Adviezen

RvA no. RA/13-21-DIV

Uitgebracht op : 16/03/2021
Publicatie datum: 03/05/2021

Ongevraagd advies van de Raad inzake de ontwerplandsverordening houdende de regeling van de geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden, gewezen en gepensioneerde leden van de Staten, alsmede hun nabestaanden en wezen (Landsverordening geldelijke voorzieningen Staten) (Zitting 2020-2021- 188)

Advies: Met inachtneming van artikel 21, eerste lid, van de Landsverordening Raad van Advies en naar aanleiding van de behandeling van bovengenoemd onderwerp in de Raadsvergadering van 15 maart  2021, bericht de Raad u als volgt.                      

Inleiding
 
De regering heeft op 28 oktober 2020 een adviesverzoek aan de Raad doen toekomen over de ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen leden en gewezen leden van de Staten)[1] (hierna: het oorspronkelijke ontwerp).
Hierover heeft de Raad op 10 december 2020 een advies uitgebracht, gekenmerkt RvA no. RA/47-20-LV (hierna: het advies d.d. 10 december 2020).
 
Op 21 februari 2021 is door de regering bij de Staten een mede naar aanleiding van voornoemd advies aangepaste ontwerplandsverordening ingediend betreffende de ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen leden en gewezen en gepensioneerde leden van de Staten (Zitting 2020-2021-188) (hierna: het ontwerp).
Uit paragraaf “3. Advies Raad van Advies” op pagina 8 van het algemeen gedeelte van de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting (hierna: memorie van toelichting) geeft de regering aan op welke wijze in het ontwerp rekening is gehouden met het advies van de Raad.
Uit een analyse door de Raad van deze paragraaf is een drietal zwaarwegende punten naar voren gekomen waarover de Raad van oordeel is dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden in het ontwerp. Niet uitgesloten wordt dat er nog meer aanpassingen van het ontwerp zullen zijn die al dan niet het gevolg zijn geweest van het advies van 10 december 2020 en waarmee onvoldoende rekening is gehouden. De Raad acht het echter wenselijk om vanwege de zwaarwegendheid van bedoelde drie punten zich in dit advies tot de bespreking van die punten te beperken.

De introductie van een adviescollege in artikel 1, onderdeel a, van het ontwerp
 
Bij artikel 2, eerste lid, van de op 19 februari 2021 bij de Staten ingediende ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen ministers (Zittingsjaar 2020-2021-189) is een adviescollege ingesteld, namelijk “Adviescollege voorzieningen politieke ambtsdragers”. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kunnen nadere taken aan dit adviescollege worden toebedeeld.
 
Met het bepaalde in artikel 1, onderdeel a, van het ontwerp in samenhang gelezen met pagina’s 1, laatste tekstblok en 10, voorlaatste tekstblok van de memorie wordt beoogd het Adviescollege voorzieningen politieke ambtsdragers ook te belasten met de uitvoering van de Landsverordening geldelijke voorzieningen leden en gewezen leden van de Staten. In dat licht wordt ten overvloede opgemerkt dat een bepaling in het ontwerp ontbreekt waarin voornoemd adviescollege uitdrukkelijk belast wordt met de uitvoering van de Landsverordening geldelijke voorzieningen Staten.
 
Beoogd wordt dat het Adviescollege voorzieningen politieke ambtsdragers door de Minister van Algemene Zaken[2] in diverse gevallen vooraf gehoord moet worden ten aanzien van besluiten die in de sfeer van de uitvoering liggen. Zie daartoe bijvoorbeeld de memorie van toelichting, pagina’s 1, laatste tekstblok, 10, voorlaatste tekstblok en 23, eerste tekstblok.
 
Zoals aangegeven betreft dit adviescollege een adviescollege als bedoeld in artikel 2 van de ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen ministers in de zin van artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao.
 
Artikel 2 van de ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen ministers [3] luidt als volgt:

Er is een adviescollege in de zin van artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao, genaamd Adviescollege voorzieningen politieke gezagsdragers, dat een advies geeft bij de uitvoering van de taken die krachtens deze landsverordening zijn toebedeeld.

(…).
 
Artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao luidt als volgt:

Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Land worden ingesteld bij landsverordening.

Bij landsverordening worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges geregeld.

Bij landsverordening kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.
 
De artikelsgewijze toelichting op artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao luidt als volgt:
“Lid 1 van het artikel spreekt alleen van vaste colleges. Commissies of colleges van tijdelijke aard aan wie een rapport of advies wordt gevraagd over een bepaald onderwerp en die daarna worden opgeheven, vallen dus niet onder deze bepaling. Evenmin is dit het geval met ambtelijke commissies die hun minister(s) of de ministerraad adviseren. De termen wetgeving en bestuur moeten ruim worden opgevat, in die zin dat hieronder alle overheidsactiviteiten begrepen moeten worden, behalve de rechtspraak.
Delegatie is niet toegestaan; de wetgever heeft aldus zelf in de hand het aantal in te stellen vaste colleges van advies.”
 
De Raad is van oordeel dat de taken die in het ontwerp aan het adviescollege worden opgedragen niet primair gezien kunnen worden als taken in zaken van wetgeving en bestuur als bedoeld in artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao; ook niet indien de termen “wetgeving” en “bestuur” ruim worden opgevat. De taken van bedoeld adviescollege betreffen immers niet in eerste instantie een overheidshandelen, maar hebben met name betrekking op advisering bij het nemen van beschikkingen in individuele gevallen. Zie daartoe bijvoorbeeld de artikelen 16, eerste lid, 18, tweede lid, 23, 29, eerste lid, van het ontwerp. Voor deze individuele gevallen (een lager niveau dan wetgeving en bestuur) meent de Raad dat het aangrijpen van de mogelijkheid die artikel 72 van de Staatregeling van Curaçao biedt, niet bedoeld is. Volstaan kan worden met het instellen van een gemengde commissie die ter zake advies kan uitbrengen.
 
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het in artikel 1, onderdeel a, van het ontwerp bedoeld adviescollege te vervangen door een gemengde commissie met inachtneming van het bovenstaande.
 

Maximaal 70%

 Het eigen pensioen van een lid van de Staten wordt in het ontwerp – in tegenstelling tot artikel 30, eerste lid, onder b, van het oorspronkelijke ontwerp - niet gemaximeerd. Het feit dat in artikel 24, achtste lid, van het ontwerp bepaald wordt dat de som van het pensioen ingevolge de Landsverordening geldelijke voorzieningen Staten en het totaalbedrag van alle andere pensioenen - inclusief het wettelijk ouderdomspensioen, bedoeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering - niet meer dan het bedrag van de bij die berekening gehanteerde hoogste berekeningsgrondslag mag bedragen, sluit immers niet uit dat het eigen pensioen van de leden van de Staten op grond van het ontwerp meer dan 70% van het inkomen kan bedragen.
De voorzieningen van de leden van de Staten moeten op een redelijk en maatschappelijk aanvaardbaar niveau zijn.
In het licht hiervan adviseert de Raad de regering om bij nota van wijziging het eigen pensioen van de leden van de Staten te maximeren.
 

Slotbepalingen van het ontwerp (artikelen 46 en 47)

Het regelen van de werkingsduur van de korting
In artikel 46 van het ontwerp wordt ervan uitgegaan dat de tijdelijke korting op de bezoldiging van de leden van de Staten van toepassing is van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021, dus gedurende een afgebakende periode.
Artikel 47 bepaalt dat artikel 46 vervalt na de datum van 30 juni 2021 hetgeen wel in overeenstemming moet zijn met een evaluatie van de stand van de openbare financiën zoals moet blijken uit de meerjarenbegroting. Artikel 47 sluit dus niet uit dat de inkorting van artikel 46 van het ontwerp ook na 30 juni 2021 van toepassing zou kunnen zijn. Mocht dat laatste zich voordoen dan is artikel 46 van het ontwerp niet correct geformuleerd omdat daarin wordt uitgegaan van een inkortingsperiode tot en met 30 juni 2021.
 

Twee verschillende landsbesluiten sec als bedoeld in artikel 47, eerste lid
Voorts merkt de Raad op dat artikel 47, tweede lid, van het ontwerp bepaalt dat de betreffende minister het ontwerplandsbesluit, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van het ontwerp ter vaststelling voordraagt aan de Gouverneur. In artikel 47, eerste lid, van het ontwerp is er echter sprake van twee landsbesluiten die inhoudelijk van elkaar verschillen en verschillende gevolgen teweegbrengen. Om die reden moet in artikel 47, tweede lid, van het ontwerp nader gepreciseerd worden welke van de twee landsbesluiten het betreft.
 
De Raad adviseert de regering bij nota van wijziging de artikelen 46 en 47 van het ontwerp te herformuleren met inachtneming van het bovenstaande.
 
 Onder verwijzing naar het besluit van de Raad van Ministers d.d. 24 oktober 2012 (zaaknummer 2012/061193) met betrekking tot de plaatsing van adviezen op de website van de Raad, wordt u erop geattendeerd, dat dit advies zes weken nadat het aan de Gouverneur is aangeboden op de website van de Raad zal worden geplaatst, tenzij de Minister van Algemene Zaken de Raad binnen voornoemde termijn bericht dat plaatsing op de website op grond van een van de gronden, genoemd in artikel 11 van de Landsverordening openbaarheid van bestuur Curaçao, niet gewenst is.
 
 Willemstad, 16 maart 2021
 
 de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,
  
 
____________________                                            _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

[1] Zaaknummer 2020/032687.

[2] Artikel 1, onder j, van het ontwerp.

[3] De ontwerplandsverordening geldelijke voorzieningen ministers (Zitting 2020-2021-189) is door de regering op 21 februari 2021 bij de Staten ingediend.