Adviezen

RvA no. RA/39-20-LB

Uitgebracht op : 13/11/2020
Publicatie datum: 08/06/2021

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 22b, zevende lid, 22j, tweede lid, en 22u, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2020)
(zaaknummer 2017/040495)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 11 september 2020 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 2 november 2020, bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

Inleiding
Het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 22b, zevende lid, 22j, tweede lid, en 22u, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2020), strekt ertoe in verband met de wijziging van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (hierna: LvMOT) bij P.B. 2015, no. 68 nieuwe regels vast te stellen ten aanzien van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.
In het besluit van de Raad van Ministers d.d. 9 september 2020 (zaaknummer 2017/040495) tot het aanhangig maken van dit adviesverzoek bij de Raad, wordt, conform het advies van Wetgeving en Juridische Zaken d.d. 31 augustus 2020 met referentienummer WJZ ‘17/0488, specifiek het verzoek aan de Raad gedaan om zich uit te laten over de vraag of op basis van artikel 22u van de LvMOT aan de Toezichthouder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de LvMOT (hierna: de Toezichthouder), de plicht kan worden opgelegd om beleidsregels ter zake de toepassing van de last onder dwangsom te formuleren en publiceren.  

De bevoegdheidsgrondslag in artikel 22u van de LvMOT
Artikel 22u van de LvMOT schrijft voor dat door de minister van Financiën en de minister van Justitie (hierna: de betreffende ministers) gezamenlijk regels kunnen worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 22b, eerste lid, 22j, eerste lid en 22s, eerste lid. Volgens de toelichting op artikel 22u van de LvMOT[1] heeft de wetgever ervoor gekozen de Toezichthouder zelf te belasten met de bestuurlijke handhaving van de regels in individuele gevallen. Dit is een uitvloeisel van het door de wetgever gehanteerde uitgangspunt dat de Toezichthouder zelf verantwoordelijkheid dient te dragen voor de naleving van de regelgeving die hij uitvoert. Daarentegen is het de betreffende ministers, ingevolge het nieuwe artikel 22u wel toegestaan in het algemeen regels vast te stellen over de uitoefening door de Toezichthouder van de bevoegdheid tot toepassing van bestuurlijke sancties. De betreffende ministers dienen immers, aldus bovengenoemde toelichting, de bevoegdheid tot bijsturing te behouden.  Allereerst merkt de Raad ten aanzien van de vorm waarin deze regels moeten worden vastgelegd het volgende op. Uit de tekst van artikel 22u van de LvMOT maakt de Raad op dat de wetgever de bevoegdheid tot het vaststellen van regels over de uitoefening door de Toezichthouder van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuurlijke sancties rechtstreeks aan de betreffende ministers gezamenlijk heeft toegekend en niet aan de regering. Door het gebruik van het woord “kunnen” in de tekst van artikel 22u van de LvMOT is tevens duidelijk dat het gaat om een facultatieve bevoegdheid van genoemde ministers. De regelgevende bevoegdheid in voornoemd artikel geeft de betreffende ministers de mogelijkheid tot het bijsturen van de Toezichthouder op het gebied van de toepassing van bestuurlijke sancties. Gezien het bovenstaande is het opnemen van dergelijke regels in een landsbesluit, houdende algemene maatregel, noch conform artikel 22u van de LvMOT en de bedoeling van de wetgever.  De wetgevende bevoegdheid van de regering ten aanzien van bovengenoemd onderwerp bestaat immers slechts voor zover zij uit een hogere regeling, in dit geval de LvMOT voortvloeit[2]. De Raad constateert dat er hier geen sprake is van een adequate bevoegdheidsgrondslag.

In het licht van het bovenstaande kan het artikel 22u van de LvMOT naar het oordeel van de Raad niet als grondslag voor het ontwerp dienen en hij adviseert de regering het ontwerp en de nota van toelichting aan te passen.

3.  Het bevoegde beleidsregelvaststelllend orgaan in de zin van artikel 22u van de LvMOT

a.  Ministeriële beleidsregelingen met wettelijke basis

De Raad merkt op dat de door de wetgever in artikel 22u van de LvMOT rechtstreeks aan de betreffende ministers gedelegeerde regelgevende bevoegdheid betrekking heeft op regels over de uitoefening door de Toezichthouder van de bevoegdheden tot toepassing van bestuurlijke sancties.  Inhoudelijk gaat het met andere woorden om de vaststelling van beleidsregels. Onder een beleidsregel wordt op grond van artikel 1:3, vierde lid van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan[3].  Aansluiting is gezocht bij de Awb, omdat de Awb een codificatie behelst van jurisprudentie die in beginsel naar analogie van toepassing is in Curaçao. De Awb kent sinds de derde tranche ook ministeriële beleidsregelingen met wettelijke basis (artikel 4:81, tweede lid, van de Awb)[4]. Artikel 4:81, eerste lid, van de Awb geeft antwoord op de vraag wanneer een bestuursorgaan een algemene regel kan vaststellen met de kracht van een beleidsregel. Ingevolge dat artikel is dat alleen mogelijk als aan een bestuursorgaan wettelijk een bevoegdheid daartoe toekomt. In andere gevallen kan een bestuursorgaan ingevolge artikel 4:81, tweede lid, van de Awb slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

Artikel 4:81, tweede lid, van de Awb is alleen van belang indien de betreffende bestuurlijke bevoegdheid niet door het beleidsregelvaststellend orgaan zelf wordt uitgeoefend. Er is in deze sprake van een dergelijk geval. Om de betreffende ministers de mogelijkheid te geven beleidsregels vast te stellen over de uitoefening door de Toezichthouder van de bevoegdheden tot toepassing van bestuurlijke sancties, was de in artikel 22u van de LvMOT opgenomen wettelijke grondslag daarvoor vereist. Immers het zijn niet de betreffende ministers die op grond van de LvMOT bevoegd zijn om de bestuurlijke sancties toe te passen.

In de gevallen, bedoeld in artikel 4:81, tweede lid, van de Awb heeft de wetgever de keus uit twee mogelijkheden: hij kan hetzij een bevoegdheid tot beleidsregelgeving, hetzij een bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften te geven toekennen. De delegerende wetgever moet aangeven welke regels hij op het oog heeft. Aangenomen mag worden dat met een bevoegdheid tot regelgeving een bevoegdheid tot het geven van algemeen verbindende voorschriften is bedoeld, tenzij duidelijk blijkt van een andere bedoeling van de wetgever. Die andere bedoeling dient tot uitdrukking te komen door in de wettekst uitdrukkelijk de term “beleidsregel” te gebruiken.[5]

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de regels over de uitoefening door de Toezichthouder van de bevoegdheden tot toepassing van bestuurlijke sancties bij ministeriële regeling met algemene werking moeten worden vastgesteld. Ook  het feit dat de wetgever aan de betreffende ministers de bevoegdheid tot het bijsturen van de Toezichthouder heeft willen toekennen geeft een indicatie dat hij aan de betreffende ministers de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen heeft willen verlenen. Tussen de betreffende ministers en de Toezichthouder (onder welke in ieder geval een zelfstandig bestuursorgaan) bestaat er geen gezagsverhouding op basis waarvan de betreffende ministers algemene regels kunnen vaststellen over het gebruik van de betrokken bevoegdheden van de Toezichthouder en waar die Toezichthouder aan gebonden is.

Gezien het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de wetgever bij de formulering van artikel 22u van de LvMOT en de toelichting daarop onvoldoende duidelijk is geweest. De Raad geeft de regering in overweging bij de eerstvolgende wijziging van de LvMOT, waarvan in de nota van toelichting melding wordt gemaakt, genoemd artikel duidelijker te formuleren en in een uitgebreidere toelichting daarop duidelijk uiteen te zetten hoe de betreffende ministers de Toezichthouder zouden moeten bijsturen. 

b.  De verplichting van de Toezichthouder tot het opstellen van beleidsregels over de toepassing van de last onder dwangsom

In het voorgestelde artikel 3, eerste lid, dat, volgens de nota van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de nota van toelichting), ter uitvoering is van artikel 22u van de LvMOT, wordt aan de Toezichthouder de verplichting opgelegd tot het opstellen van beleidsregels ter zake van de toepassing van de last onder dwangsom. Ook in dat opzicht is volgens de Raad het voorgestelde artikel 3, eerste lid niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Uit de tekst van artikel 22u van de LvMOT blijkt dat de wetgever een facultatieve bevoegdheid tot het opstellen van beleidsregels over de toepassing van de bestuurlijke sancties aan de betreffende ministers gezamenlijk heeft toegekend. Daar komt nog bij dat aan de Toezichthouder in elk geval de bevoegdheid toekomt beleidsregels vast te stellen over de aan hem toegekende bevoegdheid om bestuurlijke sancties toe te passen. In verband hiermee verwijst de Raad naar hetgeen hierboven reeds over artikel 4:81, eerste lid, van de Awb, is gesteld. Volgens de Raad is – ter bevordering van uniformiteit bij de oplegging van bestuurlijke sancties door de Toezichthouder  - het uitgangspunt bij de uitvoering van artikel 22u van de LvMOT dat in eerste instantie de Toezichthouder beleidsregels over de uitoefening van de bevoegdheden tot toepassing van de bestuurlijke sancties kan vaststellen. De rol die de betreffende ministers daarbij hebben is slechts een aanvullende (corrigerende) rol. Indien volgens de betreffende ministers blijkt dat de toepassing van de bestuurlijke sancties door de Toezichthouder op grond van het door hen gehanteerde beleid niet of niet op een adequate manier geschiedt, bestaat de mogelijkheid voor hen om corrigerend op te treden door het vaststellen van beleidsregels ter zake.   

Met uitzondering van de ministeriële beleidsregelingen met wettelijke basis berusten beleidsregels doorgaans niet op een wettelijke grondslag. Indien de regering het wenselijk acht dat aan de Toezichthouder de verplichting wordt opgelegd tot het vaststellen en publiceren van beleidsregels inzake de wijze van bepaling van de dwangsom dan dient deze verplichting naar het oordeel van de Raad in de LvMOT te worden opgenomen. Artikel 22u van de LvMOT biedt geen basis om in het ontwerp een dergelijke verplichting aan de Toezichthouder op te leggen. Ter bevordering van de uniformiteit bij de dwangsom- en bestuurlijke boeteoplegging door de diverse Toezichthouders met rechtseenheid en rechtszekerheid tot gevolg kunnen de betreffende ministers op grond van artikel 22u van de LvMOT bijsturen door beleidsregels vast te stellen.

De Raad adviseert de regering op grond van het bovenstaande het voorgestelde artikel 3 in het ontwerp te schrappen en de nota van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Inhoudelijke opmerkingen
 
1.   Het ontwerp
 
De verhouding van de dwangsom tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom
De Raad heeft de regering in zijn advies van 7 februari 2017, met referentienummer RvA no. RA/32-17-LB geadviseerd in het  ontwerp waarover in dat advies is geadviseerd artikel 22b, zesde lid van de LvMOT in acht te nemen. Artikel 22b, zesde lid van de LvMOT schrijft onder andere voor dat de bedragen van de dwangsom die door de Toezichthouder worden vastgesteld in redelijke verhouding moeten staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De Raad merkt op dat in het voorgestelde artikel 2 geen rekening is gehouden met artikel 22b, zesde lid van de LvMOT . Het is voor de Raad nog steeds niet duidelijk waarom in het voorgestelde artikel 2 het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd ook voor de minst zware overtredingen toch op een maximaal bedrag van NAf 500.000 wordt gesteld. De Raad is van oordeel dat ook bij het vaststellen van het maximale bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd het bepaalde in artikel 22b, zesde lid van de LvMOT in acht moet worden genomen. Het maximale bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd dient daarom voor de minst zware overtredingen op een lager bedrag te worden vastgesteld, dat in redelijke verhouding staat tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijke voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde werking van de dwangsomoplegging[6]. Daarbij moet ook worden overwogen of bij de vaststelling van voornoemd maximaal bedrag per sector gedifferentieerd moet worden.
De Raad adviseert artikel 2 van het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
 
2.  De nota van toelichting
 
a.  Het ontbreken van regels over de wijze van bepaling van de bestuurlijke boetes
In de nota van toelichting (pagina 3 eerste tekstblok) staat dat in dit landsbesluit het maximale bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd en de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen van de LvMOT worden vastgesteld. De Raad merkt op dat het landsbesluit slechts tot vaststelling van het maximale bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd en van de hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen strekt. Hoewel artikel 22j, tweede lid, van de LvMOT dwingend voorschrijft dat de regering bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, naast de hoogte van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen ook de wijze van bepaling van genoemde bestuurlijke boete vaststelt, constateert de Raad dat geen regels over laatstgenoemd onderwerp in het ontwerp zijn opgenomen. 
De Raad adviseert de regering de nota van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
 
b.  De hoogte van de bestuurlijke boetes
In de nota van toelichting staat onvoldoende duidelijk welke factoren voor de regering bepalend zijn geweest bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen. Uit de nota van toelichting kan de Raad afleiden dat het soort dienst dat wordt verleend of voornemens is verleend te worden medebepalend is voor de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boetes. Zo staat er in de nota van toelichting (pagina 5) dat gelet op de poortwachtersfunctie van advocaten, notarissen of kandidaat-notarissen, accountants, belastingadviseurs en deskundigen op juridisch, fiscaal of administratief gebied, oftewel de dienstverleners, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 15?, voor deze categorie een hogere boete geldt. Aangenomen wordt dat ook de zwaarte van de overtreden voorschriften een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen. Uit de nota van toelichting blijkt echter niet duidelijk dat met genoemde factor rekening is gehouden. De Raad is van oordeel dat de factoren die voor de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boetes een rol hebben gespeeld duidelijk in de nota van toelichting moeten worden vermeld.
De Raad adviseert de regering de nota van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.  
 
c.  Afstemming hoogte bestuurlijke boetes op hoogte van de strafrechtelijke boetes
Uit artikel 23 en de memorie van toelichting bij de LvMOT blijkt dat de mogelijkheid bestaat dat een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd tevens een strafbaar feit is. Een belangrijke consequentie van de keuze voor dat gemengd systeem is dat de hoogte van de bestuurlijke boetes en die van de strafrechtelijke boetes zoveel mogelijk op elkaar moeten worden afgestemd. Dit betekent dat de hoogte van de bestuurlijke boetes moet zijn afgestemd op de hoogte van de strafrechtelijke boetes zoals die door het openbaar ministerie wordt gehanteerd. In het kader hiervan heeft de Raad de regering in zijn advies van 7 februari 2017, met referentienummer RvA no. RA/32-17-LB (pagina 3), geadviseerd in de nota van toelichting duidelijk aan te geven of met die afstemming bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes rekening is gehouden.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het vorenstaande in te gaan.
 
d.  Het afschrikeffect van de boetebedragen
Uit de nota van toelichting (pagina 4, eerste tekstblok) volgt dat de hoogte van de boetebedragen bij overtreding van de bij of krachtens de landsverordening gestelde voorschriften voor de sector die de mogelijkheid biedt om deel te nemen aan hazardspelen in het kader van de exploitatie van hazardspelen, casino’s en loterijen in dit landsbesluit zijn verhoogd. Genoemde boetebedragen worden voldoende afschrikwekkend geacht voor alle kansspelen, waarvan het aanbod is beperkt tot de lokale markt, zolang deze boetebedragen gefixeerd zijn en niet kunnen worden afgestemd op het individuele geval, aldus de nota van toelichting. De Raad merkt evenwel op dat in deze sector net als in de financiële sector om grote bedragen gaat. Ten aanzien van de financiële sector staat overigens ook in de nota van toelichting (pagina 3, laatste tekstblok) dat de gefixeerde boetebedragen effectief en ontradend (dissuasive) dienen te zijn om het beoogde doel te bereiken, te weten het sanctioneren. Uit de nota van toelichting volgt onvoldoende duidelijk of de regering bij de vaststelling van de hoogte van de boetebedragen rekening heeft gehouden met het feit dat het bij genoemde sectoren om zeer grote bedragen gaat. Voorts wordt in de nota van toelichting ten aanzien van het gekozen soort boetestelsel verwezen naar de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht. De Raad kan niet uit de nota van toelichting opmaken of bij de vaststelling van de hoogte van de boetebedragen rekening is gehouden met de boetebedragen die bij overtreding van vergelijkbare wetgeving als de LvMOT in Nederland gelden voor bovengenoemde sectoren.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het vorenstaande in te gaan.
 
e.  De hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor de dienstverleners, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 15? van de LvMOT
In de nota van toelichting (pagina 5) dient door het gebruik van de woorden “deze dienstverleners” in het eerste tekstblok, tweede volzin, te worden gelezen dat de hoogte van de bestuurlijke boete voor overtreding van de landsverordening door onder meer de dienstverleners genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 15?, te weten de advocaten, notarissen, accountants, belastingadviseurs in dit landsbesluit verhoogd is naar NAf 5000,-. Verderop in de nota van toelichting (laatste volzin van het eerste tekstblok op pagina 5) staat echter dat gelet op de poortwachtersfunctie van advocaten, notarissen of kandidaat-notarissen, accountants, belastingadviseurs en deskundigen op juridisch, fiscaal of administratief gebied, oftewel de dienstverleners, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 15?, voor deze categorie een hogere boete, namelijk een bedrag van NAf 8000,- geldt. Dat voor laatstgenoemde categorie een hogere boete van NAf 8000,- geldt, blijkt ook uit bijlage 3, behorende bij artikel 4, onderdeel c, van het ontwerp. De Raad is van oordeel dat het bedrag genoemd in de tekst van de nota van toelichting in overeenstemming moet zijn met het bedrag genoemd in voornoemde bijlage.
De Raad adviseert de nota van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
 
f.   De matigingsbevoegdheid van de Toezichthouder
Uit de nota van toelichting leidt de Raad af dat het in de bij artikel 4 van het ontwerp behorende bijlagen om gefixeerde (vaste) boetebedragen gaat. Ten aanzien van gefixeerde boetebedragen bepaalt artikel 5:46, derde lid van de Awb dat het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Overeenkomstig jurisprudentie brengt het feit dat een bestuurlijke boete een punitief karakter heeft met zich mee dat de rechter op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) de hoogte van de opgelegde boete in een concreet geval dient te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De hoogte van de opgelegde bestuurlijke boete dient in redelijke verhouding te staan tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding[7]. Dat de hoogte van de bestuurlijke boete gefixeerd is, staat er niet aan in de weg dat de evenredigheid binnen het bepaalde in de betreffende wettelijke regeling volledig wordt getoetst. De omstandigheden die bij de evenredigheidstoetsing een rol kunnen spelen zijn de omstandigheden waarmee de wetgever bij de vaststelling van de wettelijke boetebedragen geen rekening heeft gehouden. Al naar gelang de wetgever wel of geen rekening heeft gehouden met bepaalde omstandigheden, zal vergelijkbaar met een systeem van communicerende vaten, minder of meer ruimte bestaan voor toepassing van de matigingsbevoegdheid op grond van die omstandigheden. Op deze wijze zal in de regel recht kunnen worden gedaan aan de vereiste evenredigheid in concreto tussen de hoogte van de bestuurlijke boete en de ernst van de geconstateerde overtreding en de omstandigheid waaronder deze is gepleegd.[8] Nu een landsverordening tot wijziging van de LvMOT die onder meer tot opneming van de matigingsbevoegdheid van de Toezichthouder in de LvMOT zal moeten strekken na ruim drie jaar nog steeds ontbreekt, ligt het, naar het oordeel van de Raad, op de weg van de regering om bij de vaststelling van de hoogte van de gefixeerde boetebedragen zoveel mogelijk met het evenredigheidsbeginsel rekening te houden. Uit de nota van toelichting blijkt niet dat de regering bij de vaststelling van de hoogte van de gefixeerde boetebedragen daarmee rekening heeft gehouden. Indien de regering daarmee geen rekening houdt, is het denkbaar dat de rechter in een concreet geval de door de regering voorgeschreven gefixeerde bestuurlijke boete zo onevenredig acht dat het landsbesluit wegens strijd met het EVRM of het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten.
De Raad adviseert de regering bij de vaststelling van de hoogte van de boetebedragen in het ontwerp met het bovenstaande rekening te houden. Voorts adviseert de Raad de regering al het nodige te doen opdat de matigingsbevoegdheid van de bestuurlijke boete door de Toezichthouder zo spoedig mogelijk in de LvMOT wordt opgenomen. 

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
 
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
  
Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging niet te besluiten conform de in het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, opgenomen voorstellen dan nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.
 
 
Willemstad, 13 november 2020
  
de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,
  
____________________                                            _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla
 
 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/39-20-LB

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het ontwerp

De bestuurlijke boete

Het begrip “bestuurlijke boete” wordt in het voorgestelde artikel 1 gedefinieerd als de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 22i van de LvMOT. Niettemin wordt in de aanhef van het voorgestelde artikel 4 melding gemaakt van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 22j van de LvMOT. Verder blijkt uit de formulering van de aanhef van het voorgestelde artikel 4 dat de hoogte van de bestuurlijke boete voor overtreding van alle voorschriften gesteld bij of krachtens de LvMOT wordt vastgesteld. Dit terwijl in artikel 22j, eerste lid van de LvMOT de artikelen van de LvMOT waarvan overtreding met een bestuurlijke boete kunnen worden bestraft specifiek worden genoemd.

Voorgesteld wordt daarom de aanhef van het voorgestelde artikel 4 anders te formuleren

2. De nota van toelichting

Pagina 3

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste volzin, na de eerste vermelding van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties aan te duiden dat het nader in de toelichting zal worden aangeduid als landsverordening.

Rekening houdend met hogergenoemd voorstel wordt voorgesteld in het tweede tekstblok, eerste volzin, “Landsverordening melding ongebruikelijke transacties(hierna: landsverordening)” te vervangen door “landsverordening”.  

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, derde volzin, “artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 1° tot en met 24° te vervangen door “artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 1° tot en met 23°”.  Artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 24° bevat de bevoegdheid van de regering om bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, het verlenen van andere diensten dan die genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 1° tot en met 23° aan te wijzen, die onder de werking van de landsverordening vallen.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, één volzin voor de voorlaatste volzin “daarom is er tussen genoemde sectoren” te vervangen door “daarom is er tussen de dienstverleners in de financiële sector”. 

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, voorlaatste volzin, “ontradend” te vervangen door “ontmoedigend” en “het sanctioneren” te vervangen door “het nalaten in strijd met de wet te handelen”.

Pagina 4

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, vierde volzin van bovenaf, “het gefixeerd boetestelsel” te vervangen door “het gefixeerde boetestelsel” en “artikel 22v van de landsverordening” te vervangen door “artikel 22v, tweede lid, van de landsverordening”. 

De derde volzin van onderaf in het eerste tekstblok luidt als volgt:

Voorafgaand aan de wijziging van de landsverordening in het jaar 2015, werd overtreding van de bepalingen van de landsverordening gesanctioneerd met een bestuurlijke boete van maximaal NAf 1.000,- en bij recidive binnen 1 jaar met maximaal NAf 2.000,-. Het Landsbesluit melders ongebruikelijke transacties (P.B. 2010, no. 71), waarin de hoogte van de dwangsommen en bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen van de bepalingen van de LvMOT, zoals die golden vóór de wijziging van de LvMOT in het jaar 2015, zijn vastgesteld, is na de wijziging van de LvMOT in het jaar 2015 niet ingetrokken. Het is nog steeds van kracht. Uit bovengenoemde volzin volgt echter dat die sancties niet meer bestaan. Voorgesteld wordt die volzin anders te formuleren. 

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, voorlaatste volzin, “artikel 22v van de landsverordening” te vervangen door “artikel 22v, tweede lid, van de landsverordening”. 

Pagina 5

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste volzin, “onderdeeldeel” te vervangen door “onderdeel”.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, tweede volzin, “het resterend bedrag” te vervangen door “het resterende bedrag”.

 

[1] Zie pagina 27, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting behorende bij de op 11 april 2009 bij de Staten ingediende ontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (Zitting 2008-2009-3419).

[2] prof.mr. Zijlstra, S.A., mr. Borman, T.C., mr. Munneke S.A.J., Prof. van Ommeren, F.J., Prof Schilder, A.E., Prof. Streyer, E. “Wetgeven” Handboek voor de centrale en decentrale overheid, Kluwer Deventer -2012, pagina 252.

[3] Van Wijk/Konijnenbelt & van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, Kluwer Deventer-2014, pagina 222.

[4] Van Wijk/Konijnenbelt & van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, Kluwer Deventer-2014, pagina 215.

[5] Borman, T.C, van Buuren, P.J.J., Jacobs, M.J., de Poorter, J.C.A., Verbeek, J., Algemene wet bestuursrecht, Tekst en Commentaar, Kluwer-Deventer 2015, negende druk, pagina 331.

[6] Van Buuren, P.J.J., Jurgens, G.T.J.M. en Michiels, F.C.M.A., “Bestuursdwang en dwangsom” Tjeenk Willink Deventer 1999 pagina 72.

[7] Uitspraak van 29 april 2004 LJN A09910.

[8] Rechtsbescherming tegen bestraffing in het strafrecht en bestuursrecht 2011/10.8, mr. drs. Stijnen, Maximumboetes en gefixeerde boetes in het bestuursrecht en de evenredigheidstoetsing, 03-10-2011, pagina’s 6 en 7.