Adviezen

RvA no. RA/20-21-LB

Uitgebracht op : 22/06/2021
Publicatie datum: 22/10/2021

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, houdende vaststelling van de geldelijke vergoeding en de vergoeding van bijzondere kosten van de leden van de Electorale Raad (Landsbesluit vergoeding leden Electorale Raad) (zaaknummer 2021/0008889)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 20 mei 2021 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 21 juni 2021, bericht de Raad u als volgt.

Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot het ontwerp

De geldelijke vergoeding voor het lidmaatschap van de Electorale Raad (artikel 1)

De remuneratie van artikel 1, tweede lid, van het ontwerp

Artikel 13,eerste lid, van de Lei Konseho Supremo Elektoral (hierna: Lei KSE)) bepaalt dat aan het lidmaatschap van de Electorale Raad een geldelijke vergoeding is verbonden. Deze geldelijke vergoeding moet bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld, hetgeen met het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, (hierna: ontwerp) wordt beoogd.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van het ontwerp ontvangt de voorzitter van de Electorale Raad een geldelijke vergoeding van NAf 1500,- per maand.

Het tweede lid van artikel 1 van het ontwerp luidt als volgt: “De plaatsvervangend voorzitter van de Electorale Raad ontvangt daarvoor een remuneratie van NAf 1200,- per maand”.

Tot slot wordt in artikel 1, derde lid, van het ontwerp een geldelijke vergoeding van NAf 1000,- per maand toegekend aan de overige leden van de Electorale Raad.

Ten aanzien van het bovenstaande is niet bekend wat in artikel 1, tweede lid, van het ontwerp met het woord “daarvoor” wordt bedoeld. Evenmin is bekend om welke reden in dit artikellid niet de term “geldelijke vergoeding” wordt gebruikt zoals vermeld in artikel 13, eerste lid, van de Lei KSE alsook in het eerste en derde lid van artikel 1 van het ontwerp, maar de term “remuneratie”.

Voor het overige valt het de Raad op dat de plaatsvervangend voorzitter maandelijks een vaste  vergoeding van NAf 1200,- ontvangt, dus niet alleen bij ontstentenis/afwezigheid van de voorzitter, hetgeen niet is gemotiveerd in de bij het ontwerp behorende nota van toelichting (hierna: nota van toelichting).

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

Toe te kennen geldelijke vergoedingen en remuneraties aan de leden van de Electorale Raad in relatie tot geldelijke vergoedingen en remuneraties ten behoeve van leden van andere, vergelijkbare organen

Voor wat betreft de geldelijke vergoedingen en remuneratie, genoemd in artikel 1 van het ontwerp, is in de eerste alinea van het laatste tekstblok op pagina 3 van de nota van toelichting vermeld dat de hoogte van die vergoeding relatief gering van omvang is en dus zal voorkomen dat aspirant-leden het ambt meer zullen gaan ambiëren om de geldelijke vergoeding dan om de inhoud van de functie.

Deze toelichting vindt de Raad geen valide motivering voor de voorgestelde hoogte van de geldelijke vergoeding en de remuneratie voor de betreffende leden. De Raad gaat er – gezien het bepaalde in artikel 4, zevende lid, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de Lei KSE - namelijk van uit dat de leden van de Electorale Raad in ieder geval gekwalificeerd zijn voor hun functie en dus voldoen aan de voor die functies geldende selectiecriteria.

Het om bovengenoemde reden laag houden van de vergoedingen en remuneratie voor de leden van de Electorale Raad zou eventuele gekwalificeerde aspirant-leden kunnen doen besluiten niet te solliciteren op die functie(s). Daarom verdient het de voorkeur om voor de hoogte van de geldelijke vergoedingen en de remuneratie voor leden van de Electorale Raad aan te sluiten bij de geldelijke vergoedingen van andere, vergelijkbare organen.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

Vergoeding voor reis- en verblijfkosten (artikel 2)

Uit de nota van toelichting, op pagina 4 onder “Artikel 2”, blijkt dat voor de te vergoeden kosten in verband met dienstreizen naar het buitenland aangesloten is bij de “Dienstregeling voor gezagsdragers en ambtenaren” die op 1 januari 2013 is ingegaan (Besluit van de Raad van Ministers d.d. 12 december 2012, zaaknummer 2012/0744195). Daarbij is benadrukt dat de voor de leden van de Electorale Raad voorgestelde bedragen voor reis- en verblijfkosten vergoedingen betreffen die gelden voor gezagsdragers die een zakelijke dienstreis maken.

Om te zorgen dat de in artikel 2 van het ontwerp genoemde vergoedingen niet steeds behoeven te worden aangepast aan de vergoedingen die gelden voor gezagsdragers adviseert de Raad de regering in dit artikel geen concrete bedragen te noemen, maar te verwijzen naar de vergoedingen overeenkomstig het ter zake vastgestelde beleid voor ministers. Voor een voorbeeld van zo een bepaling wijst de Raad op artikel 2, eerste lid, van het Landsbesluit reis- en verblijfkosten Raad van Advies (P.B. 2015, no. 43). Tevens adviseert de Raad de concrete bedragen betreffende de thans geldende vergoedingen voor reis- en verblijfskosten voor ministers, in de nota van toelichting te vermelden.

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging conform de in het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, opgenomen voorstellen te besluiten, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

Willemstad, 22 juni 2021

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

 

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies RvA no. RA/20-21-LB

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

Het ontwerp
 
De considerans
Voorgesteld wordt in de tweede overweging van de considerans “vastgelegd” te vervangen door “vastgesteld”.
 
Artikel 2
Voorgesteld wordt in artikel 2, vierde lid, onder a, van het ontwerp de afkorting “BES-eilanden” te vervangen door “Bonaire, Saba, Sint Eustatius”.

De nota van toelichting
 
Pagina 3
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok onder het opschrift “I. Algemeen deel” in de tweede volzin “springende” te vervangen door “springend”.
 
Pagina 4
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok:

“hebben de geldende regeling” te vervangen door “heeft de geldende regeling”;

“gelieerde entiteiten” te vervangen door “overheidsgelieerde entiteiten”;

“ontleend zijn” te vervangen door “ontleend is”;

de vindplaats aan te geven van de “Dienstregeling ambtenaren” dan wel te vermelden bij welk besluit die regeling is vastgesteld.
 
Voorgesteld wordt in de eerste volzin van het tweede tekstblok onder het opschrift “II. Financiële gevolgen” het woord “betreffen” te vervangen door “betreft”.
 
Voorgesteld wordt in de eerste volzin onder het opschrift “Artikel 1” de zinsnede “met in acht neming” te vervangen door “met inachtneming”.
 
Voorgesteld wordt in de tekst onder het opschrift “Artikel 2”:

in de eerste volzin “die geldt” te vervangen door “die gelden”;

in de tweede volzin:
° gezien aanwijzing 161 op pagina 62 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de zinsnede “zoals voorgesteld in deze bepaling” te vervangen door “genoemd in deze bepaling”, en
° “gezagdrager” te vervangen door “gezagsdrager”.
 
Ten behoeve van de duidelijkheid over de ingangsdatum en terugwerking van het onderhavige landsbesluit wordt voorgesteld de tekst onder “Artikel 4" in de nota van toelichting te herformuleren.