Adviezen

RvA no. RA/23-21-LV

Uitgebracht op : 22/09/2021
Publicatie datum: 01/10/2021

Initiatiefontwerplandsverordening van Tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Openbare Orde) (Lei temporal di COVID-19 Hustisia i Ordu Publiko) (Zittingsjaar 2020-2021-198)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 14 juni 2021 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 20 september 2021, bericht de Raad u als volgt.

Algemeen

Het doel van het initiatiefontwerp
De onderhavige initiatiefontwerplandsverordening van Tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie in verband met de uitbraak van COVID-19 (hierna: het initiatiefontwerp) strekt blijkens de daarbij behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) ertoe tijdelijke voorzieningen te treffen dan wel tijdelijke aanpassingen in een aantal wettelijke regelingen aan te brengen teneinde de bestaande wet- en regelgeving toereikend te maken om adequaat de (dreigende) noodsituatie die door de COVID-19 pandemie is ontstaan het hoofd te kunnen bieden. De Raad constateert bij ontvangst van dit adviesverzoek op 15 juni 2021 dat verschillende maatregelen ter bestrijding van het SARS-CoV-2 virus (hierna: het coronavirus) door de regering zijn versoepeld. Ook is een relatief groot deel van de Curaçaose bevolking reeds volledig gevaccineerd tegen het coronavirus.
Ondanks voornoemde omstandigheden bestaat naar de mening van de Raad, door het bestaan van verschillende nieuwe, besmettelijke varianten van het coronavirus, waaronder de thans heersende delta variant, nog steeds het risico dat het aantal besmettingen met het coronavirus weer opeens toeneemt. Een toename van het aantal besmettingen met alle negatieve gevolgen van dien is onder deze omstandigheden vooral te vrezen onder niet gevaccineerde personen in risicogroepen (met name ouderen en personen met chronische aandoeningen en verminderde weerstand). Derhalve valt het niet uit te sluiten dat de regering op enig moment in de tijd de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus weer zal moeten opschalen.

Uit het vorenstaande volgt dat de ontwikkeling van het coronavirus nog steeds onbekend, snel en onvoorspelbaar is.  In een situatie zoals deze vindt de Raad dat er steeds naar een balans moet worden gezocht tussen de bestrijding van het coronavirus en het mitigeren van de negatieve gevolgen daarvan op sociaal, economisch en financieel gebied.

De Raad plaatst enige kanttekeningen bij onder meer de noodzaak tot bepaalde in het initiatiefontwerp opgenomen maatregelen ter bestrijding van

het coronavirus. Dit in het licht van de in het P.B. 2020, no.136 afgekondigde Lei di Estado di Emergensia (hierna: LEE).

2. De noodzaak tot tijdelijke concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus

De LEE kort belicht
 
1°. Het gekozen systeem in de LEE
De LEE is op 5 december 2020 inwerking getreden. Deze strekt tot uitvoering van artikel 96 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) en regelt de afkondiging, de handhaving en de opheffing van een uitzonderingstoestand, alsmede tot de vaststelling van de bevoegdheden die door de overheid kunnen worden toegepast gedurende een uitzonderingstoestand[1]. De LEE regelt dus staatsnoodrecht. Staatsnoodrecht is het recht voor (buitengewone) omstandigheden, waarin de overheid haar taken niet binnen de normale (grond) wettelijke kaders kan uitoefenen.
In het door de LEE gekozen systeem hoeft het gebruik van buitengewone bevoegdheden niet alleen plaats te vinden in het kader van uitzonderingstoestanden maar ook daarbuiten. In artikel 28 van de LEE is de mogelijkheid van separate toepassing mogelijk gemaakt, met de waarborgen die daarbij passen[2].
 
2°. De bevoegdheden van de minister en de Staten bij afkondiging van een uitzonderingstoestand
De inwerkingstelling van buitengewone bevoegdheden stelt het bestuur in staat adequaat op te treden als de normale bevoegdheden niet toereikend zijn. Tegenover de bevoegdheid van de regering om in een uitzonderingstoestand buitengewone bevoegdheden in werking te stellen, staat de bevoegdheid van de Staten om terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand te beslissen over het voortduren daarvan en voorts telkens wanneer zij dat nodig achten. In verband met de grote spoed waarmee maatregelen in een uitzonderingstoestand vastgesteld moeten worden, is in de LEE aan de Minister van Algemene Zaken de bevoegdheid gedelegeerd om op verschillende gebieden bij ministeriële regeling met algemene werking regels vast te stellen. Zo is genoemde minister op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de LEE bevoegd gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt om bij ministeriële regeling met algemene werking te bepalen dat het aan een ieder verboden is zich op de openbare weg, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Landsverordening openbare orde te begeven, zich aan de openbare weg op te houden, zich te begeven op of in daartoe aangewezen gebouwen, verblijfsplaatsen of terreinen, of in de open lucht te vertoeven.
De bestendigheid van de LEE is gewaarborgd doordat de LEE niet alleen ter bestrijding van het coronavirus toegepast kan worden, maar ook ingeval sprake is van andere buitengewone omstandigheden.  Ook de in artikel 28 opgenomen mogelijkheid van separate toepassing garandeert de bestendigheid van de LEE.
Naar het oordeel van de Raad zijn de eisen van een democratische rechtstaat, waaronder de democratische legitimatie en democratische controle voor onder andere de bestrijding van een virus van de omvang van het coronavirus met de LEE voldoende gewaarborgd.

b.   De noodzaak van het initiatiefontwerp in samenhang met de LEE en de daarop berustende regelingen

Op grond van artikel 2 van de LEE heeft de Minister van Algemene Zaken vanwege de aanwezigheid van het coronavirus in Curaçao op 10 december 2020 middels het Landsbesluit afkondiging uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie een uitzonderingstoestand (P.B. 2020, no. 141) afgekondigd, welke sindsdien, wegens het voortduren van de coronacrisis, steeds met 90 dagen is verlengd[3]. Daarbij zijn enkele bepalingen van de LEE in werking gesteld, waaronder ook bovengenoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de LEE. Ook is in verband met voormelde afkondiging en inwerkingstelling bij ministeriële regeling met algemene werking de Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie vastgesteld en per 11 december 2020 in werking getreden. Met laatstgenoemde regeling wordt uitvoering gegeven aan dan wel nadere regels vastgesteld over enkele in werking gestelde bepalingen van hoofdstuk “3. Bevoegdheden burgerlijk gezag gedurende een uitzonderingstoestand” van de LEE ter bestrijding van het coronavirus. De Raad constateert dat de in de artikelen 7 tot en met 19 van het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus, nagenoeg dezelfde onderwerpen, zij het enigszins aangepast, beogen te regelen als die in de Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie reeds geregeld zijn. De Raad verwijst bij wijze van voorbeeld naar de artikelen 7, 8, 9, 17 en 18 van het initiatiefontwerp die nagenoeg dezelfde materie regelen als de artikelen 4, 7, 9 en 11 van de Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie. Naar het oordeel van de Raad is er in het licht van de LEE en de daarop gebaseerde Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie geen behoefte aan de in het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus. De Raad verwijst hierbij naar aanwijzing 4 van de Aanwijzingen voor de regeling (hierna: Awr) die voorschrijft dat tot het ontwerpen van nieuwe regels alleen besloten wordt, indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan. De Raad is van oordeel dat met de LEE en de daarop gebaseerde Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID?19 pandemie hetzelfde doel kan worden bereikt als met de artikelen 7 tot en met 19 van het initiatiefontwerp wordt beoogd. Het valt de Raad op dat de memorie van toelichting niet in gaat op de mogelijkheden om met de LEE hetzelfde doel te bereiken als met bovengenoemde artikelen van het initiatiefontwerp, de verhouding tussen de LEE en het initiatiefontwerp en de reden waarom voor nieuwe regels over deze materie is gekozen.

c.   De in het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen

Verder valt het de Raad op dat in het initiatiefontwerp rechtstreeks tijdelijke concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus zijn opgenomen, namelijk die in de artikelen 7 tot en met 19. De Raad meent dat de overheid in de strijd tegen het coronavirus snel en slagvaardig moet kunnen optreden. De overheid moet de mogelijkheid hebben om de nodige maatregelen te treffen om snel te kunnen op- en afschalen. In de memorie van toelichting (pagina 1) wordt dat aspect als een van de redenen genoemd om met het initiatiefontwerp te komen. Echter bij het treffen van concrete maatregelen op het niveau van een landsverordening kan dat over het algemeen niet worden bereikt. Het treffen van concrete maatregelen bij ministeriële regeling met algemene werking kan volgens de Raad sneller en slagvaardiger plaatsvinden. Het verdient om die reden geen aanbeveling om concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus die met grote spoed genomen dan wel gewijzigd moeten worden op het niveau van een landsverordening te regelen.

Op grond van het vorenstaande meent de Raad dat er in het licht van de LEE en de daarop gebaseerde Tijdelijke regeling maatregelen uitzonderingstoestand COVID-19 er geen noodzaak bestaat voor de in de voorgestelde artikelen 7 tot en met 19 opgenomen tijdelijke concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus.

3.  Aangelegenheden van straf-, burgerlijk- en bestuursprocesrecht bij eenvormige landsverordening

In artikel 3, onderdelen a en b, van de Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden de aangelegenheden die eenvormig dienen te worden geregeld opgesomd. In bedoelde opsomming wordt het straf-, het burgerlijk- en het bestuursprocesrecht genoemd. In de artikelen 3 tot en met 6 worden aangelegenheden van burgerlijk-, bestuurs- en strafprocesrecht geregeld. De omstandigheid dat de initiatiefnemer gekozen heeft de materie van straf, burgerlijk- en bestuursprocesrecht waar het in genoemde artikelen van het initiatiefontwerp omgaat in een afzonderlijke tijdelijke landsverordening te regelen doet niet af aan het vereiste van eenvormigheid. In dit kader rijst de vraag of het wenselijk is om onderwerpen die bij eenvormige landsverordening geregeld moeten worden in een landsverordening samen te brengen met andere onderwerpen waarvoor het vereiste van eenvormigheid niet geldt.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het initiatiefontwerp aan te passen.

4. De reikwijdte van de in het initiatiefontwerp getroffen voorziening

Uit de memorie van toelichting (pagina 2, eerste tekstblok) maakt de Raad op dat het initiatiefontwerp het mogelijk maakt dat het op verschillende terreinen waar nu fysieke overleg- en besluitvormingsprocedures zijn voorgeschreven, tijdelijk zal kunnen worden volstaan met communicatie door middel van elektronische middelen. Echter constateert de Raad dat de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 alleen betrekking hebben op de rechtspraak. Genoemde bepalingen maken het mogelijk om zowel in burgerlijke- en bestuursrechtelijke procedures, als in strafrechtelijke procedures mondelinge behandelingen te laten plaatsvinden zonder dat een fysieke zitting in het gerechtsgebouw plaatsvindt. Gebruik kan worden gemaakt van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, wat betekent dat een (groep) telefoongesprek plaatsvindt of de mogelijkheid van beeldbellen kan worden gebruikt.  De Raad komt dus tot het oordeel dat de memorie van toelichting niet helemaal in overeenstemming is met het initiatiefontwerp. Uit de memorie van toelichting kan ook niet worden opgemaakt waarom slechts voor de rechtspraak een voorziening is getroffen. De Raad merkt op dat niet alleen de rechtspraak, maar nagenoeg het rechtsverkeer in zijn geheel door het treffen van de beperkende maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus negatief wordt beïnvloed. In dat kader rijst de vraag of er onderzoek is verricht naar andere rechtsgebieden in de bestaande Curaçaose wetgeving waar nu fysieke overleg- en besluitvormingsprocedures wettelijk zijn voorgeschreven, die vereisen dat onder deze omstandigheden ook tijdelijk een voorziening moet worden getroffen voor de continuïteit van de werkzaamheden in die rechtsgebieden. Het verdient volgens de Raad aanbeveling een dergelijk onderzoek te verrichten en de nodige tijdelijke wijzigingen aan te brengen dan wel voorzieningen te treffen in de betreffende wettelijke regelingen ter waarborging van de continuïteit van het rechtsverkeer in die rechtsgebieden.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.               

5.   Openbaarheid van de rechtspraak

a.   Het belang van openbaarheid

Openbaarheid is naar de mening van de Raad een belangrijk beginsel voor de rechtspraak. Dat beginsel is neergelegd in artikel 104 van de Staatsregeling jo. artikel 5 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie en artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM).  Het belang daarvan is vooral gelegen in de mogelijkheid van publieke controle op de rechtspraak. Artikel 104 van de Staatsregeling laat toe dat wettelijk kan worden afgeweken van het uitgangspunt van openbaarheid. De Raad constateert dat de in de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 opgenomen mogelijkheid om in bepaalde gevallen af te kunnen zien van een fysieke zitting gevolgen kan hebben voor de openbaarheid van de zitting. Immers deelname op afstand aan de mondelinge behandeling door een ieder die dat wenst wordt beperkt. Dit is vooral het geval wanneer een mondelinge behandeling uitsluitend telefonisch plaatsvindt[4]. Daar de in de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 opgenomen mogelijkheid om in bepaalde gevallen af te kunnen zien van een fysieke zitting gevolgen kan hebben voor de openbaarheid van de zitting vindt de Raad het van belang dat er in de memorie van toelichting een uiteenzetting daarover wordt gegeven.

De memorie van toelichting gaat niet in op bovengenoemd beginsel en de uitzonderingsmogelijkheid die artikel 104 van de Staatsregeling daarop biedt. Evenmin gaat de memorie van toelichting in op de vraag of het afzien van een fysieke zitting in verband met het coronavirus een uitzonderingsmogelijkheid is in de zin van artikel 104 van de Staatsregeling en of die uitzonderingsmogelijkheid verenigbaar is met artikel 6 van het EVRM.

Naar het oordeel van de Raad wordt met de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 gestalte gegeven aan de uitzonderingsmogelijkheid die artikel 104 van de Staatsregeling biedt. De Raad acht deze ook verenigbaar met artikel 6 van het ERVM, mede gezien de alternatieve voorzieningen die geboden worden door het gebruik van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, waarmee geïnteresseerden de zitting live via internet kunnen volgen.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen. 

b.   Mondelinge behandeling van rechtszaken in de praktijk tijdens de coronacrisis

Bij het hoogtepunt van de uitbraak van het coronavirus was als gevolg van de door de regering opgelegde beperkende maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding daarvan ook het gerechtsgebouw voor het publiek gesloten. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) nam slechts spoedeisende zaken in behandeling [5]. De Raad neemt aan dat de behandeling van niet spoedeisende zaken daardoor is stilgevallen dan wel indien mogelijk aangehouden. Uit de memorie van toelichting kan de Raad niet opmaken hoe door het Hof daarmee in het begin van en naderhand ten tijde van deze crisis is omgegaan. Het is niet bekend of de mondelinge behandeling van de spoedeisende zaken door het Hof op een fysieke zitting of langs elektronische weg heeft plaatsgevonden. Aangenomen wordt dat in geval de mondelinge behandeling van die zaken op een fysieke zitting plaatsvond dat de toegankelijkheid van de zittingszaal door de maatregelen beperkt was.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen.

c.   De waarborging van de openbaarheid van een fysieke zitting tijdens de coronacrisis

Volgens een arrest van de Hoge Raad volgt dat niet iedere beperking in de toegankelijkheid van een zittingszaal aan de behandeling van een rechtszaak het openbare karakter daarvan ontneemt[6]. Gegeven de noodzaak van dergelijke beperkingen en de noodzaak met name (zeer) urgente zaken op een fysieke zitting zoveel mogelijk doorgang te laten vinden, komt het volgens de Hoge Raad erop aan of de publieke verantwoording van de rechtspleging en van het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak op een andere manier wordt gewaarborgd. Daarbij komt in het bijzonder gewicht toe aan de toegankelijkheid van de zittingszaal voor de pers. Ook kan in zaken waarvoor bijzondere publieke belangstelling bestaat het publiek in staat worden gesteld om het verloop van de behandeling van de zaak te volgen, bijvoorbeeld via een beeld- en geluidverbinding (waaronder een livestream).

Uit de memorie van toelichting kan de Raad niet opmaken hoe de publieke verantwoording van de rechtspleging en van het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak (het beginsel van openbaarheid) ondanks de beperkende maatregelen bij een fysieke zitting tijdens de coronacrisis was gewaarborgd.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen.

d.   Het horen van het Hof en het openbaar ministerie

De Raad kan uit de memorie van toelichting ook niet afleiden of overleg is gepleegd met het Hof en het openbaar ministerie ter beantwoording van de hierboven in de onderdelen I.5.b en I.5.c gestelde vragen. De beantwoording van genoemde vragen draagt bij aan de kwaliteit en de begrijpelijkheid van de memorie van toelichting - door informatie te verschaffen over de werkwijze van de rechtspraak tijdens de coronacrisis in de praktijk.

De Raad adviseert het Hof en het openbaar ministerie omtrent het initiatiefontwerp te horen en indien nodig het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting aan de hand van de ontvangen informatie aan te passen. 

e.   Het houden van een fysieke zitting tijdens de uitzonderingstoestand, bedoeld in de LEE

Pas bij de inwerkingtreding van de LEE - ruim een jaar na de uitbraak van het coronavirus - heeft de wetgever zich enigszins over de mondelinge behandeling van rechtszaken tijdens een uitzonderingstoestand uitgelaten. Artikel 11, zesde lid, van de LEE  bepaalt ten aanzien van rechtszittingen dat rechters tijdens een uitzonderingstoestand als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de LEE ongehinderd mondelinge behandelingen op fysieke zitting kunnen houden, met griffiers, leden van het openbaar ministerie, procesgemachtigden, journalisten met perskaart en voor de zitting bij name uitgenodigde personen.  Volgens de memorie van toelichting behorende bij de LEE zijn de rechters bevoegd in een uitzonderingstoestand fysieke zitting te houden al zal worden getracht – indien betrokkenen allen beschikken over de benodigde apparatuur- om zoveel mogelijk digitale behandelingen te houden. Op grond van bovengenoemd artikellid van de LEE is het houden van een fysieke zitting in een uitzonderingstoestand beperkt waarbij de openbaarheid wordt gegarandeerd door aanwezigheid van de pers. De Raad constateert dat het oordeel van de wetgever over het houden van een fysieke zitting tijdens een uitzonderingstoestand als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de LEE in lijn is met de hierboven aangehaalde jurisprudentie op dat gebied. Voor de digitale mondelinge behandeling van rechtszaken bestaat er evenwel tot nu toe geen wettelijke basis. De rechters kunnen volgens de memorie van toelichting behorende bij de LEE van die mogelijkheid gebruik maken maar het al dan niet gebruik daarvan is afhankelijk gesteld van de beschikking over de benodigde apparatuur door betrokkenen. De Raad meent - al zegt laatstgenoemde memorie van toelichting niks daarover- dat voor het gebruik daarvan in beginsel ook de instemming van partijen nodig is.

f.    Het creëren van een wettelijke grondslag voor de digitale behandeling van rechtszaken

1°. Het initiatiefontwerp

De voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 creëren een wettelijke grondslag voor de toepassing van telefonie, videoverbindingen of andere audiovisuele transmissie voor alle betrokkenen bij de zitting. De toepassing daarvan blijft evenwel afhankelijk van de beschikking door betrokkenen over de benodigde apparatuur, maar indien zij daarover beschikken kan het ook zonder de instemming van de betrokken partijen worden toegepast. De memorie van toelichting gaat niet in op het instemmingsvereiste dat, door het creëren van een wettelijke grondslag voor het gebruik van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, zal komen te vervallen.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te vullen.

2°. Het initiatiefontwerp versus de LEE en de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie

De behoefte aan de mogelijkheden voor de digitale behandeling van rechtszaken, genoemd in de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5, kan zich voordoen in een buitengewone omstandigheid anders dan de coronacrisis. Ter voorkoming van versnippering van noodwetgeving op het gebied van de rechtspraak is de Raad van oordeel dat het gewenst is om de in de artikelen 3 tot en met 5 van het initiatiefontwerp geregelde onderwerpen in de LEE of de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie te regelen. In de memorie van toelichting bij het initiatiefontwerp kan niet worden opgemaakt waarom de initiatiefnemer niet hiervoor heeft gekozen.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het initiatiefontwerp aan te passen.

6. Analyse naar het bestaan van lokale noodwetgeving

Bij het afkondigen van uitzonderingstoestanden zou zich het geval kunnen voordoen dat de overheid maatregelen zal moeten treffen met betrekking tot andere onderwerpen die niet direct te maken hebben met de beperking van grondrechten of het afwijken hiervan. Deze onderwerpen zouden bijvoorbeeld eerder te maken kunnen hebben met het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Volgens de Raad dient – zoals al aan de regering is geadviseerd[7] - in alle relevante wettelijke regelingen nagegaan te worden of daarin noodwetgeving is opgenomen en of deze noodwetgeving gemoderniseerd en geactualiseerd dient te worden.

De Raad adviseert na te gaan of de regering hoger bedoelde analyse heeft laten verrichten en aan de hand van het resultaat van deze analyse de afweging te maken of de ingeslagen weg gecontinueerd moet worden. Als dit het geval is, dient te worden nagegaan of het initiatiefontwerp aangevuld moet worden met nog meer noodbepalingen c.q. noodvoorzieningen.

7. De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp

In artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 is bepaald dat in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel moet worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. Hoewel de toelichting op genoemd artikel niets daarover zegt, maakt de Raad naar aanleiding van de laatste volzin daarvan op, dat het artikel alleen ministers bindt. Toch kan er naar het oordeel van de Raad een invloed hiervan naar de Staten uitgaan. Immers, de lasten voor de overheid en de eventuele lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, die voortvloeien uit het initiatiefontwerp, zullen op de begroting van het Land gaan drukken. In aanwijzing 157 van de Awr wordt ook bepaald dat de memorie van toelichting een verantwoording dient te bevatten over de lasten voor de overheid en de financiële gevolgen van een ontwerpregeling. Indien een ontwerp voor een landsverordening financiële gevolgen voor het Land bevat, dient overeenkomstig aanwijzing 159 van de Awr in een afzonderlijk gedeelte van de memorie van toelichting aangegeven te worden in welke omvang daaraan meer of minder uitgaven of ontvangsten zullen zijn verbonden.

In de memorie van toelichting (pagina 3) wordt aangegeven dat het initiatiefontwerp geen of althans minimale gevolgen zal hebben voor ‘s landskas, omdat de kosten daarvan budgetneutraal zullen worden gedekt. De Raad meent dat de handhaving van de in het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus zeker extra kosten voor het Land met zich mee zal brengen. De omvang van deze kosten dient in de memorie van toelichting inzichtelijk te worden gemaakt. Verder vindt de Raad dat het gestelde argument in onderdeel “2. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting niet steekhoudend is. Immers het feit dat de kosten van het initiatiefontwerp budgetneutraal zullen worden gedekt betekent niet dat het initiatiefontwerp geen of minimale kosten voor het Land met zich mee zal brengen.

Gezien het bovenstaande is het gestelde in onderdeel “2. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting volgens de Raad niet voldoende.

De Raad adviseert, met inachtneming van het bovenstaande, in onderdeel “2. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting de verwachte kosten verbonden aan de uitvoering van de onderhavige (initiatief)landsverordening inzichtelijk te maken en aan te geven hoe deze kosten gedekt zullen worden.

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het initiatiefontwerp

a.   De criteria voor toepassing van de landsverordening

Het voorgestelde artikel 1 somt de gevallen op waarin deze landsverordening kan worden toegepast. Het gebruik van de term “alleen” in de aanhef van dat artikel duidt op een limitatieve opsomming. Dit wil zeggen dat met de opsomming in de onderdelen a tot en met e alle gevallen genoemd worden waarin de onderhavige landsverordening kan worden toegepast. Echter lijkt er door de in het voorgestelde artikel 1 gebruikte formulering volgens de Raad geen verschil te zijn in de onder de verschillende onderdelen opgesomde gevallen. Naar het oordeel van de Raad kan hier worden volstaan met het opnemen van een criterium in één volzin in het initiatiefontwerp waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat deze landsverordening slechts kan worden toegepast ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus in Curaçao.   

De Raad adviseert het voorgestelde artikel 1 met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

De bevoegdheid van de Minister van Justitie

Ingevolge artikel 2 van het initiatiefontwerp heeft de Minister van Justitie de bevoegdheid om aan te geven, wanneer en welke van de artikelen in deze landsverordening zal worden toegepast. Uit wetstechnisch oogpunt is de Raad van mening dat genoemd artikel duidelijker moet worden geformuleerd. In de eerste plaats is niet duidelijk of de bevoegdheid die in genoemd artikel aan de Minister van Justitie wordt toegekend een regelgevende of een bestuursbevoegdheid betreft. Indien het een bestuursbevoegdheid is, moet geregeld worden op welke wijze het genomen besluit van genoemde minister voor een ieder kenbaar zal worden gemaakt.

In de tweede plaats lijkt het door het gebruik van de woorden “wanneer en welke van de artikelen in deze landsverordening toegepast zal worden” erop dat de toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 ook afhankelijk is gesteld van de betreffende minister, hetgeen volgens de Raad niet de bedoeling kan zijn. Naar het oordeel van de Raad dient artikel 2 alleen betrekking te hebben op de artikelen 7 tot en met 19 van het initiatiefontwerp, waarin de concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus zijn vervat.

De Raad adviseert het voorgestelde artikel 2 met inachtneming van het bovenstaande aan te passen. 

c.     Digitale behandeling in strafzaken

Volgens de memorie van toelichting (pagina 2, tweede tekstblok) verruimt het voorgestelde artikel 4 de reeds voor strafzaken bestaande mogelijkheid tot de toepassing van videoconferentie voor het horen, verhoren of ondervragen van personen. In plaats van videoconferentie een vorm van tweezijdig elektronisch communicatiemiddel waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt, kan, op grond van het voorgestelde artikel 4, gebruik worden gemaakt van een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel zoals (groeps) telefonie, aldus die toelichting. Het voorgestelde artikel 4 gebruikt daarom de term “In aanvulling op het Wetboek van Strafvordering”. De Raad constateert echter dat de toepassing van videoconferentie voor het horen, verhoren of ondervragen van personen niet in het Wetboek van Strafvordering is geregeld. Een voorziening voor het gebruik van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, zoals videoconferentie, voor het horen, verhoren of ondervragen van personen dient alsnog middels het initiatiefontwerp in het Wetboek van Strafvordering te worden opgenomen.

De Raad adviseert het voorgestelde artikel 4 en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

d.   Afname slijmvlies of sputum ten behoeve van het coronavirus onderzoek

Ingevolge het voorgestelde artikel 6 kan in aanvulling op het Wetboek van Strafvordering een onderzoek ook plaatsvinden door afname van slijmvlies of sputum. Genoemd artikel geeft evenwel niet aan welk artikel van het Wetboek van Strafvordering wordt aangevuld. Ook is niet duidelijk om welk onderzoek het hier gaat. Aangezien uit de memorie van toelichting de bedoeling van genoemd artikel onvoldoende duidelijk is, heeft de Raad voor de uitleg daarvan aansluiting gezocht bij artikel 33 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid van Nederland die een bepaling kent, welke gelijksoortig is aan het voorgestelde artikel 6.

Artikel 33 schrijft voor dat in aanvulling op artikel 151e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van Nederland een onderzoek als daar bedoeld ook kan plaatsvinden door afname van slijmvlies of sputum. Het onderzoek bedoeld in artikel 151e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van Nederland betreft het onderzoek bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Dat onderzoek heeft tot doel vast te stellen of een verdachte drager is van een bij algemene maatregelen van bestuur aangewezen ernstige ziekte, zoals HIV. Tot het verrichten van een dergelijk onderzoek kan de Officier van Justitie de verdachte slechts verzoeken indien bij een misdrijf aanwijzingen bestaan dat besmetting van een slachtoffer met een dergelijke ziekte kan hebben plaatsgevonden. De aanleiding voor de tijdelijke voorziening opgenomen in artikel 33 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid van Nederland is het voornemen om COVID-19 toe te voegen aan de lijst van ernstige besmettelijke ziekten opgenomen in de betreffende algemene maatregel van bestuur.

De Raad merkt op dat wij hier te lande een soortgelijke bepaling als artikel 151e van het Wetboek van Strafvordering van Nederland niet kennen. Dit betekent dat een aan artikel 151e van het Wetboek van Strafvordering soortgelijke bepaling middels het initiatiefontwerp in het Wetboek van Strafvordering moet worden opgenomen. In dat kader rijst tevens de vraag of een dergelijke bepaling al dan niet permanent in het Wetboek van Strafvordering moet worden opgenomen.

De Raad adviseert het voorgestelde artikel 6 van het initiatiefontwerp en de toelichting daarop met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.       

e.   De wijze van dienstverlening

Artikel 7, eerste lid, van het initiatiefontwerp omschrijft de nieuwe manieren waarop de verschillende diensten ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus moeten plaatsvinden. De Raad constateert dat er tussen de wijze van dienstverlening opgenomen in de onderdelen f en g van genoemd artikellid ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus en de wijze van verlening van genoemde diensten onder normale omstandigheden geen verschil bestaat. Bovendien is in de onderdelen h en i van bovengenoemd artikellid opgenomen diensten niet aangegeven op welke wijze deze zullen worden verleend.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

f.    Handhaving

De Raad merkt op dat in het initiatiefontwerp geen bepalingen zijn opgenomen over de wijze waarop de naleving van het bij of krachtens het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus zullen worden bevorderd of bewerkstelligd. Ook de memorie van toelichting zwijgt daarover. Ingevolge aanwijzing 8, eerste lid, van de Awr wordt niet tot het ontwerpen van een regeling besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt. Daarbij wordt overeenkomstig het tweede lid van genoemde aanwijzing onderzocht of handhaving het beste langs bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden. De Raad meent dat voor de handhaving van het bij of krachtens het initiatiefontwerp opgenomen concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus de nodige toezicht - en sanctiebepalingen in het initiatiefontwerp dienen te worden opgenomen.  

De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande en in ieder geval aanwijzing 8 van de Awr aan te passen.

g.   De omschrijving van de regelgevende bevoegdheid van de Minister van Justitie

In de artikelen 11, 15, tweede en derde lid, 17, eerste en vierde lid en 20 van het initiatiefontwerp is niet duidelijk of de in die artikelen aan de Minister van Justitie toegekende bevoegdheid een regelgevende bevoegdheid is. Naar het oordeel van de Raad dient in genoemde artikelen duidelijk tot uitdrukking te worden gebracht dat de daarin toegekende bevoegdheid aan de Minister van Justitie een regelgevende bevoegdheid betreft en dat daartoe in voorkomende gevallen een ministeriële regeling met algemene werking zal worden vastgesteld.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande en aanwijzing 22 van de Awr aan te passen. 

h.   Overbodige herhaling van het bepaalde in artikel 1 van het initiatiefontwerp

De artikelen 12 en 20, laatste volzin, van het initiatiefontwerp bepalen dat artikel 1 van deze regeling mede van toepassing is.  Artikel 1 van het initiatiefontwerp regelt het criterium voor de toepassing van deze landsverordening. Gezien het bepaalde in artikel 1 van het initiatiefontwerp is daarom voor de Raad onduidelijk wat met bovengenoemde volzin in de artikelen 12 en 20 wordt beoogd. De Raad vindt een herhaling van het bepaalde in artikel 1 in de artikelen 12 en 20 overbodig.

De Raad adviseert de laatste volzin in de voorgestelde artikelen 12 en 20 te schrappen.

De richtlijnen voor charter c.q. commerciële vaartuigen

Uit artikel 13 (tweede aandachtsstreep) van het initiatiefontwerp volgt dat de richtlijnen voor charter c.q. commerciële vaartuigen van overeenkomstige toepassing zijn op pleziervaartuigen. Uit het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt welke richtlijnen hier worden bedoeld, wie deze heeft opgesteld en of deze worden gepubliceerd.

 

De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen. 

j.    Regels voor het varen van Curaçao naar Klein Curaçao en terug

In artikel 14 van het initiatiefontwerp worden regels gesteld voor het varen van pleziervaartuigen van Curaçao naar Klein Curaçao en terug. De Raad wijst erop dat deze regels bij ministeriële regeling met algemene werking van de Minister van Justitie moeten worden geregeld. Hiermee wordt bewerkstelligd dat desgewenst snel een wijziging van bedoelde gegevens kan plaatsvinden in plaats van het doorlopen van de lange weg van de wijziging van een landsverordening. 

In artikel 14 van het initiatiefontwerp is niet uitdrukkelijk geregeld op welke vaartuigen dit artikel van toepassing zal zijn.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

k.   Bepaling tot vaststelling van de citeertitel

Aan het slot van het opschrift is aan het initiatiefontwerp een citeertitel gegeven. De Raad merkt evenwel op dat een bepaling in het initiatiefontwerp tot vaststelling van de citeertitel ontbreekt.

De Raad adviseert om met inachtneming van aanwijzing 147, tweede lid, in samenhang met aanwijzing 73 van de Awr een bepaling tot vaststelling van een citeertitel in het initiatiefontwerp op te nemen.

 

De memorie van toelichting

Schema van elektronische communicatiemiddelen

In de memorie van toelichting (pagina 2) wordt verwezen naar een schema in de memorie van toelichting dat aangeeft welke begrippen zijn gebruikt om de verschillende vormen van communicatie aan te duiden en welke concrete middelen benut kunnen worden voor ieder van de gebruikte begrippen. De Raad constateert dat genoemd schema in de memorie van toelichting ontbreekt. De Raad is van mening dat de invoeging van dat schema in de memorie van toelichting de begrijpelijkheid van de memorie van toelichting ten goede zal komen.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

Het criterium voor het afzien van een fysieke zitting

Zowel in het voorgetelde artikel 1 als in de voorgestelde artikelen 3 tot en met 5 is een koppeling gemaakt met de uitbraak van het coronavirus (dan wel het tegengaan van de verdere verspreiding van het coronavirus) voor het kunnen afzien van het houden van een fysieke zitting. Volgens de Raad kan in het initiatiefontwerp worden volstaan met de koppeling die is gemaakt met de uitbraak van het coronavirus in het voorgestelde artikel 1. Verder mist de Raad in de memorie van toelichting een uitleg over de wijze waarop door de rechtsprekende instanties wordt bepaald dat in verband met de uitbraak van het coronavirus /het tegengaan van de verdere verspreiding van het coronavirus van het houden van een fysieke zitting wordt afgezien.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting op grond van het vorenstaande aan te passen.  

 

 De uitzondering op de mogelijkheid van digitale behandeling in strafzaken

In artikel 5 van het initiatiefontwerp wordt ten aanzien van de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan in strafzaken vastgehouden aan het plaatsvinden van een fysieke zitting in het gerechtsgebouw. In de memorie van toelichting wordt niet uitgelegd waarom voor die specifieke situatie aan het beginsel van de openbaarheid van de terechtzitting wordt vastgehouden. Ook gaat de memorie van toelichting niet in op de wijze waarop de openbaarheid ondanks de gestelde beperkingen voor het houden van een fysieke zitting in genoemde specifieke situatie zal worden gerealiseerd.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.

 

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

IV. Conclusie van de Raad

De Raad heeft verschillende zwaarwegende bezwaren bij dit initiatiefontwerp in onderdeel I. “2. De noodzaak tot tijdelijke concrete maatregelen ter bestrijding van het coronavirus” van dit advies,  aangegeven.

Op grond van bedoelde bezwaren bij het initiatiefontwerp adviseert de Raad om het initiatiefontwerp niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.

 

Willemstad, 22 september 2021

 

de  wnd. Ondervoorzitter,                                                      de Secretaris,

 

_____________________                                                      _____________________

Dr. J. Sybesma                                                                                   mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/23-21-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1.  Het initiatiefontwerp

Voorgesteld wordt in het opschrift na de eerste “van” “de houdende” in te voegen en

“Tijdelijke” te vervangen door “tijdelijke”. 

Opgemerkt zij dat aan het slot van het opschrift twee citeertitels aan het initiatiefontwerp

worden gegeven. Een in het Nederlands en een in het Papiaments. Voorgesteld wordt aan het slot van het opschrift slechts één citeertitel aan het initiatiefontwerp te geven. Indien voor de Nederlandstalige citeertitel wordt gekozen wordt voorgesteld “Tijdelijke wet” te vervangen door “Tijdelijke landsverordening”.

Het initiatiefontwerp beoogt tijdelijke voorzieningen te treffen op het terrein van het Ministerie van Justitie in verband met de uitbraak van het coronavirus. Hoewel de openbare orde onder het Ministerie van Justitie valt, wordt in de citeertitel naast “Justitie” ook “Openbare Orde” genoemd. Met het oog op aanwijzing 147, eerste lid, van de Awr wordt voorgesteld  “Openbare Orde” of “Ordu Publiko” in de citeertitel te schrappen. 

Voorgesteld wordt in de aanhef van het initiatiefontwerp “IN NAAM VAN DE KONING!” te vervangen door “In naam van de Koning!”. Verwezen wordt hierbij naar artikel VII van de Landsverordening troonopvolging (P.B. 2014, no. 87), waarbij de artikelen 7 en 8 van de Bekendmakingsverordening zijn gewijzigd.  

In aanmerking genomen dat er al ruim ander half jaar sprake is van het coronavirus pandemie wordt voorgesteld in de considerans “spoedeisende” te schrappen.

Voorgesteld wordt in de aanhef “De Landsverordening Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Openbare orde” te schrappen.

Artikel 1

Voorgesteld wordt in de aanhef “wordt alleen ingeroepen” te vervangen door “wordt alleen toegepast”. Ook wordt voorgesteld de formulering van de zinnen in de verschillende onderdelen van artikel 1 nader te bezien.

Artikel 2

Voorgesteld wordt “minister van Justitie” te vervangen door “Minister van Justitie” en “Landsverordening” te vervangen door “landsverordening”.

Artikel 4

Voorgesteld wordt “In aanvulling aan” te vervangen door “In aanvulling op”.

Artikel 5

Voorgesteld wordt in de zinsnede “: a.” te schrappen daar in genoemd artikel slechts een uitzondering in strafzaken wordt genoemd op de mogelijkheid om bij de mondelinge behandeling een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel toe te passen. 

Artikel 6

Voorgesteld wordt “In aanvulling op aan” te vervangen door “In aanvulling op”.

Artikel 7

Voorgesteld wordt bij de opsomming in het voorgestelde artikel 7, eerste lid, onderdeel d, met aanwijzing 77, eerste lid, onderdeel a, van de Awr rekening te houden. Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 7, tweede lid, eerste volzin, “detailen groothandel” te vervangen door detail- en groothandel”. 

Ook wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel 7, derde lid, het lidwoord “de “vóór “vijftig procent” te schrappen.

Artikel 8

Voorgesteld wordt de in het vierde lid van het voorgestelde artikel 8 opgenomen tekst te verplaatsen naar het derde lid achter “ruimte,” en de aanduiding “4.” te schrappen. Ook wordt voorgesteld in die tekst “absolute” te vervangen door “absoluut”.

Artikel 11

Voorgesteld wordt na “tussen” het onbepaald lidwoord “een” in te voegen en “een bepaalde uur” te vervangen door “een vastgesteld tijdstip”. Ook wordt voorgesteld in de laatste volzin “Het houden van een barbecue” te vervangen door “Het organiseren van een barbecue”.

Artikel 12

Voorgesteld wordt de indeling van het voorgestelde artikel 12 met inachtneming van aanwijzingen 76 en 77 van de Awr aan te passen.

In de vierde aandachtsstreep wordt in de formulering gebruik gemaakt van het werkwoord  “dienen”. Voorgesteld wordt met verwijzing naar aanwijzing 40 van de Awr om het betreffende bepaling anders te formuleren.  

Artikel 13

Voorgesteld wordt de onderverdeling in aandachtstrepen met inachtneming van aanwijzing 76 van de Awr te vervangen door een onderverdeling in artikelleden.

Artikel 14

Voorgesteld wordt met inachtneming van aanwijzingen 76 en 77 van de Awr de onderverdeling in aandachtstrepen te vervangen door een onderverdeling in artikelleden en voor de opsomming geen aandachtspunten maar kleine letters te gebruiken.

Artikel 15

Voorgesteld wordt in het tweede en de derde lid “bepaalde tijdstip” te vervangen door “bepaald tijdstip”.

Artikel 17

Voorgesteld wordt in het eerste lid “bepaalde tijdstip” te vervangen door “bepaald tijdstip”.

Artikel 18

Voorgesteld wordt in het opschrift van het voorgestelde artikel 18 “vrijstelling” te vervangen door “Vrijstelling” en het voorgestelde artikel 18 te herformuleren, daar de volzin niet goed loopt. Tevens wordt voorgesteld bij die herformulering de volzin te beginnen met een hoofdletter.

Artikel 19

Voorgesteld wordt “gebruikt maakt” te vervangen door “gebruik maakt”.

Artikel 20

Voorgesteld wordt “Deze wet” te vervangen door “Deze landsverordening”. Ook wordt voorgesteld “ter” te vervangen door “ten behoeve van de” en de laatste volzin te schrappen.

2. De memorie van toelichting

Algemeen

De memorie van toelichting geeft geen motivering en uitleg van de regeling. Aanwijzing 157 van de Awr somt de punten op die in ieder geval in de toelichting moeten worden opgenomen. Verder bepaalt aanwijzing 161 van de Awr dat in een toelichting helder en bondige taal wordt gebruikt en een logische indeling wordt gevolgd. De Raad constateert dat de toelichting op de artikelen 7 tot en met 19 in feite geen uitleg geven van de daarin opgenomen regels, maar meer op overwegingen lijken om met het initiatiefontwerp te komen die al eerder zijn vermeld in het onderdeel “1. Algemeen deel” van de memorie van toelichting. Voorgesteld wordt de memorie van toelichting met inachtneming van genoemde aanwijzingen van de Awr aan te passen.

 Pagina 1

Opgemerkt zij dat aan het slot van het opschrift twee citeertitels aan het initiatiefontwerp

worden gegeven. Een in het Nederlands en een in het Papiaments. Voorgesteld wordt aan het slot van het opschrift slechts een citeertitel aan het initiatiefontwerp te geven. Indien voor de Nederlandstalige citeertitel wordt gekozen wordt voorgesteld “Tijdelijke wet” te

vervangen door “Tijdelijke landsverordening”.

 

Het initiatiefontwerp beoogt tijdelijke voorzieningen te treffen op het terrein van het Ministerie van Justitie in verband met de uitbraak van het coronavirus. Hoewel de openbare orde onder het Ministerie van Justitie valt wordt in de citeertitel naast “Justitie” ook “Openbare Orde” genoemd. Met het oog op aanwijzing 147, eerste lid, van de Awr wordt voorgesteld  “Openbare Orde” of “Ordu Publiko” in de citeertitel te schrappen. 

Voorgesteld wordt de formulering van het eerste tekstblok dat uit één volzin bestaat te herzien. Die volzin is te lang en bemoeilijkt de begrijpelijkheid van de toelichting. 

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok “de sociale en economische gevolgen” telkens te vervangen door “de sociale en financieel- economische gevolgen”.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok “verspreiding van” te schrappen, “besmettingsgevallen” te vervangen door “besmettingen met het SARS-CoV-2” en “opgelegd en opgeschaald” te vervangen door “op- en afgeschaald”.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok “de sociaal- economische gevolg” te vervangen door “de sociale en financieel-economische gevolgen”. Verder wordt voorgesteld de formulering van het laatste tekstblok nader te bezien omdat die volzin niet goed loopt.

Pagina 2

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste volzin, “begrijppen” te vervangen door “begrippen”.

Voorgesteld wordt het opschrift “Artikel 4 en 5” te vervangen door “Artikel 4” omdat de toelichting in het betreffende tekstblok slechts betrekking heeft op artikel 4. Voorts wordt voorgesteld in de tweede volzin van dat tekstblok “Artikelen 4 en 5” te vervangen door “Artikel 4”.  

Pagina 3

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok “Landsverordening” te vervangen door “landsverordening” en  “gezien dat alles budget neutral gehouden zal worden” te vervangen door “omdat de kosten die hiermee gemoeid zijn budgetneutraal zullen worden gedekt”.

 

 

[1] Zie de memorie van toelichting behorende bij de LEE op pagina 1.

[2] Zie de memorie van toelichting behorende bij de LEE op pagina 10, eerste alinea.

[3] Laatstelijk verlengd bij Landsbesluit afkondiging derde verlenging uitzonderingstoestand COVID-19 pandemie (P.B. 2021, no. 101).

[4] De Raad verwijst hierbij naar de bijdrage van mevr. mr. Th. G. Lautenbach, getiteld: Rechtspraak in COVID-tijd, in AJV Nieuwsbrief no.1:2021-2022. 

[5] mr. dr. J. Sybesma en mr. drs. R.E.R. de Knegt Curaçao en de coronacrisis, Een eerste staatsrechtelijke   verkenning pagina 26 in het Caribisch Juristenblad 2020 (9) 1.

[6] ECLI:NL:HR:2020:2008-Hoge Raad, 15 december 2020/20/01476.

[7] Zie onderdeel I.2.b “Noodwetgeving” op pagina 5 van het advies van 12 juni 2018, met kenmerk RvA no. RA/16-18-LV), over de ontwerplandsverordening uitzonderingstoestanden en onderdeel.I.1. c. “2°. Analyse naar het bestaan van lokale noodwetgeving” op pagina 3 van het advies van 15 mei 2020, met kenmerk RvA no. RA/12-20-LV), over de ontwerplandsverordening uitzonderingstoestanden.