wordt aan artikel 2 van het ontwerp toe te voegen dat vanaf het moment van inschrijving, het betrokken aandeel geldt als een aandeel op naam.
 
Artikel 3
Voorgesteld wordt "aandeelbewijzen" te vervangen door "toonderbewijzen" (zie het huidige artikel 104, tweede lid, van Boek 2 BW).
 
Artikel 6
Voorgesteld wordt “tweede volzin” te vervangen door “tweede en derde volzin”.
 
 De memorie van toelichting

Algemeen

Inwerkingtreding Landsverordening Herziening Boek 2 BW

Op pagina 1, onder 1, van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat de Landsverordening Herziening Boek 2 BW van 15 december 2011 (P.B. 2011, no. 66) per 1 maart 2012 is ingevoerd. Deze is echter per 1 januari 2012 ingevoerd bij Landsbesluit van de 23ste december 2011, no. 11/5292 (P.B. 2011, no. 69).

Ontwikkelingen in Nederland sinds 2011

Voorgesteld wordt in het algemeen deel van de memorie van toelichting een korte omschrijving te geven van de ontwikkelingen in Nederland sinds 2011 met betrekking tot Boek 2 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, met een gemotiveerd overzicht van welke ontwikkelingen wel worden gevolgd en welke niet. Deze ontwikkelingen worden bijvoorbeeld geschetst in de Kronieken Ondernemingsrecht van H.J. de Kluiver in het Nederlands Juristenblad (NJB 2012/885, 2013/789, 2014/796, 2015/735, 2016/742). De onderwerpen die in het algemeen deel van de memorie van toelichting wel afzonderlijk worden vermeld zijn: aandelen aan toonder (pagina 2, onder 2) en minderheidsbescherming (pagina 2, onder 3). Bij de bespreking daarvan wordt echter geen verband gelegd met Nederland.

 

De Commissie vennootschapsrecht

Voorgesteld wordt de naam van de voorzitter van de Commissie vennootschapsrecht te vermelden.

Artikel 10
Het voorgestelde artikel 10, eerste lid, eerste volzin, van Boek 2 BW noemt vier soorten documenten die beperkingen kunnen inhouden, en het thans geldende artikellid noemt er twee. Daarnaast komt anders dan bij het voorgestelde artikel 14, tweede lid, in het voorgestelde artikel 10, eerste lid de aanduiding "krachtens" niet voor. De toelichting maakt niet duidelijk of hier sprake is van een inhoudelijke wijziging of slechts van een redactiewijziging (zie ook het voorgestelde artikel 1, derde lid).
Voorgesteld wordt de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen.

Artikel 21
In Curaçao worden civiele procedures ingeleid met een verzoekschrift. Daarom wordt voorgesteld in de toelichting op het voorgestelde artikel 21 van Boek 2 BW (pagina 7, eerste tekstblok) “tot dagvaarding overgaan” te vervangen door “een verzoekschrift indienen bij het Gerecht”.

Artikel 26
In de toelichting op het voorgestelde artikel 26 van Boek 2 BW staat dat bij de verwijzing naar artikel 276 de onderlinge verschillen tussen de artikelen 26, 55, 142 en 255 zijn verwijderd (pagina 7, voorlaatste tekstblok). De Raad constateert dat de redactie van het voorgestelde artikel 26 verschilt van die van de voorgestelde artikelen 55, 412 en 255, in die zin dat in het voorgestelde artikel 26 de regeling in twee leden is opgesplitst en in de voorgestelde artikelen 55, 412 en 255 niet.
Voorgesteld wordt het redactionele verschil tussen de hiervoor genoemde artikelen weg te halen.

Artikel 104
Voorgesteld wordt in de toelichting op het voorgestelde artikel 104, derde lid, van Boek 2 BW te vermelden dat veel beursfondsen met gedematerialiseerde aandelen op naam werken en dat de afschaffing van het toonderaandeel dus niet tot afschaffing van het beursgenoteerde aandeel behoeft te leiden. In dat verband wordt bovendien voorgesteld iets op te merken over de praktijk van beursgenoteerde Curaçaose vennootschappen.

Artikel 118
Het voorstel in artikel 118, vierde lid, van Boek 2 BW dat de vervaltermijn vervangen kan worden door een verjaringstermijn wordt niet toegelicht in de memorie van toelichting.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op bovengenoemd punt aan te vullen.

Pagina 16
Voorgesteld wordt op pagina 16, eerste tekstblok, "het Nederlandse recht" te vervangen door “ het recht van Nederland”, omdat de term “Nederlands recht” minder eenduidig is.
 
Het voorgestelde artikel 129, derde lid, laatste volzin, van Boek 2 BW wordt in op pagina 16, laatste volzin, aangeduid als "nog een andere differentiëring". De Raad meent echter dat sprake is van een nadere differentiëring; dat wil zeggen dat zij geldt onverminderd de eerste volzin van het derde lid, anders dan men wellicht zou kunnen afleiden uit het gebruik van de woorden "kan ook".
Voorgesteld wordt de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

Pagina 17
In de toelichting op het voorgestelde artikel 132, derde lid, van Boek 2 BW (pagina 17, vijfde tekstblok) staat vermeld dat aan genoemd artikellid één volzin is toegevoegd. Aan het betreffende artikellid is echter niet één volzin toegevoegd, maar twee.

Voorgesteld wordt de verwijzing in de toelichting naar "artikel 132, vijfde lid en artikel 232, derde lid" te vervangen door “artikel 132, derde lid” (pagina 17, laatste tekstblok).

Pagina 18
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok van pagina 18 "eerste volzin van het derde lid" te vervangen door "tweede volzin van het derde lid".

Pagina 19
Voorgesteld wordt op pagina 19, laatste tekstblok, eerste volzin, "in haar geheel" te vervangen door "in zijn geheel".

Artikel 301, vijfde lid
Voor wat betreft het voorgestelde artikel 301, vijfde lid, van Boek 2 BW wordt voorgesteld in de memorie van toelichting op te nemen dat oude naamloze vennootschappen met aandelen aan toonder kunnen worden omgezet.

Artikel III

Voorgesteld w ordt op pagina 31, onder “Artikel 7”, laatste volzin, “1 januari 2011” te vervangen door “1 januari 2012”.