Adviezen

RvA no. RA/21-19-LB

Uitgebracht op : 06/08/2019
Publicatie datum: 25/06/2021

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (Landsbesluit boedelregister)
(zaaknummers 2018/053935)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 21 juni 2019, om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 5 augustus 2019, bericht de Raad u als volgt.

Het ontwerp

Het boedelregister in elektronische vorm (artikel 4)

Eisen van betrouwbaarheid en beveiliging
Artikel 4, eerste lid, van het onderhavige ontwerp (hierna: het ontwerp) maakt het mogelijk dat het boedelregister in elektronische vorm wordt gehouden. Op pagina 8, derde tekstblok van onderaf van de bij het ontwerp behorende nota van toelichting (hierna: de nota van toelichting) staat dat dit aan het Gerecht in eerste aanleg wordt overgelaten. Zowel in het ontwerp als in de nota van toelichting is niets vermeld over te stellen eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid en beveiliging van het boedelregister.
De Raad adviseert de regering aandacht te besteden aan het bovenstaande.

De toepasselijkheid van de Archieflandsverordening 2007
Op pagina 10 van de nota van toelichting staat dat de Archieflandsverordening 2007 van toepassing is op het boedelregister en de bescheiden die hebben gediend tot de inschrijving van een feit.
De Raad adviseert in de nota van toelichting aan te geven of onder de term “bescheiden” in artikel 1, onderdeel c, van de Archieflandsverordening 2007 ook de elektronische producten van het boedelregister in elektronische vorm vallen.

Het verlenen van terugwerkende kracht aan het onderhavige landsbesluit (artikel 8)

Inleiding
Vóór 1 januari 2012 werden bepaalde feiten aangaande opengevallen nalatenschappen in een register opgenomen. Zie daartoe de artikelen 4:1050, eerste lid, laatste volzin, en 4:1055, derde lid, laatste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), zoals die toen luidden.

Met de inwerkingtreding van de Landsverordening erfrecht en schenking ingaande 1 januari 2012[1] is Boek 4 van het BW vernieuwd. Daarin wordt de griffier van het Gerecht in eerste aanleg verplicht om een openbaar boedelregister te houden. Hierin worden ingeschreven de krachtens wettelijk voorschrift gegeven feiten die voor de rechtstoestand van opengevallen nalatenschappen van belang zijn.[2]  De krachtens wettelijk voorschrift gegeven feiten die moeten worden ingeschreven in het openbaar boedelregister zijn limitatief gegeven.[3] De wijze van inrichting en raadpleging van het openbaar boedelregister wordt ingevolge artikel 4:186, derde lid, van het BW, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld, hetgeen met het ontwerp wordt beoogd.

Artikel 8 van het onderhavige ontwerplandsbesluit
Met artikel 8 van het ontwerp zal het onderhavige landsbesluit met terugwerkende kracht, tot en met 1 januari 2012, in werking treden. Het onderhavige landsbesluit zal in dat geval over een periode van minstens zeven en een half jaar terugwerken.

De Aanwijzingen voor de regelgeving
Op grond van aanwijzing 126, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr) wordt aan een regeling slechts terugwerkende kracht verleend indien daarvoor een bijzondere reden bestaat. Aanwijzing 126, tweede lid, van de Awr bepaalt vervolgens dat verlening van terugwerkende kracht aan een regeling tot gevolg heeft dat de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend worden te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.

De motivering voor het verlenen van terugwerkende kracht aan het onderhavige landsbesluit
In de nota van toelichting staat in het algemeen deel op pagina 4, eerste tekstblok, dat het in het ontwerp gaat om de opvolger van het boedelregister dat werd gehouden vanwege eerdergenoemd artikel 4:1050 van het BW.
Vervolgens staat in de toelichting op artikel 8 van het ontwerp dat dit artikel voorziet in de terugwerking van het landsbesluit tot (lees: tot en met) de datum van inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2012 en dat tegen de terugwerking geen bezwaar bestaat. De inschrijvingsverplichtingen staan immers in Boek 4 van het BW dat reeds in 2012 in werking is getreden en er bestaat al een boedelregister bij de griffie van het Gerecht in eerste aanleg. Het onderhavige landsbesluit zou alleen administratieve verplichtingen bevatten.[4]
 
e.   Het oordeel van de Raad
In onderdeel d hierboven heeft de Raad verwezen naar de nota van toelichting waarin staat dat tegen terugwerking tot en met 1 januari 2012 geen bezwaar bestaat, omdat de inschrijvingsverplichtingen al in Boek 4 van het BW staan. Hieruit begrijpt de Raad dat nu de betreffende feiten sinds 1 januari 2012 ingeschreven moeten worden omdat die verplichting al sinds 2012 bestond, terugwerking van het onderhavige landsbesluit tot en met 1 januari 2012 niet bezwaarlijk is.
De Raad vindt de bovenstaande motivering van de regering op zich een bijzondere reden in de zin van aanwijzing 126, eerste lid, van de Awr, maar merkt ten aanzien hiervan het volgende op.
 
In artikel 3, eerste lid, laatste volzin, van het ontwerp is een nieuwe verplichting tot inschrijving in het boedelregister opgenomen. Het betreft de verklaring van de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam tot beneficiaire aanvaarding of verwerping van de nalatenschap of een aandeel daarin dat de erfgenaam toekomt (artikel 4:193, eerste lid, van het BW).
In de toelichting op artikel 3 van het ontwerp staat, dat nu – anders dan in artikel 4:191, eerste lid, van het BW – in artikel 4:193, eerste lid, van het BW niet uitdrukkelijk is bepaald dat ook de verklaring van een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam in het boedelregister moet worden ingeschreven, zulks in de derde volzin van het eerste lid is bepaald.[5] Met andere woorden, deze inschrijvingsverplichting in het openbaar boedelregister is niet in het BW opgenomen en met het ontwerp wordt die verplichting voor het eerst opgelegd. 
Afgaande op artikel 8 van het ontwerp werkt deze nieuwe wettelijke verplichting terug tot en met 1 januari 2012. Na de inwerkingtreding van het onderhavige landsbesluit moet er dus van uit worden gegaan dat deze wettelijke verplichting gedurende de afgelopen zeven en een half jaar niet is nagekomen. Betrokkenen waren hiervan niet op de hoogte en konden hier ook niet van op de hoogte zijn. Het verlenen van terugwerkende kracht aan artikel 3, eerste lid, laatste volzin, van het ontwerp is naar het oordeel van de Raad dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Daar komt bij dat mocht achteraf blijken dat de verklaring van de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, laatste volzin, van het ontwerp, ten aanzien van bijvoorbeeld een nalatenschap die in 2013 is opengevallen, in het openbaar boedelregister had moeten worden ingeschreven maar dit toen niet is gebeurd, derden in hun belangen getroffen kunnen zijn. De Raad denkt bijvoorbeeld aan schuldeisers van een erfgenaam die er toen wellicht niet van op de hoogte waren dat hun verhaalsmogelijkheden waren vergroot omdat de betreffende feiten niet waren ingeschreven in het boedelregister terwijl nu blijkt dat dit in 2013 wel had moeten gebeuren.
Mede gezien de tijdspanne van zeven en een half jaar is de Raad van oordeel dat nagegaan moet worden wat de juridische implicaties zijn van het onverkort handhaven van de terugwerkende kracht van het onderhavige landsbesluit zoals verwoord in artikel 8 van het ontwerp. Afhankelijk van het resultaat daarvan zouden daarop wellicht uitzonderingen kunnen worden gemaakt.
De Raad maakt op het bovenstaande een voorbehoud ingeval er zekerheid over bestaat dat de betreffende verklaring van de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam steeds is ingeschreven in het openbaar boedelregister. Het gaat dan om het steevast feitelijk inschrijven in het openbaar boedelregister sinds 1 januari 2012, omdat dan de belangen van derden niet geschaad kunnen zijn, aangezien deze derden van de inschrijvingen kennis hadden kunnen nemen.
 
Het voorgaande is eveneens van toepassing op de inschrijvingsverplichtingen opgenomen in artikel 1, onder b, van het ontwerp, te weten de verlengingen, bedoeld in de artikelen 4:27c en 4:40a van het BW die niet in het BW zijn vermeld en eerst nu van kracht zullen worden. Zie daartoe pagina 4, tweede tekstbok, onder 1, van de nota van toelichting. 

Advies van de Raad
De Raad adviseert de regering artikel 8 van het ontwerp te bezien tegen de achtergrond van het bovenstaande en indien nodig aan te passen.
 

De nota van toelichting
 
De reactie van de griffie van het Gerecht in eerste aanleg op te tekst van het onderhavige ontwerp
 
Op pagina 11, laatste volzin, van de nota van toelichting staat dat de tekst van het ontwerp per 1 januari 2012 aan de griffie van het Gerecht in eerste aanleg ter beschikking is gesteld.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op te nemen wat de reactie van de griffie van het Gerecht in eerste aanleg was op het aan deze griffie toegestuurde ontwerp.
 

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
 
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
 
Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging niet te besluiten conform de in het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, opgenomen voorstellen dan nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.
 
Willemstad, 6 augustus 2019
  
de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,
 
 
____________________                                            _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla
 
 
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/21-19-LB

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

Het ontwerp

De considerans

Voorgesteld wordt de considerans zodanig aan te passen dat tot uitdrukking komt dat ook de wijze van inrichting van het boedelregister in het onderhavige (ontwerp)landsbesluit geregeld wordt.

Artikel 1

Voorgesteld wordt in onderdeel b “27a” te vervangen door “27c”.

De nota van toelichting

Algemeen

Op diverse plaatsen in de tekst van de nota van toelichting komt de term “oud BW” voor.[6] Aangezien de term “oud BW” de aanduiding is voor het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen dat heeft gegolden tot 15 maart 2001[7] stelt de Raad voor om de term “oud BW” in de tekst van de nota van toelichting te vervangen door een andere term of te omschrijven.

Pagina 4

Voorgesteld wordt:

het tweede tekstblok onder “§1. Algemeen” van een kader dan wel een opschrift te voorzien;

het opschrift van paragraaf 2 “Financieel” te vervangen door “Financiële”;

het laatste tekstblok “gemaakt” te vervangen door “opgemaakt”.

Pagina 5

Voorgesteld wordt in de tekst bij “Ad a.”, in de eerste volzin “ongedaan making” te vervangen door “ongedaanmaking” en in de derde volzin “Ongedaan making” door “Ongedaanmaking”.

Pagina 8

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, in de tweede volzin, “bij voorbeeld” te vervangen door “bijvoorbeeld”.

Pagina 9

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, in de eerste volzin:

- “ongedaan making” te vervangen door “ongedaanmaking”; en

- het zinsdeel “voor wie deze akte is verleden” te vervangen door “ten overstaan van wie deze akte is verleden”.

Pagina 11

Voorgesteld wordt:

in het laatste tekstblok, in de eerste volzin, “tot de datum van” te vervangen door “tot en met de datum van”; en

in de laatste volzin van het laatste tekstblok, gelet op aanwijzing 161 op pagina 62 van de Awr, het zinsdeel “het onderhavige ontwerp” te vervangen door “het ontwerp van het onderhavige landsbesluit”.
__________________________

 

 

 

[1] Publicatieblad 2011, no. 68.

[2] Artikel 4:186, eerste lid, van het BW.

[3] G. van der Burght, Nederlands Caribisch Erfrecht (2012), Boom Juridische uitgevers, XVII Afdeling 4.6.1, onderdeel 13, pagina 375.

[4] Nota van toelichting, pagina 11, laatste tekstblok.

[5] Nota van toelichting, pagina 8, derde tekstblok, laatste volzin.

[6] Onder andere op pagina’s 4, eerste tekstblok, 5, laatste tekstblok, en 11, vierde en vijfde  tekstblok.

[7] Titel I van de Landsverordening van de 15de maart 2001 houdende aanpassing van het bestaande Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen en een aantal andere landsverordeningen in verband met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (P.B. 2001, no. 24), de artikelen I (de naam van het wetboek) en III (de tenaamstelling van Boek 4 Erfrecht).