Adviezen

RvA no. RA/12-19-LB

Uitgebracht op : 04/06/2019
Publicatie datum: 15/02/2022

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, houdende wijziging van het Landsbesluit winstbelasting en het Landsbesluit administratieve sanctie bij niet nakomen fiscale verplichtingen
(zaaknummers 2018/051662 en 2019/3833)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 9 april 2019, ontvangen op 23 april 2019, om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op  3 juni 2019, bericht de Raad u als volgt.

  1. Algemeen
  1. Strijd met de Staatsregeling van Curaçao

In artikel I, onderdeel D, van het onderhavige landsbesluit, houdende algemene maatregelen (hierna: het ontwerp) wordt voorgesteld om een nieuw artikel 8 in het Landsbesluit winstbelasting op te nemen. Het voorgestelde artikel 8 bevat regels met betrekking tot de intrekking van de door de Directeur van het Bureau Telecommunicatie en Post (hierna: Directeur BTP) afgegeven verklaringen voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk. De intrekking van een beschikking is een maatregel van punitieve aard en als zodanig is het voorgestelde artikel 8 te categoriseren als een sanctiebepaling. Op grond van het eerste en tweede lid van artikel 83 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) worden voorschriften die door straffen worden gehandhaafd alleen in landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, opgenomen indien dit bij landsverordening mogelijk wordt gemaakt. In de Landsverordening op de winstbelasting 1940, de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening Bureau Telecommunicatie en Post of enig ander relevante landsverordening is geen bepaling te vinden waarin wordt bepaald dat de Directeur BTP een afgegeven verklaring voor speur- en ontwikkelingswerk (hierna: verklaring) mag intrekken bij wijze van punitieve sanctie. Hierdoor is sprake van strijd tussen het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting en artikel 83, eerste en tweede lid van de Staatsregeling.

Indien de regering van mening is dat de Directeur BTP bevoegd zou moeten zijn om verklaringen bij wijze van sanctie in te trekken, dan dient hiervoor in een landsverordening een grondslag te worden geschapen.

Ten overvloede wordt de regering gewezen op de aanwijzingen 17, eerste lid, onderdeel d, 113, 114 en 115 van de Aanwijzingen voor regelgeving waarin het bovenstaande uiteen wordt gezet.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande een grondslag in een landsverordening te scheppen vóórdat het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting in werking kan treden.

  1. Handhaving

Voor het realiseren van de met het ontwerp beoogde doelstelling is, zoals aangegeven in aanwijzing 8 van de Aanwijzingen voor regelgeving, noodzakelijk dat het landsbesluit wordt gehandhaafd. De Raad mist in de toelichting een nadere uiteenzetting van het door de regering gedane onderzoek of handhaving van het onderhavige landsbesluit, houdende algemene maatregelen voldoende te realiseren is en of hiervoor extra menskracht en middelen noodzakelijk zijn en wat de eventuele kosten hiervan zullen zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de nota van toelichting aan te passen.

  1. Financiële paragraaf
    1. Financiële gevolgen voor het Land

In onderdeel “2. Financiële Paragraaf” van de nota van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: nota van toelichting) wordt vermeld dat het onderhavige landsbesluit geen andere financiële gevolgen met zich mee brengt dan de gevolgen die zijn genoemd in paragraaf 6 van de memorie van toelichting bij de Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes, zijnde de landsverordening waarin de artikelen 8A tot en met 8D van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 zijn ingevoerd. Volgens de Raad beslaat de Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes in vergelijking met het onderhavige ontwerp, meerdere wijzigingen in de fiscale sfeer waardoor niet de volledige paragraaf 6 met de thans voorgestelde wijzigingen in het ontwerp strookt.

Met inachtneming van het vorenstaande wordt de regering  geadviseerd de financiële paragraaf van de nota van toelichting, met name de eerste alinea op pagina 8,  aan te passen.

    1. Verwachte financiële gevolgen afgifte verklaringen

De voornaamste intentie van het ontwerp is het vaststellen van nadere regels inzake het verstrekken van een verklaring. In geval bedrijven die momenteel winstbelasting afdragen, op basis van gemaakte kosten die kwalificeren voor speur- en ontwikkelingswerk in aanmerking komen voor de betreffende verklaring zal dit leiden tot inkomstenderving voor de overheid via vrijstelling van winstbelasting over een bedrag afgeleid van de gemaakte kosten. Gezien de voorwaarden voor het verkrijgen van een verklaring  c.q. voor een correcte uitvoering van de faciliteit is  vergaande specialistische hoogwaardige kennis vereist bij de belastingplichtigen, welke wellicht van invloed kan zijn op de mate waarin verklaringen zullen worden aangevraagd en verstrekt. Op basis van de in het adviesdossier beschikbare informatie kan volgens de Raad de omvang van de verwachte derving als gevolg van de vorengenoemde wijziging niet worden ingeschat.

Voor wat de Curaçaose beleggingsinstelling betreft merkt de regering in de financiële paragraaf van de nota van toelichting op dat de verwachte financiële gevolgen als gevolg van de introductie van de verklaring enkel positief kunnen zijn, omdat een deel van de door de beleggingsinstellingen genoten voordelen uit ‘intellectual property’ zelfs tegen het tarief van 22% belast zal kunnen worden als blijkt dat deze instellingen niet kwalificeren, echter is de kans daartoe klein.

Ook voor wat betreft de voorgenomen wijziging bij de Curaçaose beleggingsinstelling geldt volgens de Raad dat op basis van de in het adviesdossier beschikbare informatie de verwachte financiële gevolgen moeilijk te kwantificeren of te verhelderen zijn.

Om bovengenoemde redenen wordt de regering geadviseerd – daar de invoering van de voorgenomen wijzigingen noodzakelijk is ter voldoening aan standaarden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO)  en  hieruit financiële gevolgen voor het Land kunnen voortvloeien - na de inwerkingtreding van het onderhavige landsbesluit de effecten van de daarin opgenomen wijzigingen voor  het fiscale stelsel nauwkeurig te volgen om eventuele significante negatieve financiële gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien op tijd op te kunnen vangen. Dit is nodig teneinde de negatieve gevolgen voor de overheidsbegroting te kunnen mitigeren.

c.   Uitvoeringskosten  afgifte van de verklaringen

Zoals onder andere uit het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) op te maken is, wordt het BTP belast met de toetsing en afgifte van een verklaring. De Directeur Beleidsorganisatie van het Ministerie van Financiën heeft zich in de brief d.d. 25 januari 2019 (zaaknummer 2019/003833) afgevraagd of er bij het BTP geen extra operationele en/of toezichtkosten bijkomen.

Om er zorg voor te dragen dat het BTP de aan haar toebedeelde taken op gepaste wijze kan uitvoeren, door bijvoorbeeld  conform de richtlijnen van de OESO de aanvragen aan een degelijke toets te onderwerpen en tevens tijdig af te handelen, dient volgens de Raad het BTP voldoende geëquipeerd te zijn, met name met specialistische hoogwaardige kennis. Uit het ontwerp is volgens de Raad niet op te maken of het BTP in haar huidige vorm in staat is de taken naar behoren uit te voeren. Indien naar aanleiding van de nieuwe taken van het BTP specifieke investeringen bij het BTP noodzakelijk zijn, is het van belang de totale verwachte kosten gemoeid met de nieuwe taken te kwantificeren en te splitsen in structurele – en incidentele kosten. Ten aanzien van de in 2019 verwachte kosten dient de regering dekking aan te wijzen terwijl de verwachte kosten in de komende jaren – met name de structurele kosten – in de begroting van het BTP van de komende jaren dienen te worden opgenomen.

De regering wordt geadviseerd in de financiële paragraaf van de nota van toelichting op het vorenstaande in te gaan.  

d.   Brief van het Ministerie van Financiën d.d. 25 januari 2019

In de brief d.d. 25 januari 2019 (zaaknummer 2019/003833) van de Directeur Beleidsorganisatie van het Ministerie van Financiën wordt aangegeven dat ten aanzien van de verwachte financiële gevolgen in het ontwerp gesteld wordt dat die geen andere zijn dan genoemd in paragraaf 6 van de memorie van toelichting bij de Landsverordening reparatie preferentiële belastingen.

Het Ministerie van Financiën meldt voorts dat de financiële gevolgen in de nota van toelichting wederom heel oppervlakkig en summier zijn opgesomd, zonder een degelijke cijfermatige onderbouwing. Volgens het Ministerie van Financiën concluderen de opstellers dat de onderhavige wijzigingen per saldo geen relevante daling van de belastingopbrengsten tot gevolg zullen hebben. Echter blijkt uit bovengenoemde brief dat de program Board/ontvanger als gevolg van de recente wetswijzigingen in het kader van de OECD uitgaat van een derving van minimaal NAf 10 miljoen aan winstbelasting voor de offshore, aldus zijn volgens het Ministerie van Financiën de financiële gevolgen niet nihil.

Volgens de Raad hebben de onderhavige voorgenomen wijzigingen niet specifiek betrekking op de offshore en zou het eerder genoemd bedrag van NAf 10 miljoen aan verwachte inkomstenderving de financiële gevolgen van de reeds inwerking getreden Landsverordening reparatie preferentiële belastingen betreffen. Ten aanzien van voornoemde landsverordening was de regering volgens de Raad eerder van mening dat de inwerkingtreding ervan geen relevante daling van de belastingopbrengsten tot gevolg zou hebben. Echter, aangezien de regering – afgaande op bovengenoemde brief - via de program Board/ontvanger tot andere inzichten is gekomen en de eerder inwerking getreden landsverordening en het onderhavige ontwerp met elkaar verweven zijn en de verwachte financiële gevolgen dus uiteindelijk onder één noemer te plaatsen zijn, wordt de regering geadviseerd in de financiële paragraaf van de nota van toelichting melding te maken van de bedoelde derving en deze nader toe te lichten.

Tevens wordt geadviseerd in voornoemde paragraaf aan te geven hoe met voornoemde derving omgegaan zal worden in de Begroting voor het dienstjaar 2019 en in de meerjarenbegroting.

  1. Inhoudelijke opmerkingen
  1. Het ontwerp
  1. Geen herhaling mogelijk

1°. De nieuwe aanvrager

In onderdeel D van artikel I van het ontwerp wordt een nieuw artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting voorgesteld. Volgens het derde lid van artikel 5 kunnen de werkzaamheden, kosten en uitgaven die reeds eerder door de belastingplichtige of een ander dan de belastingplichtige in een verzoek om een verklaring zijn opgenomen niet opnieuw in een verzoek worden opgenomen. De Raad is van oordeel dat deze bepaling niet helemaal in overeenstemming is met het beleid van de regering, dat  in de nota van toelichting is uiteengezet, om de economie te stimuleren door te zorgen dat zoveel mogelijk bedrijven daadwerkelijk in Curaçao speur- en ontwikkelingswerk doen of laten doen.[1] In het tweede lid van het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) worden een tweetal intrekkingsgronden genoemd ten aanzien van een afgegeven verklaring [2]. Deze twee gronden zijn gekoppeld aan een gedraging van een belastingplichtige zelf die geheel voor zijn rekening komt en niet toerekenbaar is aan een ander. Volgens de Raad dient in dit soort gevallen de mogelijkheid te blijven bestaan dat een nieuwe aanvrager een verklaring voor deze specifieke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zou kunnen krijgen gebaseerd op een nieuw verzoek daartoe. Deze nieuwe aanvrager moet in ieder geval kunnen aantonen dat de betrokken werkzaamheden, kosten en uitgaven dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan het werk waarvoor een verklaring wordt gevraagd. Indien de regering een andere mening is toegedaan dan dient dit volgens de Raad in de nota van toelichting onderbouwd te worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp, en indien daartoe aanleiding bestaat de nota van toelichting, aan te passen.

2°. De term “een ander dan de belastingplichtige”

In het derde lid van het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting wordt de term “een ander dan de belastingplichtige” gebruikt. De Raad is van oordeel dat deze term verwarrend is, althans niet in de nota van toelichting uitgelegd wordt. Volgens het tweede lid van artikel 5 kunnen werkzaamheden, kosten en uitgaven immers slechts bij één belastingplichtige in aanmerking worden genomen.

De Raad adviseert de regering om duidelijkheid in de nota van toelichting te scheppen met betrekking tot deze term en, indien nodig, het ontwerp aan te passen.

  1. Additionele inlichtingen

1°. Procedure

In het vijfde lid van het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) wordt bepaald dat de Directeur BTP indien noodzakelijk de belastingplichtige kan verzoeken om additionele inlichtingen te verschaffen ter beoordeling van het verzoek ter verkrijging van een verklaring. In het ontwerp wordt niet voorzien in een procedure hoe om te gaan met onvolledige verzoeken. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk binnen hoeveel tijd genoemde directeur na het ontvangen van het verzoek van de indiener om additionele inlichtingen kan vragen.

Voorts is niet duidelijk hoeveel tijd de indiener van het verzoek zal hebben om op het verzoek van de Directeur BTP om additionele informatie te reageren.

Ook dient in het ontwerp geregeld te worden dat indien de verzoeker nalatig is om binnen de vastgestelde termijn zijn verzoek aan te vullen, dit tot gevolg zal hebben dat zijn verzoek niet of niet verder in behandeling wordt genomen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

2°. Subdelegatie van regelgevende bevoegdheid

In de eerste volzin van het zesde lid van het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting wordt bepaald dat nadere regels bij ministeriële regeling met algemene werking vastgesteld zullen worden met betrekking tot de gegevens en bescheiden die de belastingplichtige bij het verzoek voor een verklaring moet indienen. 

De Raad is van oordeel dat subdelegatie door de regering aan een minister om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen in dit specifiek geval niet mogelijk is aangezien dit in het zesde lid van artikel 8A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 is uitgesloten. In dat artikellid staat immers dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels gesteld zullen worden omtrent de verklaring. Door het ontbreken van de woorden “of krachtens” is subdelegatie aan de Minister van Financiën onmogelijk geworden. De Raad verwijst in deze ook naar de aanwijzingen 20 en 21 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De Raad adviseert de regering de nadere regels, bedoeld in het zesde lid van het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting in het Landsbesluit winstbelasting zelf vast te stellen. Indien dit niet gewenst is, adviseert de Raad het zesde lid van artikel 8A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, met inachtneming van voornoemde aanwijzingen en aanwijzing 18 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, zodanig aan te passen dat subdelegatie mogelijk wordt gemaakt.

  1. De verklaring van de deskundigen

1°. Soort verklaring

In de tweede volzin van het zesde lid van het  voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) wordt bepaald dat de gegevens en bescheiden die behoren bij het verzoek om een verklaring voorzien moeten worden van een verklaring van een externe deskundige en van een materiedeskundige. Wie de externe deskundige kan zijn, wordt in het zesde lid van artikel 2:121 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaald. De verklaring die deze deskundige  volgens het vijfde lid van artikel 2:121 BW kan afgeven betreft zijn oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening en de gebleken tekortkomingen. Het is niet duidelijk wat voor soort verklaring de materiedeskundige dient af te geven c.q. wat de inhoud hiervan zou moeten zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

2°. Recentheid van de verklaring

Teneinde een juiste afweging te kunnen maken dient de Directeur BTP over een recente verklaring van de externe deskundige en de materiedeskundige bedoeld in het zesde lid van het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting te kunnen beschikken. Uit het ontwerp volgt echter niet hoe recent de verklaringen van deze deskundigen dienen te zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

  1. Beslissing op verzoek

In onderdeel D van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 6 in het Landsbesluit winstbelasting op te nemen. Volgens het eerste lid van het voorgestelde artikel 6 zal de Directeur BTP op het verzoek beslissen. Het is echter niet duidelijk binnen welke termijn deze beslissing genomen zal moeten worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

  1. Het register ten aanzien van afgegeven verklaringen

In het derde lid van het voorgestelde artikel 6 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) wordt bepaald dat de Directeur BTP een register bijhoudt van alle afgegeven verklaringen. Aangezien in het vijfde lid van het nieuw voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) wordt bepaald dat werkzaamheden, kosten en uitgaven welke reeds eerder door een belastingplichtige of ander persoon of lichaam in een verzoek zijn opgenomen niet opnieuw in een verzoek kunnen worden opgenomen, is de Raad van oordeel dat het register dat door de Directeur BTP wordt bijgehouden openbaar dient te zijn. Door hieraan openbaarheid te geven wordt een verzoeker beter in staat gesteld om voor zichzelf na te gaan of zijn verzoek toegekend zou kunnen worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

  1. Gronden voor de intrekking van een verklaring

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) worden op limitatieve wijze de gronden bepaald die kunnen leiden tot de intrekking van een verklaring. Onder verwijzing naar aanwijzing 103 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is de Raad van oordeel dat het gedurende een bepaalde achtereenvolgende periode uitblijven van de speur- en ontwikkelingswerkzaamheden waarvoor een verklaring door de Directeur BTP is afgegeven een grondslag dient te zijn voor het intrekken van deze verklaring.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel D van artikel I van het ontwerp aan te passen.

  1. Vergoeding voor een verklaring

1°. Subdelegatie van regelgevende bevoegdheid

In artikel I, onderdeel D, van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 9 in het Landsbesluit winstbelasting op te nemen. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 9 wordt bepaald dat ten behoeve van de aanvraag voor een verklaring  bij ministeriële regeling met algemene werking een vergoeding vastgesteld zal worden voor elke aanvraag.

De Raad is van oordeel dat de vaststelling van de hoogte van de vergoeding, gezien het bepaalde in aanwijzing 19, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving in het Landsbesluit winstbelasting, zelf moet geschieden. Ten overvloede wordt ook gewezen op de omstandigheid dat subdelegatie door de regering aan een minister om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen in dit specifiek geval ook niet mogelijk is aangezien dit in het zesde lid van artikel 8A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 is uitgesloten. In dat artikellid staat immers dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels gesteld zullen worden omtrent de verklaring. Door het ontbreken van de woorden “of krachtens” is subdelegatie aan de Minister van Financiën onmogelijk geworden. De Raad verwijst in dit verband naar de aanwijzingen 20 en 21 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 9 van het Landsbesluit winstbelasting met inachtneming van het bovenstaande aan te passen. Indien de regering daarnaast nadere regels met betrekking tot de vergoeding in de zin van uitwerking van details, zoals aangegeven in aanwijzing 19, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving zou willen vaststellen, dan zou dit bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen maar eerst nadat het zesde lid van artikel 8A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, met inachtneming van voornoemde aanwijzingen en aanwijzing 18 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, zodanig is aangepast dat subdelegatie mogelijk wordt gemaakt.

2°. De tariefstructuur

De Raad is van oordeel dat de tariefstructuur van de vergoeding bedoeld in het eerste lid van het voorgestelde artikel 9 van het Landsbesluit winstbelasting uitgewerkt dient te worden in het ontwerp  en in de nota van toelichting  aangegeven dient te worden of deze vergoeding kostendekkend zal zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde artikel 9 van het Landsbesluit winstbelasting en de toelichting daarop aan te passen. Ook wordt verwezen naar het gestelde onder 1° over subdelegatie voor de uitwerking van details over de vergoeding.

  1. Grensdatum van terugwerkende kracht

Volgens het tweede lid van artikel III van het ontwerp zal artikel II van het ontwerp terug werken tot 1 juli 2018. In de toelichting op dit artikellid wordt aangegeven dat artikel II terug zal werken tot en met 1 juli 2018. Aangezien artikel II van het ontwerp volgens de nota van toelichting verband houdt met de wijzigingen opgenomen in de Landsverordening preferentiële belastingregimes en de Landsverordening belastingherziening 2018 zal aan artikel II terugwerkende kracht verleend moeten worden tot en met 1 juli 2018.

De Raad adviseert de regering om de discrepantie tussen het ontwerp en de nota van toelichting op te heffen door duidelijk aan te geven of artikel II “tot” of “tot en met” 1 juli 2018 terug zal werken. 

  1. De nota van toelichting

Het hebben van een nieuwe feit voor de navordering van winstbelasting

In de toelichting op het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel D, van het ontwerp) wordt aangegeven dat met het intrekken van de verklaring de toepassing van de artikelen 8A tot en met 8D van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 komt te vervallen en dat de Inspecteur daarmee zal beschikken over een nieuw feit dat de navordering van ten onrechte niet geheven winstbelasting mogelijk zal maken. Het hebben van een nieuw feit is in ons belastingstelsel mogelijk bij aanslagbelastingen. De heffing van winstbelasting is een aangiftebelasting waardoor het vereiste van een nieuw feit niet zal gelden. Het intrekken van de verklaring brengt met zich mee dat artikel 15, derde lid in samenhang gelezen met artikel 4, achtste en tiende lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 niet van toepassing is. De Inspecteur kan middels het opleggen van een naheffingsaanslag het tarief, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, toepassen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de nota van toelichting aan te passen.

  1. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

De Raad constateert dat bovengenoemde punten met betrekking tot het onderhavige landsbesluit, houdende algemene maatregelen, waarvoor de Raad de bijzondere aandacht van de regering vraagt niet van dien aard zijn, dat zij de vaststelling ervan in de weg zouden staan, met uitzondering van het volgende. De werking van het onderhavige landsbesluit, houdende algemene maatregelen, zal teniet worden gedaan indien dit landsbesluit een handhavingsmiddel zou ontberen. Indien de regering in het licht daarvan van mening is dat de Directeur BTP bevoegd zou moeten zijn om verklaringen  bij wijze van sanctie in te trekken, dan dient hiervoor in een landsverordening een grondslag te worden geschapen. Zonder deze grondslag kan het onderhavige landsbesluit naar het oordeel van de Raad niet worden vastgesteld. 

Concluderend heeft de Raad van Advies bezwaar tegen het ontwerp­landsbesluit, houdende algemene maatregelen, en geeft de regering in overweging het ontwerp niet vast te stellen.

 

Willemstad, 4 juni 2019

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris

                                                                                   namens deze,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. I. Hiemcke

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/12-19-LB

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

  1. Het ontwerp
  1. Artikel I, onderdeel B

Voorgesteld wordt om in onderdeel b van het voorgestelde artikel 1 van het Landsbesluit winstbelasting “De” te vervangen door “de” en achter “van” het lidwoord “het” op te nemen.

  1. Artikel I, onderdeel C

Voorgesteld wordt de aanhef van artikel I, onderdeel C, van het ontwerp als volgt te doen luiden:

C. Hoofdstuk II, alsmede artikelen 5 en 6 en Hoofdstuk III, alsmede artikel 7 komen te vervallen. Na artikel 1 wordt het opschrift van een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:.

  1. Artikel I, onderdeel D

Artikel 5

Voorgesteld wordt om in het voorgestelde artikel 5 van het Landsbesluit winstbelasting de volgende aanpassingen aan te brengen:

  • In onderdeel c van het eerste lid dient “uur” te worden vervangen door “uren” en dient “is” te worden vervangen door “wordt”;
  • Het vijfde lid dient van een punt aan het einde van de volzin te worden voorzien.

Artikel 6

Voorgesteld wordt om in onderdeel b van het tweede lid van het voorgestelde artikel 6 van het Landsbesluit winstbelasting “uur” te vervangen door “uren”.

Artikel 7

Voorgesteld wordt om in onderdeel g van het derde lid van het voorgestelde artikel 7 van het Landsbesluit winstbelasting “product vergelijkend” aan elkaar te schrijven.

Artikel 8

Voorgesteld wordt om in het derde lid van het voorgestelde artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting de zinsnede “artikelen 8A tot en met 8D” te vervangen door “artikelen 8A, 8B en 8D”. Artikel 8C is immers op grond van artikel II, onderdeel G, van de Landsverordening belastingherzieningen 2018 met ingang van 1 juli 2018 komen te vervallen. Tevens wordt voorgesteld om deze aanpassing ook aan te brengen in de toelichting op artikel 8 van het Landsbesluit winstbelasting.

Artikel 10

Uit de voorlaatste volzin op pagina 13 van de nota van toelichting kan worden opgemaakt dat de administratieverplichtingen uit het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 10 van het Landsbesluit winstbelasting cumulatief zijn. Voorgesteld wordt om het woord “en” aan het slot van het eerste lid, onderdeel a en het tweede lid, onderdeel b op te nemen.

Voorgesteld wordt om in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 10 van het Landsbesluit winstbelasting “uur” te vervangen door “uren”.

  1. Artikel III

Voorgesteld wordt om in het tweede lid van artikel III van het ontwerp “op” te vervangen door “van”.

  1. De nota van toelichting
  1. Het opschrift

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de in het opschrift genoemde wettelijke regelingen in een voetnoot te vermelden.

  1. De nummering van de paragrafen

Voorgesteld wordt om paragrafen 4 en 5 te vernummeren tot 3 en 4.

  1. Pagina 7

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van het eerste tekstblok “op Curaçao” te vervangen door “in Curaçao” en om de vindplaats van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 in een voetnoot op te nemen.

Ook wordt voorgesteld in de eerste volzin van het derde tekstblok na “kleine belastingplichtige” een verwijzing op te nemen naar het artikellid in de Landsverordening op de winstbelasting 1940 waarin gesproken wordt van een kleine belastingplichtige.

  1. Pagina 8

Voorgesteld wordt om in de tweede volzin van de toelichting op artikel 1 van het Landsbesluit winstbelasting (artikel I, onderdeel B) de komma achter “b” en de aanhalingsteken vóór “Directeur BTP” te schrappen.

  1. Pagina 9

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede tekstblok “vijfde lid” te vervangen door “zesde lid” en “ministeriele” door “ministeriële”.

Voorts wordt voorgesteld om in de voorlaatste volzin van het vierde tekstblok de zinsnede “alleen kosten en uitgaven” te vervangen door “waarbij alleen kosten en uitgaven”. Tevens wordt voorgesteld om in de laatste volzin van hetzelfde tekstblok de zinsnede “De afwijzingsgronden worden” te vervangen door “De afwijzingsgronden, genoemd in het derde lid, worden”.

  1. Pagina 13

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het eerste tekstblok vóór “artikelen” het lidwoord “de” in te voegen en deze volzin met een punt te laten eindigen.

Tevens wordt voorgesteld om de tweede volzin van het derde tekstblok te schrappen.

Voorts wordt voorgesteld om in de derde volzin van het laatste tekstblok “kosten- en uitgaven” te vervangen door “kosten en uitgaven”.

  1. Pagina 14

Voorgesteld wordt om in het eerste tekstblok het woord “aanstaande” als zijnde overbodig te schrappen.

Tevens wordt voorgesteld om in de tweede volzin van het laatste tekstblok “Landsverordening reparatie preferentiële Belastingregimes” te vervangen door “Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes” en de vindplaats hiervan in een voetnoot aan te geven.

 

[1] Zie de tweede volzin van het eerste tekstblok van het algemeen gedeelte van de nota van toelichting, pagina 7.

[2] Deze gronden betreffen: (a) als blijkt dat door of namens de belastingplichtige onjuiste gegevens zijn verstrekt op basis waarvan de verklaring is afgegeven en (b) indien door of namens de belastingplichtige is gehandeld in strijd met de bepalingen van de bij of krachtens de Landsverordening winstbelasting of het Landsbesluit winstbelasting vastgestelde bepalingen.