Adviezen

RvA no. RA/51-20-RW

Uitgebracht op : 21/12/2020
Publicatie datum: 01/04/2021

Voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling (Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling) (zaaknummer 2020/042057)

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 18 november 2020 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 18 december 2020, bericht de Raad u als volgt.                      

Voortraject: het voorstel van rijkswet Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten

Inleiding
 
De Raad heeft op 19 november 2020 een adviesverzoek ontvangen betreffende een voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling (Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling). Aan dat voorstel is vooraf gegaan een voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten waarover de Raad op 31 juli 2020 advies (hierna: advies van 31 juli 2020) heeft uitgebracht.[1] Het voorstel van rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling moet beschouwd worden als een aanpassing van het eerder genoemde voorstel van rijkswet, nadat Curaçao en Nederland in augustus 2020 voor het eerst overleg hebben gevoerd dat gericht was op het bereiken van overeenstemming over het thans voorliggende voorstel van rijkswet. Het (aangepaste) voorstel van rijkswet houdt verband met het beroep van Curaçao op (financiële en personele) bijstand van Nederland op grond van artikel 36 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) en moet in het licht worden gezien van de grote impact van de COVID-19 pandemie op Curaçao.

Het advies van de Raad over de Caribische hervormingsentiteit
 
Het voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten moest zijn grondslag vinden in artikel 38, tweede lid, van het Statuut. Een rijkswet die zijn grondslag vindt in artikel 38, tweede lid, van het Statuut is een consensusrijkswet. In het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad zowel de procedure van totstandkoming van een consensusrijkswet (de voorwaarden voor consensus) alsook de inhoudelijke aspecten van dat eerdere voorstel van rijkswet getoetst. Ook de precaire financiële en sociaaleconomische situatie van het Land – het één en ander versterkt door de gevolgen van de COVID-19 pandemie - en de constatering dat voorgenomen structurele hervormingen door opeenvolgende regeringen nog niet (voldoende) zijn doorgevoerd, zijn in dat advies meermalen aan de orde gekomen.
In het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad enerzijds geconcludeerd dat de procedure om te komen tot consensus niet juist doorlopen was en anderzijds dat het toen voorliggende concept van een voorstel van rijkswet – ingeval van integrale implementatie – ingrijpende staatsrechtelijke gevolgen zou hebben voor Curaçao. De Raad heeft in dat advies immers gesteld dat bepaalde autonome bevoegdheden van het Land en grondbeginselen van de democratische rechtsstaat door het bepaalde in dat voorstel van rijkswet deels aan Curaçao onttrokken of aangetast zouden worden. Op zich hoefde dat echter uit juridisch oogpunt bezien geen breekpunt te zijn. Immers, kunnen – gezien de strekking van artikel 38, tweede lid, van het Statuut - in een rijkswet waaraan consensus van partijen ten grondslag ligt, autonome bevoegdheden en grondbeginselen van de democratische rechtsstaat – ook die welke in de Staatsregeling gestalte krijgen – beperkt of aangetast worden. Ook daar heeft de Raad in zijn advies bij stilgestaan.
Gezien echter het belang van de autonome bevoegdheden en grondbeginselen van de democratische rechtsstaat die in dat voorstel van rijkswet aan de orde waren, heeft de Raad de regering op 31 juli 2020 geadviseerd om alleen dan tot consensus over de inhoud van dat voorstel van rijkswet te komen indien ten minste met de in dat advies van de Raad genoemde aandachtspunten rekening is gehouden, althans om voldoende waarborgen daarin op te nemen om de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat van Curaçao veilig te stellen.
De Raad heeft de regering bij die gelegenheid tevens geadviseerd bij het onderhandelen over de inhoud om te komen tot consensus over een eventuele rijkswet, er wel rekening mee te houden dat zij garanties moet kunnen bieden aan Nederland dat hetgeen overeengekomen wordt, ook daadwerkelijk wordt nagekomen, omdat het nu meer dan ooit van eminent belang is dat zonder enig uitstel structurele hervormingen worden doorgevoerd en positieve resultaten worden geboekt. In dat verband heeft de Raad de regering voorts geadviseerd om bij een eventuele overweging om niet in te stemmen met het voorstel van rijkswet, zoals het toen voorlag, in ieder geval in de afweging te betrekken in hoeverre Curaçao onder de huidige precaire financiële en sociaaleconomische situatie in staat is om op eigen kracht overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van het Statuut zorg te dragen voor de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur.

Het vervolgtraject: het voorstel van rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling

Achtergrond
 
Nederland heeft de door Curaçao verzochte liquiditeitssteun tot nu toe in tranches verleend en aan voorwaarden gekoppeld. Het voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de tweede tranche liquiditeitssteun en het instemmen met het voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling (hierna: het voorstel van rijkswet) met daaraan gekoppeld het landspakket bedoeld in artikel 5 van het voorstel van rijkswet, maken deel uit van het Nederlandse voorwaardenpakket voor verstrekking van de derde tranche liquiditeitssteun aan Curaçao. Het voldoen aan deze voorwaarden (zoals opgenomen in het voorstel van rijkswet en het landspakket) is tevens voorwaardelijk voor het in aanmerking komen voor verdere liquiditeitssteun (vierde tranche en verder) en financiële investeringen en garanties.

De grondslag van het voorliggend voorstel van rijkswet en van het landspakket
 
Volgens de considerans vindt ook dit (aangepaste) voorstel van rijkswet zijn grondslag in artikel 38, tweede lid, van het Statuut. Het daaraan gekoppelde landspakket is een onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut en is op 2 november 2020 vastgesteld in een overeenkomst tussen de regering van Curaçao en de regering van Nederland. Deze overeenkomst kan, nadat partijen daarmee hebben ingestemd, schriftelijk worden gewijzigd en aangevuld. Zie punt 4 van bedoelde overeenkomst d.d. 2 november 2020 gevoegd bij het adviesverzoek (hierna: de overeenkomst).

Artikel 38 van het Statuut

Onderlinge regelingen en het bereiken van consensus
 
De landen van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Koninkrijk) kunnen onderlinge regelingen treffen over alle onderwerpen die tot hun eigen aangelegenheden behoren (artikel 38, eerste lid, van het Statuut). In onderling overleg kan worden bepaald dat een dergelijke regeling en de wijziging daarvan bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld (artikel 38, tweede lid, van het Statuut). Daarbij dient steeds – zowel in het geval van toepassing van het eerste lid als van het tweede lid van artikel 38 van het Statuut - sprake te zijn van overeenstemming, nadat daartoe overleg is geweest over de inhoud en - voor wat betreft het tweede lid van artikel 38 van het Statuut - de vorm waarin de onderlinge regeling gestalte krijgt.
De Raad leidt in dit geval uit de bij het dossier gevoegde stukken en verklaringen daaromtrent van de minister-president van Curaçao tijdens verschillende persconferenties af dat Curaçao en Nederland over het voorliggende voorstel van rijkswet overleg gevoerd hebben gericht op het bereiken van consensus. Wel leidt de Raad uit bij het dossier gevoegde stukken af dat dat overleg kennelijk binnen de kaders diende plaats te vinden die de wezenlijke elementen niet aantasten van het voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De Raad concludeert op basis hiervan dat de onderhandelingsruimte voor Curaçao tijdens deze overleg- en onderhandelingsrondes niet onbeperkt was. 
Toch hebben partijen elkaar kunnen vinden en in elk geval over het landspakket, dat met het voorstel van rijkswet samenhangt, overeenstemming bereikt.
Wat het voorliggend voorstel van rijkswet zelf betreft, heeft de regering van Curaçao ermee ingestemd dat dit aan de Raad van State van het Koninkrijk (hierna: Raad van State) ter advisering wordt voorgelegd. Het voorstel van rijkswet is daarmee in de formele wetgevingsprocedure gebracht. De Raad begrijpt hieruit dat partijen over de essentie van dat voorstel overeenstemming bereikt hebben,[2] zij het dat de regering van Curaçao uitsluitsel over een aantal aspecten wenselijk acht en met dat doel een aantal vragen aan de Raad van State heeft laten voorleggen. Deze vragen houden met name verband met aspecten die de Raad van Advies al in zijn advies van 31 juli 2020 aan de orde heeft gebracht.
De regering heeft inmiddels ook de Staten kunnen inlichten over het voorliggende voorstel van rijkswet en het daarbij behorende landspakket en het gevoelen van de Staten ter zake kunnen inwinnen. De Staten hebben de regering bij motie van 9 oktober 2020 “de noodzakelijke steun in de rug” verleend om de onderhandelingen op ambtelijk niveau af te ronden opdat op politiek niveau ingestemd kan worden met de inhoud van het landspakket en het voorliggende voorstel van rijkswet.
De Raad concludeert dat, in deze fase van de procedure voor totstandbrenging van de onderhavige rijkswet, de juiste weg is bewandeld om te komen tot een op consensus gebaseerde rijkswet. In elk geval blijkt uit de bij het dossier gevoegde stukken, het aangepaste voorstel van rijkswet maar ook uit de manier waarop de bij het voorstel van rijkswet behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) nu is geredigeerd, dat Curaçao enige vorm van inspraak heeft gehad bij de voorbereiding van het voorliggende voorstel van rijkswet. Het is niet uitgesloten dat in het voorstel van rijkswet niet aan alle wensen van Curaçao tegemoet is gekomen. Mocht dit het geval zijn, is dit inherent aan het proces van onderhandelen en dus niet onbegrijpelijk.

Voortijdige beëindiging van een consensusregeling

De mogelijkheid van voortijdige beëindiging in artikel 45 van het voorstel van rijkswet
Artikel 45, tweede lid, van het voorstel van rijkswet bepaalt dat deze rijkswet zes jaar na het tijdstip van inwerkingtreding vervalt, tenzij deze door partijen na wederzijdse overeenstemming verlengd wordt.
Het derde lid van genoemd artikel bepaalt dat deze rijkswet voortijdig kan worden beëindigd. Daarbij is wel onderlinge overeenstemming tussen Curaçao en Nederland vereist.
Deze artikelonderdelen komen geheel overeen met het bepaalde in artikel 44 van het voorstel van rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de voorloper van het onderhavige voorstel van rijkswet.

Het tussentijds wegvallen van consensus
In het advies van 31 juli 2020[3] heeft de Raad opgemerkt dat rijkswetten die krachtens artikel 38, tweede lid, van het Statuut worden vastgesteld, voor hun totstandkoming maar ook voor hun verdere bestaan afhankelijk zijn van voortdurende consensus. In principe zou voortijdige beëindiging van een consensusrijkswet wanneer ter zake geen consensus meer is, dus op elk moment mogelijk moeten zijn. De Raad heeft in genoemd advies echter opgemerkt van oordeel te zijn dat de aard en de inhoud van de voorgenomen hervormingen en de daaraan gekoppelde investeringen in dit geval met zich meebrengen dat partijen voor een lange tijd verplicht aan elkaar gebonden zijn. Dat belet overigens niet dat de mogelijkheid tot beëindiging van een consensusrijkswet zodanig ingericht kan worden dat de partij die niet meer gebonden wenst te blijven, onder bepaalde voorwaarden toch uit die gebondenheid kan treden, zonder dat de andere partij met zijn uittreden ernstig benadeeld wordt.
In dit verband is ook de evaluatiebepaling, opgenomen in artikel 44 van het voorstel van rijkswet, van belang. Op grond van die bepaling zal een onafhankelijke evaluatiecommissie verslag uitbrengen en aanbevelingen doen betreffende de doeltreffendheid en de effecten van de Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling in de praktijk. Over de noodzaak om evaluatiemomenten en meetbare resultaten in het voorstel van rijkswet af te spreken heeft de Raad op pagina 11 van het advies van 31 juli 2020 geadviseerd. Immers, de Raad heeft in dat advies gesteld ervan uit te gaan dat het einddoel van het voorstel van rijkswet op een procesmatige wijze gerealiseerd zal worden en dat tijdens dat proces bijsturing noodzakelijk zal zijn. Daarvoor is nodig dat ijkpunten c.q. criteria van tevoren zijn vastgesteld.  

Aandachtspunten bij het komen tot consensus over het voorstel van rijkswet

Inleiding
 
In het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad de regering ook geadviseerd bijzondere aandacht te besteden aan een aantal aspecten dat van belang is bij het maken van afspraken met Nederland over de in het voorstel van rijkswet geregelde onderwerpen (al dan niet in de vorm van een consensusrijkswet). Naast het aspect van de voortijdige beëindiging van de samenwerking en de evaluatie van die samenwerking (zie hiervoor onder “2. Voortijdige beëindiging van een consensusregeling”) ging het in dat advies ook over de gelijkwaardigheid van de landen in het Koninkrijk en de medezeggenschap van Curaçao in en over de Caribische hervormingsentiteit (hierna: Caribische hervormingsentiteit) (lees nu: Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling (hierna: COHO)), de noodzaak van het voorstel van rijkswet en de bevoegdheden van de Caribische hervormingsentiteit (in dit geval: van het COHO). Of en in welke mate naar het oordeel van de Raad met die aspecten in het voorliggende voorstel van rijkswet rekening gehouden is, volgt hierna.

Gelijkwaardigheid en medezeggenschap
 
Een van de uitgangspunten van het Statuut is de gelijkwaardigheid van de landen binnen het Koninkrijk. In het licht daarvan heeft de Raad in het advies van 31 juli 2020 geopperd dat niet alleen Nederland, maar ook Curaçao bij het voorstel van rijkswet, zeggenschap moet hebben in en over de  Caribische hervormingsentiteit.
De leden van de Caribische hervormingsentiteit zouden benoemd worden door de Nederlandse Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister BZK). Dat is ook voor de leden van het COHO het geval (artikel 8, vijfde lid, van het voorstel van rijkswet). Echter, anders dan bij de  Caribische hervormingsentiteit zal ten minste één lid van het COHO aantoonbare affiniteit moeten hebben met het Caribische deel van het Koninkrijk (artikel 8, vierde lid, van het voorstel van rijkswet). Daarnaast zal met de Minister van Algemene Zaken van Curaçao overleg gevoerd worden over de invulling van de benoemingscriteria voor de leden van het COHO. Op die manier zal volgens de memorie van toelichting (pagina 28, vierde tekstblok) worden gewaarborgd dat de profielschets voor een vacature bij het COHO zoveel mogelijk aansluit bij wat nodig is voor het succesvol functioneren van het COHO in Curaçao.
In de memorie van toelichting wordt voorts gesteld dat van de Minister BZK verwacht wordt dat deze de Minister van Algemene Zaken van Curaçao raadpleegt over een voorgenomen benoeming, met het oog op het creëren van draagvlak hiervoor (pagina’s 6, vierde tekstblok en 28, vierde tekstblok). Bovendien wordt in artikel 8, zevende lid, van het voorstel van rijkswet uitdrukkelijk bepaald dat de leden van het bestuur van het COHO hun functie zonder last of ruggespraak uitoefenen. Dit houdt in dat zij hun functie in onafhankelijkheid van de regeringen van Curaçao en van Nederland behoren uit te oefenen.
Met betrekking tot het bedoelde overleg met en de raadpleging van de Minister van Algemene Zaken van Curaçao over de invulling van de gestelde benoemingscriteria wordt niet als voorwaarde gesteld dat deze tot een compromis moeten leiden tussen de verantwoordelijke Nederlandse en de Curaçaose ministers. Wel gaat de Raad uit het oogpunt van gelijkwaardige partners - en gezien de wens om het COHO succesvol te laten functioneren en om draagvlak te hebben voor een voorgenomen benoeming – ervan uit dat het standpunt van de Minister van Algemene Zaken van Curaçao daadwerkelijk meegenomen wordt in de besluitvorming.

Doel en noodzaak van het voorstel van rijkswet
 
Het voorstel van rijkswet beoogt volgens de considerans een bestuursorgaan met zelfstandige taken en bevoegdheden (het COHO) in te stellen dat ondersteuning zal bieden bij het doorvoeren van hervormingen van bestuurlijke aard, het realiseren van duurzame en houdbare overheidsfinanciën en het versterken van de weerbaarheid van de economie in Curaçao. Het COHO en de Minister van Algemene Zaken van Curaçao werken het landspakket nader uit in een uitvoeringsagenda. In de uitvoeringsagenda zijn projecten, programma’s en maatregelen vervat die vereist zijn voor het bereiken van strategische beleidsdoelen. Ook de prioritering, prestatie-indicatoren, kritische succesfactoren en financieringsmethodiek dienen in de uitvoeringsagenda tot uitdrukking te komen (artikel 6 van het voorstel van rijkswet).  Anders dan uit het oorspronkelijke voorstel van rijkswet kon worden afgeleid, leidt de Raad daaruit af dat de wijze en het tempo waarop aan de beoogde hervormingen gestalte zal worden gegeven, door het COHO en de regering van Curaçao samen bepaald zullen worden. Dit houdt in dat de regering van Curaçao en het COHO het eerst eens dienen te zijn over projecten en dergelijke die tot de beoogde hervormingen moeten leiden en de snelheid waarmee ze doorgevoerd moeten worden.
Uit de bij het dossier gevoegde stukken blijkt niet dat de regering op voorhand bezwaar heeft tegen het instellen van een bestuursorgaan met zelfstandige taken en bevoegdheden. Indien dat wel het geval mocht zijn, zal de regering moeten kunnen aantonen dat Curaçao de beoogde hervormingen ook zonder een dergelijk orgaan kan bewerkstelligen en dat Curaçao daarbij ook zeker kan stellen dat de door Nederland beschikbaar gestelde financiële middelen - die enerzijds in de vorm van een lening, anderzijds in de vorm van investeringen en subsidies ter beschikking gesteld worden - zullen resulteren in het daadwerkelijk investeren, saneren en reorganiseren op verschillende beleidsterreinen.  
De Raad meent dat het in dat geval op de weg van de regering van Curaçao ligt om aan te tonen dat het instellen van het hiervoor bedoelde orgaan, althans van de gekozen structuur, niet proportioneel is met het doel dat gediend moet worden. Daarbij is het van belang dat de regering aangeeft welke garanties zij kan geven dat hetgeen overeengekomen zal worden, ook daadwerkelijk gedurende de looptijd van die overeenkomst c.q. onderlinge regeling zal worden nagekomen, zonder de thans in het voorstel van rijkswet geïncorporeerde garanties voor Nederland.

Bevoegdheden van het COHO

Inleiding
Artikel 4, tweede lid, van het voorstel van rijkswet bepaalt uitdrukkelijk dat het COHO geen bevoegdheden zal uitoefenen die aan een overheidsorgaan toekomen. De regering en de Staten van Curaçao kunnen hun bevoegdheden evenwel slechts uitoefenen met inachtneming van de in de Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling gemaakte afspraken. Vanuit dat opzicht bezien zullen bevoegdheden van de regering en van de Staten strikt genomen ook in dit gewijzigde voorstel van rijkswet, ingeperkt worden. Bij het inperken van die bevoegdheden c.q. de manoeuvreerruimte bij de uitoefening van die bevoegdheden is steeds van belang een afweging te maken tussen aan de ene kant hetgeen wordt ingeperkt en de mate waarin dat gebeurt (het verlies) en aan de andere kant datgene dat daartegenover staat (de winst). Belangrijk aspect hierbij is ook of de regering en de Staten aan bedoelde inperking zelf hebben meegewerkt (inspraak). In hoeverre het aangepaste voorstel van rijkswet desondanks voldoende waarborgen biedt om de bevoegdheden van de regering en de Staten van Curaçao ook onder die omstandigheden veilig te stellen, volgt hierna.

Het budgetrecht van de Staten
 
1°. Algemeen
Met het goedkeuren van een landsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor een bepaald dienstjaar, wordt de regering door de Staten gemachtigd om de daarin begrote uitgaven te verrichten. Door de begrote uitgaven goed te keuren, keuren de Staten als het ware ook het daaraan gekoppelde voorgenomen beleid van de regering goed. Het moeten functioneren binnen de kaders van de Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling zwakt uiteraard direct of indirect de autorisatie-, sturings- en beleidsfunctie van een begroting als een afgeleide van het budgetrecht van de Staten af. Belangrijk is dat bedoelde afzwakking zoveel mogelijk gemitigeerd wordt.
 
2°. Voldoende waarborgen?

De uitwerking van het landspakket, samenspraak bij liquiditeitssteun en periodieke overeenkomsten

Landspakket
Met het oog op de uitvoering van het landspakket kan de Minister BZK bepalen waaraan de financiële middelen die aan het COHO verstrekt zullen worden, besteed moeten worden (artikel 18, tweede lid, van het voorstel van rijkswet). In dat artikellid wordt expliciet een koppeling gemaakt met het landspakket. De projecten, programma’s en maatregelen die vereist zijn voor het bereiken van strategische beleidsdoelen, genoemd in het landspakket, maar ook het tempo (prioritering) waarbinnen de in het landspakket opgenomen projecten moeten worden uitgevoerd en de financieringsmethodiek, worden door het COHO en de Minister van Algemene Zaken van Curaçao samen uitgewerkt in een uitvoeringsagenda (artikel 6 van het voorstel van rijkswet). De Raad gaat er daarom van uit dat het beleid van de regering van Curaçao, welke door de Staten, met de daaraan verbonden uitgaven, geaccordeerd zullen worden, zijn weerslag vindt in het landspakket en de uitvoeringsagenda die daarmee verband houdt.
In het voorstel van rijkswet wordt aldus - in tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel van rijkswet – uitdrukkelijk de medezeggenschap en daarmee ook de medeverantwoordelijkheid van Curaçao geregeld wat de uitvoering van het landspakket betreft.

Liquiditeitssteun
Op pagina 32, eerste tekstblok, van de memorie van toelichting wordt met betrekking tot de liquiditeitssteun gesteld dat een en ander in samenspraak met althans op basis van input en behoeftes van de Minister van Algemene Zaken van Curaçao zal plaatsvinden. Deze liquiditeitssteun dient ter dekking van de noodzakelijke uitgaven op de gewone dienst van de begroting van het land Curaçao (artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van het voorstel van rijkswet) en zal in de vorm van een lening verstrekt worden.

Financiële middelen
Over de hoogte en de aard van de financiële middelen sluit de Minister BZK overeenkomstig het derde lid van genoemd artikel periodiek een overeenkomst met de Minister van Algemene Zaken van Curaçao. Dit laatste heeft zowel betrekking op de financiële middelen die aan het COHO ter beschikking gesteld zullen worden ten behoeve van de uitoefening van zijn taken die gerelateerd zijn aan het landspakket, het verstrekken van subsidies en zijn deelname in aandelenkapitaal in privaatrechtelijke rechtspersonen, als op de liquiditeitssteun die het COHO aan Curaçao kan verstrekken.
 
Het ligt naar het oordeel van de Raad in de rede dat de Minister van Algemene Zaken van Curaçao het gevoelen van de Staten inwint voordat met het COHO-afspraken gemaakt worden over de uitvoeringsagenda bedoeld in artikel 6 van het voorstel van rijkswet respectievelijk overeenkomsten met de Minister BZK als bedoeld in artikel 18 van het voorstel van rijkswet gesloten worden. Daarmee kan de inperking die mogelijk gemaakt wordt op bovenbedoelde autorisatie-, sturings- en beleidsfunctie van de begroting naar het oordeel van de Raad worden gemitigeerd.

Projecten en programma’s die het COHO initieert en de betrokkenheid van Curaçao
De hiervoor aangehaalde betrokkenheid van Curaçao bij het uitwerken van de uitvoeringsagenda van het landspakket lijkt het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het voorstel van rijkswet enigszins te kunnen nuanceren. Immers, de regering van Curaçao zou in principe niet verrast moeten kunnen worden door projecten en programma’s die door het COHO zelf geïnitieerd, bevorderd en uitgevoerd worden, in elk geval niet die welke een publiek karakter hebben. Overigens heeft artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het voorstel volgens de memorie van toelichting (pagina 13, laatste tekstblok) veeleer betrekking op projecten en programma’s met een privaat karakter en niet in eerste instantie op die welke overheid gerelateerd zijn.
 

Verscherpt financieel toezicht: Minister van Algemene Zaken van Curaçao kan zienswijze geven
De Raad constateert dat in het voorliggende voorstel van rijkswet de mogelijkheid om verscherpt financieel toezicht in te stellen op een deel of op alle uitgaven van Curaçao, ook die welke geen verband houden met het landspakket, ongewijzigd gebleven is ten opzichte van het eerdere voorstel van rijkswet. Wel zal de Minister van Algemene Zaken van Curaçao in tegenstelling tot het eerdere voorstel, in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat het verscherpt financieel toezicht wordt ingesteld (artikel 35, derde lid, van het voorstel van rijkswet). De Raad veronderstelt dat daarmee – indien de Minister van Algemene Zaken het standpunt van Curaçao deugdelijk onderbouwd naar voren brengt -  de rechtvaardiging van een in te stellen verscherpt financieel toezicht beter getoetst kan worden.
 
Kortom: de regering en de Staten van Curaçao moeten manoeuvreren binnen de kaders van het bepaalde in dit voorstel van rijkswet, althans hun prioriteiten daarmee in overeenstemming weten te brengen. De constatering dat de Staten geen absolute zeggenschap meer zullen hebben over de allocatie van door Nederland ter beschikking gestelde financiële middelen, inclusief de liquiditeitssteun die in de vorm van een lening verstrekt zal worden, is daarom zeker niet onjuist. Echter, door de Staten bijtijds te informeren en hun gevoelen steeds wanneer dit nodig is in te winnen, kan de Minister van Algemene Zaken van Curaçao bij het mede uitwerken van de uitvoeringsagenda en het sluiten van overeenkomsten als bedoeld in artikel 18 van het voorstel van rijkswet rekening houden met het gevoelen van de Staten.
Daarmee kan zoveel mogelijk voorkomen worden dat de Staten achteraf geconfronteerd worden met onderhandelingsresultaten of beslissingen, die onderdeel zijn geworden van een compromis dat mogelijkerwijs onder druk van de omstandigheden aanvaard wordt. Of dit voldoende zal zijn om de positie van de Staten te waarborgen, zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de wisselwerking tussen de regering en de Staten en de mate van inspraak die Curaçao werkelijk zal hebben bij het uitwerken van de uitvoeringsagenda. Dit impliceert naar het oordeel van de Raad dat documenten waaruit relevante informatie voor de Staten kan blijken, niet te lang vanwege het eventuele vertrouwelijk karakter ervan, voor de Staten achtergehouden moeten worden.

De medewetgevende rol van de Staten
 
1°. Waarborging van de zeggenschap van de Staten
Hervormingen die op grond van het landspakket doorgevoerd moeten worden, houden op een groot aantal punten mede in dat daarvoor de wetgeving ter zake moet worden aangepast of dat nieuwe wetgeving moet worden ingevoerd. Betreft deze wetgeving een regeling op het niveau van een landsverordening, dan is daarvoor de medewerking van de Staten nodig.
Het is onwenselijk dat de Staten als medewetgever pas aan het einde van de ambtelijke voorbereiding van aan het landspakket gerelateerde onderwerpen, geconfronteerd worden met ontwerpen van landsverordeningen waarin deze onderwerpen uitgewerkt en geformaliseerd moeten worden. Ook in dit verband is het daarom van belang dat de Staten in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken worden en dat de regering het gevoelen van de Staten inwint voordat concrete afspraken gemaakt worden die achteraf zullen blijken niet op de steun van een meerderheid in de Staten te kunnen rekenen, althans waarover de Staten feitelijk geen ruimte meer hebben om van het voorgestelde in het ontwerp af te wijken.
 
2°. Voorhangprocedure
In onderdeel V. 5. “b. Het budgetrecht van de Staten” op pagina 13 van het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad aandacht gevraagd om de nodige waarborgen te scheppen om te voorkomen dat de democratische controle door de Staten aan waarde inboet. Door de algemene formulering van het landspakket Curaçao (slechts in hoofdlijnen) en de mogelijkheid om het landspakket Curaçao naderhand te wijzigen of aan te vullen kan deze democratische controle onopgemerkt worden uitgehold, omdat de Staten daar formeel buiten staan. Om dit zoveel mogelijk te voorkomen is in het advies van 31 juli 2020 voorgesteld om in het voorstel van rijkswet een zogenoemde voorhangprocedure op te nemen. Deze voorhangprocedure zou vooraf moeten gaan aan het vaststellen van het Landspakket Curaçao of een wijziging of aanvulling daarvan. Daarmee wordt ook zoveel mogelijk voorkomen dat de Staten achteraf geconfronteerd worden met onderhandelingsresultaten of beslissingen, die onderdeel zijn geworden van een compromis dat mogelijkerwijs onder druk van de omstandigheden aanvaard wordt. 
De Raad adviseert de regering ook ten aanzien van het onderhavige voorstel van rijkswet de afweging te maken of een dergelijke voorhangprocedure moet worden opgenomen.

Democratische controle en ministeriële verantwoordelijkheid
 
1°. De zelfstandigheid van het COHO
Uit het voorstel van rijkswet blijkt dat het COHO feitelijk in volledige onafhankelijkheid van het Curaçaose bestuur kan opereren en dat de Staten van Curaçao geen rechtstreekse democratische controle op de taakvervulling door het COHO kunnen uitoefenen. Dit volgt onder andere uit het gegeven dat het COHO met betrekking tot de in het landspakket bepaalde onderwerpen zelf kan bepalen of en wanneer deze geïnitieerd, bevorderd of uitgevoerd moeten worden (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het voorstel van rijkswet). Bij wijze van voorbeeld wordt in de memorie van toelichting (pagina 4, derde tekstblok) aangegeven dat het COHO zelf kan besluiten om een bepaald economisch project op te starten of om een als voorwaarde overeengekomen hervorming op een bepaalde wijze vorm te geven.
 
2°. De zelfstandigheid van het COHO ingekaderd in samenhang met ministeriële verantwoordelijkheid
In de memorie van toelichting wordt op pagina’s 15, laatste tekstblok en 16, eerste tekstblok, benadrukt dat de beoordelingsruimte van het COHO om projecten en maatregelen in gang te zetten in principiële zin begrensd is door het doel van zijn instelling (artikel 3) en door de afspraken tussen Nederland en Curaçao in het landspakket (artikel 5, eerste lid). Daarmee moet volgens de memorie van toelichting gewaarborgd zijn dat het COHO zich niet begeeft op autonome beleidsterreinen, wanneer een dergelijk optreden niet voorafgaand daaraan democratisch is gesanctioneerd. Uitgangspunt van het stelsel dat met het voorliggend voorstel van rijkswet en het landspakket in het leven wordt geroepen, is volgens de memorie van toelichting voorts dat op een fundamenteel niveau voorspelbaar moet zijn waartoe de landsorganen en overheidsbedrijven van Curaçao verzocht kunnen worden hun bevoegdheden in te zetten. Bovendien geldt volgens de memorie van toelichting (pagina 16, tweede tekstblok) dat van een landsorgaan dat door een bevoegdheidsovertreding van het COHO getroffen wordt, niet verwacht kan worden dat hij in een dergelijke situatie aan een project of maatregel meewerkt. 
Ten aanzien van projecten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het voorstel van rijkswet geldt dat het COHO in beginsel niet zal starten met of anderszins zal deelnemen in een project op deze grondslag, zonder eerst overleg te hebben gevoerd met de minister van Curaçao op wiens beleidsterrein dat project ligt (artikel 26 en de memorie van toelichting pagina 16, derde tekstblok). Deze minister dient op hoofdlijnen reeds te hebben ingestemd met zo’n project, maar zal volgens de memorie van toelichting, indien een project aan publieke belangen raakt, ook over de uitvoering hiervan willen meepraten.
Het COHO kan beleidskeuzes maken die op het beleids- en werkterrein van een minister van Curaçao liggen. Echter, Curaçao en Nederland hebben reeds overeenstemming bereikt over de inhoud van het landspakket. Het lijkt daarom voor de hand te liggen dat in het landspakket in algemene zin reeds met het regeringsbeleid rekening gehouden is.[4] Bovendien wordt de beoordelingsruimte van het COHO door dat landspakket begrensd en krijgt de Minister van Algemene Zaken van Curaçao in dit aangepaste voorstel van rijkswet inspraak bij het nader uitwerken van het landspakket (artikel 6 van het voorstel van rijkswet).
Zoals aangegeven in het advies van 31 juli 2020 wordt algemeen aangenomen dat een minister alleen verantwoordelijk kan worden gehouden als hij ook de bevoegdheden heeft om die verantwoordelijkheid waar te maken: zonder bevoegdheid geen verantwoordelijkheid.[5] Het uitgangspunt blijft om deze reden dat een minister van Curaçao alleen verantwoordelijk kan worden gehouden als hij ook de bevoegdheden heeft om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Hoe minder bevoegdheden en zeggenschap de minister overhoudt nadat aan de artikelen 4, eerste lid en 22, eerste lid, van het voorstel van rijkswet uitvoering is gegeven, hoe minder het voor de hand ligt dat de minister zich voor de Staten kan verantwoorden voor zaken die weliswaar binnen zijn ministerie uitgevoerd worden, maar die buiten hem om en zonder enige aansturing of mogelijkheid van beïnvloeding van zijn kant plaatsvinden. Bij de nadere uitwerking van het landspakket zal door Curaçao daarom getracht moeten worden het betrokken regeringsbeleid nader te concretiseren en dit zoveel mogelijk in de uitvoeringsagenda (artikel 6 van het voorstel van rijkswet) en in het plan van aanpak waarover met Curaçao overleg zal worden gevoerd (artikel 22 van het voorstel van rijkswet) tot uitdrukking te doen komen. De regering van Curaçao zal daarbij uiteraard actief moeten participeren aan overlegsessies en haar standpunten goed onderbouwd kracht moeten bijzetten zodat die het COHO, respectievelijk Nederland kunnen overtuigen. Voor een optimale participatie aan bedoelde overlegtrajecten is van belang dat de regering gedegen ondersteuning krijgt van de betrokken beleidsministeries.

Inhoudelijke opmerkingen

Het voorstel van rijkswet

Het COHO als projectuitvoerder versus het COHO als toezichthouder (artikel 4)
Het COHO kan op grond van onderdeel b van het eerste lid van artikel 4 van het voorstel van rijkswet zelf (nieuwe) projecten initiëren, bevorderen en uitvoeren. Volgens onderdeel a van het eerste lid van ditzelfde artikel heeft het COHO tevens tot taak het houden van toezicht op de ontwikkeling en uitvoering van projecten. Het COHO kan met andere woorden zowel projectuitvoerder als toezichthouder op dezelfde projecten zijn.[6] De Raad is van oordeel dat hiermee geen rekening is gehouden in het voorstel van rijkswet en acht dit niet gewenst.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 4 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.

Belangenverstrengeling en onpartijdigheid (artikel 7)
In het tweede lid van artikel 7 van het voorstel van rijkswet wordt geregeld dat het COHO en het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (hierna: Cft) een samenwerkingsprotocol vaststellen. Volgens de toelichting op dit artikel is dit om te voorkomen dat deze twee organisaties in elkaars vaarwater komen waardoor een effectieve en efficiënte taakuitoefening door beiden wordt belemmerd. Het Cft heeft immers op grond van het eerste en tweede lid van artikel 35 van het voorstel van rijkswet een adviseringsrol in het proces tot het instellen van verscherpt financieel toezicht en, indien ingesteld, bij de uitvoering daarvan. Uit het voorstel van rijkswet en de memorie van toelichting volgt niet op welke wijze de onpartijdigheid van het Cft gewaarborgd zal worden en (de schijn)belangenverstrengeling voorkomen zal worden.[7]
De Raad vraagt aandacht voor het bovenstaande.

Benoembaarheid van leden (artikel 8)
Artikel 8 van het voorstel van rijkswet gaat over de samenstelling van het COHO, de benoembaarheid van de leden en de besluitvorming. De Raad mist in dit voorstel van rijkswet  regels over een drietal onderwerpen met betrekking tot de benoembaarheid van de leden van het COHO dat niet in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen voorkomt maar dat naar zijn oordeel regeling behoeft en niet overgelaten kan worden aan het in artikel 10 van het voorstel van rijkswet genoemde bestuursreglement:[8]

regels met betrekking tot de benoemingsvereisten voor de leden. Hierbij gaat het om onder meer de nationaliteit, leeftijd, woonplaats en een profielschets.

regels over de bloed- en aanverwantschap, huwelijkse status of de status van (geregistreerd) partnerschap tussen leden onderling. Hierbij gaat het om de graad van bloed- of aanverwantschap en het verbod op het bestaan van een huwelijk of partnerschap tussen leden.

de vervanging van de voorzitter bij belet of ontstentenis. 
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorstel van rijkswet aan te laten vullen.

Incompatibiliteiten (artikel 9)
In artikel 9 van het voorstel van rijkswet worden de incompatibiliteiten van de leden van het COHO geregeld. De Raad is van oordeel dat in onderdeel i van dit artikel ook de kinderombudsman opgenomen moet worden.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel i van artikel 9 van het voorstel van rijkswet te laten aanpassen.

Het jaarverslag en de uitvoeringsrapportage (artikelen 16 en 17)
 
1°. De term “het bestuur”
Het jaarverslag van het COHO dient volgens het eerste lid van artikel 16 van het voorstel van rijkswet aan het bestuur en aan de Staten van Curaçao te worden gezonden. Door in dit artikellid “het bestuur” te schrijven wordt de indruk gewekt dat het jaarverslag van het COHO naar het bestuur van het COHO zelf gestuurd moet worden, aangezien in artikel 1 van het voorstel van rijkswet de term “bestuur” wordt gedefinieerd als “het bestuur van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling, bedoeld in artikel 8”. Volgens de Raad dient deze discrepantie in het eerste lid van artikel 16 opgeheven te worden.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 16 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.
 
2°. Termijn
Volgens het tweede lid van artikel 16 van het voorstel van rijkswet wordt de Minister van Algemene Zaken van Curaçao in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. De Raad mist in het voorstel van rijkswet een termijn waarbinnen de Minister van Algemene Zaken van Curaçao moet reageren. Aangezien in de toelichting op dit artikel wordt aangegeven dat de inhoud van een jaarverslag normaal gesproken de grondslag vormt voor de toepassing van de bevoegdheid van de Nederlandse ministerraad op grond van artikel 18 om de ter beschikkingstelling van financiële middelen geheel of gedeeltelijk op te schorten of stop te zetten, is het van belang dat de desbetreffende minister voldoende tijd krijgt om te reageren.
Ook ten aanzien van het geven van gelegenheid aan de Minister van Algemene Zaken van Curaçao om op grond van het tweede lid van artikel 17 van het voorstel van rijkswet zijn zienswijze te geven over de uitvoeringsrapportage ontbreekt een (redelijke) termijn.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de artikelen 16, tweede lid en 17, tweede lid, van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.
 
3°. Het verzenden van het jaarverslag
Voorts wordt in de toelichting op artikel 16 van het voorstel van rijkswet aangegeven dat het jaarverslag naar de Staten-Generaal en de ministerraad van Curaçao zal worden toegestuurd. De Raad ziet dit echter niet terug in artikel 16 van het voorstel van rijkswet.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 16 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.

Middelen ter beschikking van het COHO (artikel 18)
 
1°. De gevolgen van het gestelde in het jaarverslag of de uitvoeringsrapportage
Volgens het vierde lid van artikel 18 van het voorstel van rijkswet kan de Minister BZK in overeenstemming met de ministerraad van Nederland beslissen om het ter beschikking stellen van financiële middelen aan het COHO met betrekking tot Curaçao geheel of gedeeltelijk op te schorten of stop te zetten. Dit kan volgens het artikellid gebeuren indien het COHO in het jaarverslag (artikel 16) of in een uitvoeringsrapportage (artikel 17) constateert dat Curaçao zich onvoldoende inspant om de verplichtingen na te komen die bij of krachtens de onderhavige rijkswet op Curaçao rusten. De Raad mist in de memorie van toelichting een uiteenzetting op welke wijze omgegaan zal worden met de gevolgen van het opschorten of stopzetten van de financiële steun met betrekking tot Curaçao.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te laten passen.
 
2°. Zwaarwegend belang
In het vijfde lid van artikel 18 van het voorstel van rijkswet wordt kortgezegd bepaald dat de ministerraad van Nederland door tussenkomst van de Minister BZK financiële middelen geheel of gedeeltelijk kan opschorten of stopzetten indien een zwaarwegend belang dit vergt. In de toelichting op dit artikellid wordt slechts aangegeven dat dit zwaarwegend belang niet alleen door een puur Nederlands belang kan worden gevormd maar dat het tevens ingegeven moet zijn door de omstandigheden binnen Curaçao of binnen het Koninkrijk in bredere zin. De Raad is van oordeel dat met betrekking tot dit zwaarwegend belang een uitgebreidere toelichting gewenst is in de memorie van toelichting, waarin bijvoorbeeld ingegaan wordt op de soorten gevallen of gronden die een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, zouden kunnen opleveren.[9]
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de memorie van toelichting aan te laten passen.
  
3°. Termijn
Volgens het zesde lid van artikel 18 van het voorstel van rijkswet wordt de Minister van Algemene Zaken van Curaçao in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat besloten wordt om de financiële middelen aan het COHO ten aanzien van Curaçao op te schorten of stop te zetten. De Raad mist in het voorstel van rijkswet een termijn waarbinnen de Minister van Algemene Zaken van Curaçao moet reageren.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 18, zesde lid, van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.

Weigeringsgronden ten aanzien informatie-uitwisseling (artikel 20)
Artikel 20 van het voorstel van rijkswet regelt onder meer de informatie-uitwisseling tussen het COHO en de overheidsorganen en overheidsbedrijven van Curaçao. Volgens de toelichting op dit artikel zijn er grenzen aan deze informatie-uitwisseling die gelegen zijn in de grondrechten, zoals beschermd in internationale mensenrechtenverdragen waaraan het Koninkrijk is gebonden. De Raad is van oordeel dat de weigeringsgronden die een begrenzing leggen aan de informatie-uitwisseling in de tekst van het voorstel van rijkswet opgenomen moeten worden.[10]
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 20 van het voorstel van rijkswet te laten aanpassen.

Het geven van een aanwijzing ten aanzien van programma’s (artikelen 26 en 28)
Volgens onderdeel a van artikel 26 van het voorstel van rijkswet kan het COHO-projecten en programma’s ontwikkelen en beheren. In artikel 28 van dit voorstel van rijkswet wordt bepaald dat de Minister BZK een aanwijzing aan het COHO kan geven met betrekking tot het initiëren, bevorderen en uitvoeren van projecten. Het is niet duidelijk of de Minister BZK ook de bevoegdheid zou moeten hebben om het COHO aanwijzingen te geven met betrekking tot het initiëren, bevorderen en uitvoeren van programma’s.
De Raad vraagt aandacht voor het bovenstaande.

Bezwaar en beroep (artikelen 29 en 33) [11]
 
1°. Bestuurlijke heroverweging
Artikel 29 van het voorstel van rijkswet gaat over onder meer het verstrekken van subsidies door het COHO aan burgers en privaatrechtelijke rechtspersonen met inbegrip van overheidsbedrijven. Volgens het derde lid van dat artikel is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van bedoelde subsidies. In het vierde lid van artikel 33 van het voorstel van rijkswet is het volgens de Raad de bedoeling geweest dat de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6 van de Landsverordening administratieve rechtspraak van Curaçao van overeenkomstige toepassing worden verklaard op deze subsidie-beschikkingen.[12] Vanwege het feit echter dat hoofdstuk 4 van deze landsverordening en de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing worden verklaard op subsidie-beschikkingen, komt de Raad tot de conclusie dat bestuurlijke heroverweging niet mogelijk is. De Raad is van oordeel dat in het kader van de rechtsbescherming het mogelijk gemaakt moet worden dat de aanvrager van een subsidie een bezwaarschrift mag indienen bij het COHO dan wel dat beroep op een administratieve rechter open moet staan. Indien dit niet gewenst is, dan moet uit de memorie van toelichting blijken om welke reden bestuurlijke heroverweging ten aanzien van de subsidie-beschikkingen in het voorstel van rijkswet niet mogelijk is.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorstel van rijkswet en, indien daartoe aanleiding bestaat, de memorie van toelichting te laten aanpassen.
 
2°. Het uitblijven van een beschikking
In artikel 33 van het voorstel van rijkswet wordt de rechtsbescherming ten aanzien van de subsidie geregeld. Uit de eerste volzin van de toelichting op dit artikel volgt dat ook tegen de afwijzing van een beschikking beroep openstaat bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De Raad is van oordeel dat de mogelijkheid om beroep tegen een afwijzende beschikking aan te tekenen niet in de memorie van toelichting maar in het voorstel van rijkswet opgenomen moet worden.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 33 van het voorstel van rijkswet te laten aanpassen.
 
3°. De term “administratief beroep”
Uit de laatste volzin van de toelichting op artikel 33 van het voorstel van rijkswet volgt dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba regels zal hanteren die in de Landsverordeningen van Curaçao zijn opgenomen over “het administratief beroep”. Administratief beroep is beroep op een hoger bestuursorgaan na bezwaar bij hetzelfde bestuursorgaan. Administratief beroep is op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak van Curaçao niet meer mogelijk.[13] Beroep instellen geschiedt bij de bestuursrechter en daarop is wel hoger beroep mogelijk.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de toelichting op artikel 33 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.

Verscherpt financieel toezicht (artikelen 35, 36 en 41)
 
1°. Samenval van bevoegdheden
In de artikelen 35 tot en met 42 van het voorstel van rijkswet wordt het instellen van verscherpt financieel toezicht geregeld.[14] Het verscherpt financieel toezicht zal volgens het eerste lid van artikel 35 van het voorstel van rijkswet uitgeoefend worden door het Cft. Het Cft treedt op grond van de artikelen 13 en 20 van de Rft ook als adviseur op ten aanzien van het voornemen tot het geven van een aanwijzing door de RMR. In de praktijk kan aldus volgens de Raad een samenval van bevoegdheden voorkomen. Duidelijk dient te worden gemaakt op welke wijze hiermee omgegaan zal worden en welke bevoegdheid in een dergelijk geval voorrang heeft.
De Raad vraagt aandacht hiervoor.
 
2°. Andere juridische grenzen
In de toelichting op artikel 36 van het voorstel van rijkswet wordt aangegeven dat er naast mogelijke strijdigheid met de Rijkswet Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling, de Rft of de eigen begroting, ook andere juridische grenzen kunnen zijn waaraan het Cft kan toetsen. Het is niet duidelijk welke andere juridische grenzen hiermee bedoeld worden.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de toelichting op artikel 36 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.
  
3°. Beëindiging
Uit het eerste lid van artikel 41 van het voorstel van rijkswet volgt dat het verscherpte financieel toezicht op advies van het Cft door het COHO onderscheidenlijk door de Minister BZK kan worden beëindigd. De Raad is van oordeel dat het COHO niet bevoegd zou moeten zijn om een door de Minister BZK, op grond van het tweede lid van artikel 35 van het voorstel van rijkswet, ingestelde verscherpte financieel toezicht te beëindigen.[15]
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 41 van het voorstel van rijkswet aan te laten passen.

Kroonberoep (artikel 42)
 
1°. Geen beroep maar bezwaar
In artikel 42 van het voorstel van rijkswet wordt het kroonberoep geregeld tegen het besluit om verscherpt financieel toezicht in te stellen. Volgens de Raad is dit kroonberoep, alsmede het kroonberoep geregeld in artikel 26 van de Rft, geen beroepsprocedure. Het is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht van Nederland een bezwaarprocedure aangezien hetzelfde orgaan dat aanvankelijk een oordeel heeft gegeven, te weten de Koning in zijn hoedanigheid van hoofd van het Koninkrijk, ook een eindoordeel zal geven over het bezwaar van de regering van een land. De Koning zal met andere woorden in zijn Koninklijk besluit op het beroep van een Landsregering een oordeel moeten uitspreken over zijn eigen eerdere Koninklijk besluit waarin verscherpt financieel toezicht is ingesteld. Aangezien de landen van het Caribisch deel van het Koninkrijk de facto niet in een gelijke of gelijkwaardige verhouding tot de RMR staan, is de aanwezigheid van een rechterlijke beoordeling bij conflicten tussen deze landen en de Koninkrijksregering van cruciaal belang. Juist vanwege de samenval van Nederlandse en Koninkrijksinstellingen is volgens de Raad de ideale situatie dat conflictbeslechting ver wordt gezet van de betrokken regeringen, waaronder de Koninkrijksregering, en in handen wordt gelegd van een onafhankelijke rechterlijke instantie ter waarborging van de nodige (schijn van)( on)partijdigheid. De Raad is, zoals reeds in zijn voorgaande adviezen is aangegeven[16], van oordeel dat al het nodige gedaan moet worden voor het instellen van een onafhankelijke instantie ter beslechting van geschillen tussen de landen van het Koninkrijk.
De Raad adviseert de regering artikel 40 van het voorstel van rijkswet met inachtneming van het bovenstaande te laten wijzigen.
 
2°. Termijnen
Volgens het eerste lid van artikel 42 van het voorstel van rijkswet staat tegen het besluit tot het opleggen van verscherpt financieel toezicht binnen veertien dagen beroep open bij de RMR. Op grond van het eerste lid van artikel 26 van de Rft staat beroep open gedurende dertig dagen. Het is niet duidelijk om welke reden er een verschil bestaat in de termijnen voor het aantekenen van bedoelde beroepen in de Rft en het voorstel van rijkswet.
De Raad vraagt aandacht hiervoor.
 

Evaluatie (artikel 44)
In artikel 44 van het voorstel van rijkswet wordt de evaluatie van de rijkswet geregeld. Een evaluatiecommissie zal op grond van het vierde lid een verslag uitbrengen aan de RMR. Dit verslag zal op grond van het eerste lid aan de vertegenwoordigende lichamen van Nederland en Curaçao worden gestuurd. De Raad is van oordeel dat dit verslag ook aan de regering van Curaçao als belanghebbende gezonden zou moeten worden.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande artikel 44 van het voorstel van rijkswet te laten aanpassen.

De memorie van toelichting
 
Het aantal landspakketten
Het is de Raad opgevallen dat in het voorstel van rijkswet en de memorie van toelichting op meerdere plekken gesproken wordt van “landspakketten”. Als voorbeeld wordt met name verwezen naar § 3. “Werkwijze” op pagina’s 8 en 9 van de memorie van toelichting. Het is niet duidelijk of het de bedoeling is om slechts één landspakket te hebben of dat het tegelijkertijd overeenkomen van meerdere landspakketten mogelijk is.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorstel van rijkswet en de memorie van toelichting aan te laten passen.

Het Landspakket

Financiële gevolgen voor de overheid
Vanwege de hedendaagse sociaal-maatschappelijke en financieel-economische situatie in Curaçao zijn hervormingen dringend nodig. Volgens de Raad wordt terecht in de memorie van toelichting vermeld dat de economie en de overheidsfinanciën sinds het bestaan van het land Curaçao per 10 oktober 2010, fragiel zijn. Met het uitbreken van de COVID-19 pandemie, waarvan de gevolgen op Curaçao sinds maart 2020 in extreme mate voelbaar zijn, is de algehele situatie op Curaçao dermate verslechterd dat zonder liquiditeitssteun van Nederland – die sinds april 2020 beschikbaar is gekomen - , Curaçao op korte termijn niet in staat zou zijn de overheidstaken naar behoren uit te voeren. Volgens de Raad is Curaçao om tal van redenen niet in staat (geweest) om op eigen kracht de noodzakelijke hervormingen door te voeren teneinde de economie op orde te krijgen.
Thans worden hervormingen voorbereid die onder auspiciën van het COHO zullen worden uitgevoerd. Ten aanzien van de bekostiging van de hervormingen wordt in het landspakket vermeld (pagina 4 – tweede alinea) dat de dekking voor hervormingen en investeringen in principe op de eigen begroting van Curaçao gevonden dient te worden.   
In een andere passage, namelijk in paragraaf 2.4 van de memorie van toelichting (pagina’s 6 en 7) wordt aangegeven dat het COHO de komende zes jaar over de nodige financiële middelen moet kunnen beschikken, onder andere gezien het feit dat Curaçao bij de ontwikkeling en uitvoering van de hervormingsprogramma’s naar verwachting geconfronteerd wordt met een gebrek aan middelen (financieel en materieel), capaciteit en voldoende (gekwalificeerd) personeel. Volgens de Raad sluit het geconstateerde met betrekking tot de middelen goed aan bij de Curaçaose realiteit, dit gegeven het feit dat de laatste jaren op advies van het Cft, omwille van steeds terugvallende overheidsinkomsten, reeds flink is bezuinigd op de overheidsbegroting die structureel tekorten heeft vertoond.
Gezien het feit dat de regering zich gecommitteerd heeft aan het uitvoeren van de hervormingen is volgens de Raad door de overheid - ondanks de precaire stand van de overheidsfinanciën - de bereidheid uitgesproken voor het naar vermogen dragen van c.q. delen in de aan de hervormingen verbonden kosten. De kwantificering van de aan Curaçao toe te rekenen kosten zal pas gestalte krijgen nadat de hervormingen gedegen geconcretiseerd zijn en een verdeling van de verwachte kosten overeengekomen is tussen het COHO en Curaçao.
Hoe hoog deze kosten zullen zijn en hoe de spreiding hiervan over de verschillende jaren in de periode 2021-2027 zal plaatsvinden, kan volgens de Raad derhalve in deze fase nog niet in kaart worden gebracht.
Evident is volgens de Raad dat - gegeven de huidige stand van de overheidsfinanciën – het een grote uitdaging wordt als omvangrijke kosten binnen de begroting zullen moeten worden opgevangen. Gelet op de verantwoordelijkheid van de regering en het momentum dat thans bestaat als resultante van de tot nu toe geleverde inspanningen door beide partijen (Curaçao en Nederland) wordt de regering geadviseerd alvast te anticiperen op aan te wijzen dekking in de aan de Staten aangeboden ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2021. In ieder geval geeft de Raad de regering in overweging zich optimaal in te zetten opdat het vertrouwen in de overheid blijft behouden en door het COHO de bereidheid wordt getoond de tekortschietende middelen aan te vullen opdat de hervormingen conform planning met goed gevolg kunnen worden afgerond.[17]

Succes-indicatoren
Volgens artikel 3 van het voorstel van rijkswet heeft het COHO ten behoeve van het welzijn van de bevolking van Curaçao tot doel om te bevorderen dat hervormingen van bestuurlijke aard worden doorgevoerd, duurzaam houdbare overheidsfinanciën worden gerealiseerd en de weerbaarheid van de economie wordt versterkt, met inbegrip van de rechtsstatelijke inbedding die daarvoor nodig is. 
Zoals de doelen in het landspakket thans zijn geformuleerd, rijst volgens de Raad[18] de vraag hoe bij een evaluatie gemeten zal worden of de vooraf vastgestelde doelen in voldoende mate gerealiseerd zijn. In dit verband is het volgens de Raad relevant vooraf een nulmeting te doen en normen vast te stellen opdat bij evaluaties in de toekomst handvatten bestaan voor de meting van de mate waarin doelen zijn gerealiseerd. Derhalve is het volgens de Raad zaak om de doelen die worden nagestreefd met het instellen van de entiteit – zoals duurzaam houdbare overheidsfinanciën, het versterken van de weerbaarheid van de economie, enz. en de invloed van deze doelen op het welzijn van de bevolking - zoveel als mogelijk te koppelen aan normen en deze normen zo concreet mogelijk langs het SMART-principe te formuleren.
De Raad vraagt de aandacht van de regering hiervoor.

Opschorting steunverlening
Het COHO kan de in artikel 21 van het voorstel van rijkswet bedoelde steunverlening geheel of gedeeltelijk opschorten onder de in artikel 24, eerste lid, en artikel 40, eerste lid, genoemde gevallen. De Raad wenst erop te wijzen dat indien het COHO over moet gaan tot gehele of gedeeltelijke opschorting van de steunverlening dit gepaard kan gaan met (aanzienlijke) verspilling van schaarse middelen en het tot dan opgebouwde momentum teniet zal doen, waarmee vooral schade zal worden berokkend aan de zijde van Curaçao. Om deze zeer ongewenste situatie te vermijden wordt de regering geadviseerd – desnoods middels een intern bewustwordingstraject – bij de overheidsdiensten en overheidsbedrijven van Curaçao, het belang van een optimale samenwerking met het COHO te benadrukken opdat hiermee de kans op succes bij het behalen van de beoogde doelen kan worden vergroot. 

Kosten en effectiviteit publieke sector
 
In het landspakket wordt in onderdeel “B. Kosten en effectiviteit publieke sector” (pagina 5) –vermeld dat de maatregelen gericht op verlaging van salarissen en versobering van arbeidsvoorwaarden in de publieke sector tot doel hebben de public wage bill (loonkosten) in lijn te brengen met het Caribisch gemiddelde van 10 procent van het Bruto Binnenlands Product (hierna: BBP), rekening houdend met landspecifieke factoren.
Ten aanzien van dit doel kan worden vermeld dat uit het voorstel van rijkswet niet op te maken is welke loonkosten de public wage bill allemaal omvat. Indien de public wage bill alleen de loonkosten betreft van de ambtenaren en niet van de gehele collectieve sector dan geldt volgens de Raad dat de public wage bill in Curaçao in de recente jaren circa 2 procentpunt dan wel circa 20% lager heeft gelegen ten opzichte van hetgeen middels dit voorstel van rijkswet wordt beoogd. Voor een overzicht van de loonkosten van (enkel) de ambtenaren wordt naar onderstaande tabel verwezen die gebaseerd is op cijfers uit de derde kwartaalrapportage 2020, uitgegeven door het Ministerie van Financiën.   
 

Jaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

BBP (x 1 NAf miljoen)

5.624

5.589

5.579

5.599

5.552

-

Beloning van personeel (x NAf 1 miljoen)

431,5

441,1

445,2

442,9

445,1

480,4

Beloning van personeel in % BBP

7,7

7,9

8

7,9

8

-

De regering wordt geadviseerd bij de uitwerking van het onderdeel “Kosten en effectiviteit publieke sector” in het landspakket rekening te houden met de bovenstaande constatering.

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
 
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

Conclusie
 
Vergeleken met het voorstel van Rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten is het voorliggende voorstel van rijkswet op een aantal punten aangepast. Bij een aantal van die punten is evident rekening gehouden met de noodzaak om zoveel mogelijk betrokkenheid te hebben van Curaçao bij het proces van besluitvorming door het COHO en door de Minister BZK. Met name de betrokkenheid van Curaçao bij het uitwerken van het landspakket in een uitvoeringsagenda (artikel 6) springt daarbij in het oog. Bovendien worden de bedoelingen van Curaçao en Nederland en de kaders waarbinnen het COHO functioneert in de memorie van toelichting duidelijker dan in de vorige versie uiteengezet. Het COHO kan alleen hervormingen, projecten, programma’s en maatregelen entameren, waarmee Curaçao op hoofdlijnen vooraf zelf eerst heeft ingestemd. Daarnaast is ten aanzien van de samenstelling van het COHO een rol weggelegd voor Curaçao. In de uitvoering verwacht de Raad dat partijen (Curaçao en Nederland) de Rijkswet houdende regels omtrent de instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling conform die bedoeling en binnen bedoelde kaders zullen blijven uitleggen en uitvoeren.
Uit de voorgaande onderdelen van dit advies blijkt ook dat het voorliggende voorstel van rijkswet niet op alle onderdelen die de Raad in zijn advies van 31 juli 2020 heeft aangehaald, is aangepast. Voor een voorstel van rijkswet waarvan de inhoud afhankelijk is van het resultaat van onderhandelingen tussen partijen, is dit niet onbegrijpelijk.
De Raad heeft in zijn advies van 31 juli 2020 ernstige bedenkingen geuit betreffende het voorstel van Rijkswet houdende regels omtrent de instelling van de Caribische hervormingsentiteit in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. In het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad argumenten aangereikt die de regering in de onderhandelingen ter zake met Nederland kon gebruiken. De Raad gaat ervan uit dat in het onderhandelingsproces dat in de afgelopen periode heeft plaatsgevonden, (politieke) afwegingen gemaakt zijn waarbij met de verschillende belangen die in het geding zijn, rekening is gehouden. Het resultaat van die onderhandelingen komt tot uitdrukking in het voorliggende voorstel van rijkswet. Gezien de precaire financiële en sociaal-economische omstandigheden van het Land en de mogelijkheid dat voor nog verdergaande maatregelen gekozen zal moeten worden om de gezondheidszorg en het leven van inwoners van Curaçao zeker te kunnen stellen, meent de Raad dat het primair op de weg van de regering van Curaçao ligt om zelf een (politieke) afweging te maken tussen de verschillende belangen die in het geding zijn. De Raad wijst er volledigheidshalve wederom op dat artikel 38, tweede lid, van het Statuut juridische grondslag biedt om in een rijkswet waaraan consensus van partijen ten grondslag ligt, ook autonome bevoegdheden en grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, zelfs die welke in de Staatsregeling gestalte krijgen, te beperken c.q. aan te tasten.
Bij een eventuele overweging van het land Curaçao om al dan niet in te stemmen met het voorliggend voorstel van rijkswet wordt wederom geadviseerd om in ieder geval in de afweging te betrekken in hoeverre Curaçao onder de huidige precaire financiële en sociaal-economische situatie in staat is om op eigen kracht overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van het Statuut zorg te dragen voor de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur. Voor een uitgebreide uiteenzetting van de stappen die aan het toepassen van artikel 43, tweede lid, van het Statuut vooraf moeten gaan, verwijst de Raad naar onderdeel “VIII. De waarborgtaak van het Koninkrijk” van zijn in dit advies meermalen aangehaalde advies van 31 juli 2020.
  
 
Willemstad, 21 december 2020
  
de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,
 
  
____________________                                            _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla
 
 
 Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/51-20-RW

Zowel het voorstel van rijkswet als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

Het ontwerp

Algemeen
Voorgesteld wordt om telkens in de tekst van het voorstel van rijkswet waar “College financieel toezicht” voorkomt, dit in overeenstemming te laten brengen met de definitie in artikel 1 door deze te laten vervangen door “College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten”.
 
Verder wordt voorgesteld om telkens in de tekst van het voorstel van rijkswet waar “Gerecht van eerste aanleg” voorkomt dit te vervangen door “Gerecht in eerste aanleg”.

Artikel 5
Voorgesteld wordt om in het tweede lid “de onderwerpen” te laten vervangen door “De onderwerpen”.
 

Artikel 21
Voorgesteld wordt om in onderdeel c het woord “overheden” te laten vervangen door “overheid”.
 

Artikel 22
Voorgesteld wordt om aan het einde van de zin in onderdeel f van het eerste lid een puntkomma op te laten nemen.
 

Artikel 35
Voorgesteld wordt om in het eerste lid “dit” te laten vervangen door “het”.
 

Artikel 38
Voorgesteld wordt om in het eerste lid de zinsnede “een land” te laten vervangen door “Curaçao”.
 

Artikel 40
Voorgesteld wordt om in het tweede lid “deze” te laten vervangen door “het”.

De memorie van toelichting

Pagina 6
Voorgesteld wordt om in de derde volzin van het tweede tekstblok “volksvertegenwoordigingen” te laten vervangen door “volksvertegenwoordiging”.
 

Pagina 8
Voorgesteld wordt om:

in de vijfde volzin van het eerste tekstblok “aansluiten” te laten vervangen door “aansluiting”;

in de zesde volzin van het eerste tekstblok “liggen” te laten vervangen door “ligt”;

in de achtste volzin van het laatste tekstblok “aangeven” te laten vervangen door “aangegeven”.

Pagina 11
Voorgesteld wordt in de tweede volzin van het derde tekstblok “bestendingen” te laten vervangen door “bestedingen”.

Pagina 14
Voorgesteld wordt om:

in de derde volzin van het eerste tekstblok de tweede “kan” te laten schrappen;

in de derde volzin van het tweede tekstblok “Evenals bij taak” te laten vervangen door “Evenals bij de taak”.

Pagina 15
Voorgesteld wordt om in de zesde volzin van het tweede tekstblok “verlenen” te laten vervangen door “verleend”.

Pagina 18
Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het vierde tekstblok de zinsnede “van verplichtingen Curaçao en zijn organen” te laten vervangen door “van verplichtingen voor Curaçao en zijn organen”.

Pagina 24
Voorgesteld wordt om:

in het eerste tekstblok telkens “Gerecht van eerste aanleg” te laten vervangen door “Gerecht in eerste aanleg”;

in de laatste volzin van het eerste tekstblok de zinsnede “bij de verschillende Curaçaose landsverordeningen administratieve rechtspraak” te laten vervangen door “bij de Landsverordening administratieve rechtspraak”.

Pagina 25, toelichting op artikel 2
Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het laatste tekstblok het woord “overeenkomstige” vóór “toepassing” op te nemen.

Pagina 29, toelichting op artikel 9
Voorgesteld wordt om in de laatste volzin de zinsnede “door een de leden” te vervangen door “door de leden”.

Pagina 31, toelichting op artikel 17
Voorgesteld wordt om in de eerste volzin “op de landen” te laten vervangen door “op Curaçao”.

Pagina 32, toelichting op artikel 18, zesde lid
Voorgesteld wordt om in de laatste volzin het woord “ministerraad” te laten schrappen.

Pagina 35, toelichting op artikel 25
Voorgesteld wordt om in de laatste volzin van het tweede tekstblok “het land in kwestie” te laten vervangen door “Curaçao”.

Pagina 37, toelichting op artikel 32
Voorgesteld wordt om in de laatste volzin “worden” te laten schrappen.

Pagina 37, toelichting op artikel 33
Voorgesteld wordt om in de laatste volzin “de Landsverordeningen van Curaçao” te laten vervangen door “de Landsverordening administratieve rechtspraak”.

 

[1] Advies van de Raad met kenmerk RvA no. RA/24-20-RW.

[2] Zie ook pagina 3, tweede tekstblok, eerste volzin, van de brief van 6 oktober 2020 (zaaknummer 2020/035899) van de minister-president gericht aan de voorzitter van de Staten: “Met het oog op het welzijn van de bevolking van Curaçao meent de regering dan ook, dat tot een gebalanceerd resultaat is gekomen om een samenwerking met Nederland aan te gaan”.

[3] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, 4” Voortijdige beëindiging van een consensusregeling” op pagina’s 6 en 7.

[4] In de brief d.d. 3 november 2020 (zaaknummer 2020/039435) van de Minister-President aan de Staten (pagina 2, vierde tekstblok) wordt aangegeven dat de inhoudelijke elementen van het Groeiakkoord die zien op de benodigde structurele hervormingen meegenomen zijn in (de uitwerking van) het Landenpakket Curaçao.

[5] Pagina 15, onderdeel “V.5.1°. De ministeriële verantwoordelijkheid”.

[6] Ook in het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad geadviseerd om de taken van de Caribische hervormingsentiteit als projectuitvoerder en tegelijkertijd als toezichthouder te verduidelijken (zie onderdeel V.5. c. “De entiteit als projectuitvoerder versus de entiteit als toezichthouder (artikel 4)” op pagina 17).

[7] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, onderdeel VI.1e. “Belangenverstrengeling en (on)partijdigheid (artikelen 6 en 33) op pagina’s 17 en 18.

[8] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, subparagraaf 2°. “Benoembaarheid” van § f. “De samenstelling van de entiteit (artikel 7)” op pagina 18. Ten aanzien van deze drie onderwerpen kan als voorbeeld de artikelen 4, 9 en 14 van de Landsverordening Raad van Advies worden gebruikt.

[9] In subparagraaf 4°. “Zwaarwegend belang” van § i. “De financiële middelen (artikel 17)” op pagina 20 van het advies van de Raad van 31 juli 2020 heeft de Raad verzocht om een uitgebreidere toelichting van het zwaarwegend belang.

[10] In subparagraaf 1°. “Weigeringsgrond” van § j. “Informatieverstrekking (artikel 19)” op pagina 20 van het advies van 31 juli 2020 heeft de Raad verzocht om de bedoelde weigeringsgronden in de tekst van het voorstel van rijkswet op te nemen.

[11] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, subparagraaf 2°. “Bestuurlijke heroverweging” van § m. “Subsidies (artikelen 28 en 32)” en § n. “Bezwaar en beroep (artikel 32)” op pagina 22.

[12] De Landsverordening administratieve rechtspraak kent geen hoofdstukken III, IV en V. Vergelijk artikel 32, vierde lid, van het voorstel van rijkswet Caribische hervormingsentiteit Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

[13] Zie M.E.B. Haseth, L.J.J. Rogier en J. Sybesma, Landsverordening administratieve rechtspraak Curaçao, Boom Juridisch, Den Haag 2016, tweede druk, p. 208.

[14] De Raad heeft in onderdeel VI.1.o. “De Rft versus de Rijkswet Caribische hervormingsentiteit (artikelen 33 en 34)” op pagina’s 23 en 24 van zijn advies van 31 juli 2020 opmerkingen gemaakt ten aanzien van het instellen van verscherpt financieel toezicht.

[15] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, onderdeel p. “Beëindiging van het verscherpte financiële toezicht (artikel 39)” op pagina 24.

[16] Zie het advies van 31 juli 2020 met kenmerk RvA no. RA/24-20-RW, § q. “Kroonberoep (artikel 40)” op pagina 25, het advies d.d. 22 maart 2017, met kenmerk RvA no RA/02-17-RW, over het voorstel van een rijkswet tot invoering van een geschillenregeling in het Koninkrijk (Rijkswet Koninkrijksgeschillen), met zaaknummer 2017/1315 en het advies d.d. 10 december 2018, met kenmerk RvA no. RA/38-18-RW, over een voorstel van een rijkswet houdende voorzieningen voor de behandeling van geschillen tussen het Koninkrijk en de landen (Rijkswet Koninkrijksgeschillen), met zaaknummer 2018/050699.

[17] Zie ook het advies van de Raad inzake de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2021 van Curaçao d.d. 2 september 2020, onderdeel “I.2. Het inhoudelijke beeld van de ontwerpbegroting 2021” - pagina 3, waar de regering gevraagd wordt voor presentatie en uitwerking van de noodzakelijke hervormingen in de nota van wijziging op de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2021.

[18] Zie het advies van de Raad van 31 juli 2020, onderdeel VI. 2. “1°. Succes-indicatoren”, pagina’s 27 en 28.