Adviezen

RvA no. RA/32-21-LV

Uitgebracht op : 13/12/2021
Publicatie datum: 16/02/2022

Ontwerp van de derde nota van wijziging op de ontwerplandsverordening houdende vaststelling van regels voor overheidsgelieerde entiteiten (Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten)
(Zittingsjaar 2021-2022-187)(zaaknummer 2021/010294)

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 29 oktober 2021 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 10 december 2021, bericht de Raad u als volgt.

  1. Algemeen
  1. De ontwikkelingen rondom vaststelling van overheidswege van financiële regels met betrekking tot overheidsgelieerde entiteiten

In de vergadering van de raad van ministers van het Koninkrijk (hierna: RMR) van 10 juli 2020 was besloten dat Curaçao aan een aantal voorwaarden moet voldoen teneinde in aanmerking te komen voor verlening door Nederland van een tweede tranche liquiditeitssteun.[1] Een van deze voorwaarden betreft het inkorten met 12,5% op het arbeidsvoorwaardenpakket van medewerkers in de (semi)publieke sector, waaronder de overheidsgelieerde entiteiten.

Bij de Raad is op 27 augustus 2020 een spoedadviesverzoek ingediend over de ontwerplandsverordening houdende inkorting op vakantie-uitkering, vakantie-uren en het niet toekennen van een verhoging van de bezoldiging vanaf het kalenderjaar 2020 (Landsverordening inkorting arbeidsvoorwaarden 2020) (zaaknummers 2020/025535 en 2020/029235). De Raad heeft op 8 september 2020 een gewijzigde ontwerplandsverordening inkorting arbeidsvoorwaarden 2020 (hierna: ontwerplandsverordening inkorting) ontvangen. Hierover heeft de Raad op 21 september 2020 advies met kenmerk RvA no. RA/36-20-LV uitgebracht (hierna: advies van 21 september 2020).

In de ontwerplandsverordening inkorting waren twee artikelen opgenomen die de arbeidsvoorwaarden van onder meer de directeur, het bestuur en het personeel van overheidsgelieerde entiteiten betroffen. Het gaat om de artikelen 8 en 9, waarop de Raad in onderdeel I.7 “De overheidsgelieerde entiteiten” van het advies van 21 september 2020 is ingegaan.

Bij de aanbieding door de regering van de ontwerplandsverordening inkorting aan de Staten op 28 oktober 2020[2] zijn de artikelen 8 en 9 op zodanige wijze aangepast dat daarin niet meer bepalingen over de arbeidsvoorwaarden van de directeur, het bestuur en het personeel van overheidsgelieerde entiteiten voorkomen. Uit de paragraaf 3B “De Raad van Advies” van de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening inkorting[3] blijkt  dat de regeling van de inkorting op de arbeidsvoorwaarden van het personeel van overheidsgelieerde entiteiten in een andere ontwerplandsverordening, namelijk de ontwerplandsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten, is ondergebracht. Deze regels zijn in aangepaste vorm opgenomen in de artikelen 8 en 9 van laatstgenoemde ontwerplandsverordening.

Op 26 oktober 2020 is vervolgens bij de Raad een spoedadviesverzoek ingediend inzake deze ontwerplandsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten. Hierover heeft de Raad op 1 december 2020 het advies met kenmerk RvA no. RA/46-20-LV uitgebracht (hierna: het advies van 1 december 2020). Hierna is op 17 februari 2021 een aangepaste ontwerplandsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten (Zittingsjaar 2020-2021-187) (hierna: het ontwerp) door de Staten in behandeling genomen. In paragraaf 6 “Advies Raad van Advies” van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp is de regering ingegaan op het advies van de Raad van 1 december 2020. Uit een analyse door de Raad van deze paragraaf is een tweetal zwaarwegende punten naar voren gekomen waarover de Raad van oordeel is dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden in het ontwerp. Als gevolg daarvan heeft de Raad op 10 maart 2021 een ongevraagd advies (met kenmerk RvA no. RA/11-21-DIV) (hierna: het ongevraagde advies van 10 maart 2021) uitgebracht. In dit ongevraagd advies is de Raad ingegaan op de positie van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) in het ontwerp en op de Corporate Governance.[4] Op 4 mei 2021 heeft de Staten een door de regering ingediende nota van wijziging in behandeling genomen waarin volgens de regering rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de Raad in het ongevraagde advies van 10 maart 2021.

Vervolgens werd door de Staten op 8 juni 2021 een tweede nota van wijziging in behandeling genomen. Daarin worden een tekstuele wijziging en een wijziging van een bijlage bij het ontwerp opgenomen. Bij de Raad is tenslotte op 29 oktober 2021 een ontwerp van een derde nota van wijziging (hierna: derde nota van wijziging) ingediend voor spoedadvies. De aanleiding voor deze derde nota van wijziging is volgens de toelichting ervan een vergelijkend onderzoek opgedragen door de RMR naar de wijze waarop Curaçao, Aruba en Sint Maarten invulling hebben gegeven aan de maximering van topinkomens in de (semi)publieke sector.[5] In dat vergelijkend onderzoek is de RMR tot de conclusie gekomen dat de verschillen aanzienlijk zijn en dat de regelingen op belangrijke onderdelen, zoals het maximuminkomen, de werkingssfeer en de handhaving, onvoldoende effectief zijn. Op basis daarvan heeft de RMR toen besloten dat de Caribische landen binnen het Koninkrijk, als voorwaarde voor aanvullende liquiditeitssteun, hun ontwerpen inhoudelijk in lijn moeten brengen met reeds eerder door de RMR genomen besluiten.

Volgens de regering van Curaçao komt het erop neer dat Curaçao een wettelijke regeling dient op te stellen overeenkomstig de Nederlandse Wet normering topinkomens (hierna: de NWnt). Deze keuze van de regering biedt de Raad de mogelijkheid om in dit advies ook de NWnt te betrekken. Het vorengaande zal blijken als de Raad hierna in zal gaan op een aantal algemene en inhoudelijke punten waarmee volgens hem rekening gehouden moet worden in de ontwerplandsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten zoals deze gewijzigd is bij de eerste, tweede en derde nota’s van wijziging.

  1. Fair balance
  1. Beoordeling voldoening aan fair balance-vereiste in het onderhavige geval

De Raad heeft in zijn eerdere adviezen van 21 september 2020 en 1 december 2020 de regering gewezen op een aantal aspecten met betrekking tot het eigendomsrecht, neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), versus de inkorting op het totale pakket van arbeidsvoorwaarden bij de directeur, het bestuur en het personeel van overheidsgelieerde entiteiten.[6] Ook door de regering is in het ontwerp dat op 17 februari 2021 door de Staten in behandeling is genomen uitvoerig stilgestaan bij deze opmerkingen van de Raad en was zij het ermee eens dat het ontwerp een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van een groot aantal burgers.[7] Uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EU Hof) volgt dat per geval moet worden beoordeeld of de inmenging voorzien is bij wet, of de inmenging legitieme doelstellingen in het algemeen heeft en of er een behoorlijk evenwicht is tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van de belanghebbenden. Dit laatste vereiste wordt ook wel aangeduid als “fair balance”. In dat eerder door de Staten in behandeling genomen ontwerp is de regering tot de conclusie gekomen dat in de onderhavige landsverordening voldaan werd aan deze drie voorwaarden en dat de inbreuk op het eigendomsrecht in dit geval geoorloofd was. De Raad constateert echter dat er een reëel risico bestaat dat dit niet meer het geval zal blijken te zijn waar het betreft de voldoening aan het fair balance-vereiste. Fair balance houdt in dat er evenwicht dient te bestaan tussen het algemene belang dat het land tracht te verwezenlijken en de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van het individu. Er mag geen persoonlijke en onevenredige last aan de betrokkene worden opgelegd, (“individual and excessive burden”) vooral als hiertegenover geen compensatie wordt gesteld.

In onderdeel J van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 18 van het ontwerp te wijzigen. In het voorgestelde artikel 18 wordt de inwerkingtreding van de Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten geregeld. Daarin wordt bepaald dat de artikelen 8 (het tijdelijk inkorten op de arbeidsvoorwaarden), 9 (het tijdelijk stopzetten van toekenning van de jaarlijkse loontrede en de verhoging van de bezoldiging) en 10 (de ondergrens van het minimumloon) onmiddelijke werking hebben en terug werken tot en met de datum van 1 juli 2020. Vanaf die datum tot de datum van de inwerkingtreding van (de rest van) de landsverordening zal een periode van op zijn minst anderhalf jaar zijn verstreken. Dit is op zich een naar de mening van de Raad te lange termijn. Weliswaar zal de inkorting het algemeen belang dienen maar de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht is hoog vanwege het feit dat de vaststelling van voornoemde landsverordening (te) lang op zich heeft laten wachten. De vraag rijst of door het voorgaande gesteld kan worden dat in het tijdvak 1 juli 2020 tot de datum van inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening de inmenging een voldoende precieze en toegankelijke nationale wettelijke basis heeft gehad en ook voorzienbaar was.[8] [9] Op het moment dat laatstgenoemde bepalingen in werking treden kan door de onmiddellijke werking ervan voor de topfunctionarissen en het personeel van de overheidsgelieerde entiteiten een hoge (geld)schuld ofwel schade ontstaan die ook nog direct invorderbaar is en waartegenover geen deugdelijke compensatie zijdens de overheid wordt gesteld. Het is niet onaannemelijk dat deze maatregel voor veel onrust in de gemeenschap zal zorgen. Voor de Raad valt op dit moment niet te overzien wat de rechter in dergelijke gevallen zal oordelen, maar hij acht het niet onaannemelijk dat er sprake kan blijken te zijn van een ongeoorloofde inbreuk op de eigendomsrechten van deze topfunctionarissen en het personeel van de overheidsgelieerde entiteiten. Volledigheidshalve moet – onder verwijzing naar het eerste tekstblok van de toelichting op onderdeel I (artikel 14 van het ontwerp op pagina 29 van de toelichting) – worden opgemerkt dat de omstandigheid dat de regering de betrokkenen al enige tijd geleden heeft verzocht om vrijwillig een aanvang te maken met het bezuinigen op de personeelskosten binnen de desbetreffende entiteiten ook niet afdoet aan de eerder getrokken conclusie dat er geen sprake meer is van fair balance. Voor de individuele werknemer was immers niet voorzienbaar op welke wijze de 12,5% korting bij de entiteit waar hij werkzaam is doorgevoerd zou worden. De entiteiten zijn, zoals gesteld in de toelichting op onderdeel E “Arbeidsvoorwaarden” (pagina 25), vrij in het bepalen van de arbeidsvoorwaarden waarop gekort zal worden mits het bedrag dat aan inkorting wordt gerealiseerd gelijk is aan 12,5% van de jaarlijkse salariskosten van de overheidsgelieerde entiteit.

De Raad is zich er terdege van bewust dat sprake is van een bijzonder geval nu het land Curaçao te kampen heeft met een financieel-economische crisissituatie van buitengewone proporties.  Totstandkoming van de onderhavige landsverordening is nodig ter voldoening aan de door Nederland gestelde voorwaarde voor liquiditeitssteun. Een groot algemeen belang zal worden gediend (voortzetting van de liquiditeitssteun) aangezien geen andere (financiële) bron beschikbaar lijkt te zijn. Naar het oordeel van de Raad kan gesteld worden dat hoe langer de periode waarover de onderhavige landsverordening terugwerkt, hoe groter het risico dat in gerechtelijke procedures vast zou kunnen komen te staan dat niet (meer) voldaan wordt aan het fair balance-vereiste en daardoor sprake is van schending van artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM. Dit laatste is mede afhankelijk van de vraag of bij de verrichte belangenafweging bezien is of er een noodzaak is voor gefaseerde invoering of de mogelijkheid tot toekenning van compensatie.

  1. Beoordeling van de noodzaak voor compensatie

Bij de toetsing of er sprake is van een fair balance wordt volgens jurisprudentie van het EU Hof aan de verdragsstaten in beginsel een ruime beoordelingsruimte (“margin of appreciation”) gelaten. Wel moet er een duidelijke belangenafweging op nationaal niveau hebben plaatsgevonden, bij gebreke waarvan het risico aanwezig is dat aangenomen wordt dat sprake is van schending van artikel 1 van het EVRM.

Bij de toets of voldaan wordt aan het vereiste van fair balance is van belang om mee te wegen of ten aanzien van de inbreuk die zal worden gemaakt op het eigendomsrecht enige vorm van compensatie wordt gesteld. Naarmate de inmenging zwaardere negatieve gevolgen heeft, moet – zo volgt uit de jurisprudentie – ruimere compensatie worden geboden om te voldoen aan het fair balance-vereiste.[10] De Raad is van oordeel dat in het licht van de voldoening aan het fair balance-vereiste, ten aanzien van de in de artikelen 8, 9 en 10 van het ontwerp voorgestelde belastende maatregelen die de topfunctionarissen en het personeel van overheidsgelieerde entiteiten direct raken op zijn minst de volgende mogelijkheden door de regering tegen elkaar moeten zijn afgewogen. Het betreft de mogelijkheid van gefaseerde invoering of de mogelijkheid tot toekenning van compensatie. Uit de toelichting op de derde nota van wijziging moet, in aanvulling op het gestelde in paragraaf 3 “De rechtvaardiging voor de inbreuk” van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp, duidelijk blijken welke mogelijkheden - rekeninghoudende met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM en de jurisprudentie daarover - tegen elkaar zijn afgewogen en het resultaat daarvan.

  1. Advies

In het licht van het bovenstaande adviseert de Raad de regering om ten aanzien van de toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 van het ontwerp een afweging te maken over de mogelijkheid van gefaseerde invoering of de mogelijkheid tot het toekennen van compensatie aan de topfunctionarissen en het personeel van overheidsgelieerde entiteiten. De afweging en het resultaat ervan dienen duidelijk, en rekening houdende met artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM en de jurisprudentie daarover,  in de toelichting behorende bij de derde nota van toelichting te worden aangegeven[11].

3.  Toetsen of het ontwerp zijn doel treft

  1. Inleiding

Bij het tot stand brengen van wettelijke regelingen moet gestreefd worden naar duidelijkheid en eenvoud van die regelingen. Bovendien dient de regeling het beoogde doel te helpen verwezenlijken (de effectiviteit van de regeling). Bij zijn advisering toetst de Raad of de betreffende regeling daaraan voldoet.

  1. Tijdelijke maximering van topinkomens

Zoals bekend is de verplichting tot inkorting op de arbeidsvoorwaarden met 12,5% bij ambtenaren en met 25% bij Statenleden en ministers, zonder uitgestelde werking – dus direct – met ingang van 1 juli 2020 inwerking getreden.[12] Bij de overheidsgelieerde entiteiten die de inkorting niet hebben ingevoerd, zal bij de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening, de inkorting met 12,5% terugwerken tot en met 1 juli 2020. Anderzijds wordt bij de normering van de topinkomens een overgangsperiode van twee jaar in acht genomen, welke ingaat bij het inwerkingtreden van de Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten. In het ontwerp wordt geen melding gemaakt van de achterliggende gedachte die dit verschil in aanpak zou verklaren, noch wordt geïndiceerd in welke mate topinkomens thans verschillen van de voorgestelde norm.

Uitgaande van het feit dat een overgangsregeling van twee jaar wordt gehanteerd, zou volgens de Raad het bestaan van aanzienlijke afwijkingen tussen bepaalde huidige topinkomens en de in artikel 4, eerste lid, van het ontwerp voorgestelde norm kunnen indiceren. Volgens de eerste overweging van de considerans van het ontwerp, zoals gewijzigd bij de derde nota van wijziging, is het wenselijk en maatschappelijk verantwoord om de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden van topfunctionarissen, medewerkers en adviseurs van de overheid en van de overheidsgelieerde entiteiten te maximeren. Omdat de regering het maximeren van de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden van topfunctionarissen maatschappelijk verantwoord acht, zou in lijn met het vorenstaande volgens de Raad te verwachten zijn dat de regering van de onderhavige mogelijkheid gebruik zou maken om (eventuele) scheve situaties voor altijd recht te trekken. Echter is onder andere uit artikel 18 van het ontwerp, zoals gewijzigd bij de derde nota van wijziging, op te maken dat evenals de inkorting binnen de (semi)publieke sector van 12,5% en van 25% bij politieke ambtsdragers ook de normering van topinkomens een tijdelijk karakter heeft. De regering wordt geadviseerd in de memorie van toelichting te motiveren waarom de maatregel tot beperking van topinkomens – rekening houdend met de maatstaven voor redelijkheid en billijkheid en om buitensporigheid bij de inkomensverdeling bij (semi) publieke entiteiten te beperken – een tijdelijk karakter heeft.   

  1. De (ontbrekende) financiële paragraaf
  1. Financiële gevolgen

In “§4. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp wordt ingegaan op de door de regering voorziene financiële consequenties. Ten aanzien van deze paragraaf wenst de Raad onderstaand het volgende op te merken met betrekking tot eventuele effecten van het voorgestelde in het ontwerp, zoals gewijzigd bij de derde nota van wijziging.

1°. Verminderde begrotingsrisico’s voor de overheid

Volgens “§4. Financiële gevolgen” wordt beoogd dat overheidsgelieerde entiteiten die zonder een overheidsbijdrage hun bedrijf voeren, niet bij de overheid komen aankloppen voor financiële steun en dat op deze wijze de overheidsbegroting evenmin overschreden wordt en dat dit beleid de meerjarenramingen in de overheidsbegroting dient te ondersteunen. De vorenstaande passage indiceert volgens de Raad dat met de te realiseren besparing bij de overheidsgelieerde entiteiten een tekort op de overheidsbegroting voorkomen zal kunnen worden. Volgens de Raad  zou de regering tot deze conclusie kunnen komen als de verwachte besparing voor de overheid te kwantificeren is, derhalve wordt de regering gevraagd aan te geven hoeveel de regering aan besparing verwacht als gevolg van de normering van de topinkomens en de inkorting met 12,5% op de personeelslasten bij overheidsgelieerde entiteiten. Voorts, gegeven het tijdelijke karakter van de normering spreekt het voor zich dat de positieve financiële gevolgen waarvan de regering hierbij vanuit gaat ook van tijdelijk aard zullen zijn. De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het laatstgenoemde en wenst in dit verband te verwijzen naar punt b onder I. 3. “b. Tijdelijke maximering van topinkomens” (pagina 6).    

2 º. Risico gerelateerd aan de uitvoeringskracht (artikel 11)

Volgens §4 “Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (pagina 7, voorlaatste tekstblok) zullen de toezichthoudende taken die krachtens deze landsverordening aan personen wordt toegekend binnen het ambtelijk apparaat worden ingevuld, zodat hier sprake zal zijn van budgetneutraliteit. Met dit laatste wordt gedoeld op de nieuw aangetrokken dan wel nog aan te trekken financiële directeuren per ministerie die de toezichtwerkzaamheden als onderdeel van hun takenpakket kunnen uitvoeren. In dit verband verwijst de regering naar artikel 41, zesde lid, van de Landsverordening comptabiliteit 2010 waarin deze toezichthoudende taak ten aanzien van overheidsgelieerde entiteiten is opgenomen.

De Raad beveelt de regering aan om zorg te dragen voor het tijdig aantrekken van voldoende personeel met de vereiste kennis (expertise) om op gedegen wijze invulling te kunnen geven aan de toezichthoudende taken verbonden aan de uitvoering van de Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten.

3º. Gevolgen voor het loonhuis

Bij de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening wordt de in artikel 4, eerste lid  opgenomen bezoldigingsnorm van NAf 263.000 een gegeven, immers alle salarissen bij overheidsgelieerde entiteiten dienen daaronder te liggen. De mate waarin de invoering van de norm gevolgen gaat hebben voor het loonhuis zal volgens de Raad helemaal afhangen van de discrepantie (huidige hoge salarissen minus NAf 263.000) die weggewerkt dient te worden. In geval thans de hoogste salarissen bij de overheidsgelieerde entiteiten bijvoorbeeld rond de NAf 265.000 bedragen, zal de norm weinig tot geen gevolgen hebben voor het loonhuis. Echter indien de hoogste salarissen aanzienlijk hoger zijn en ook de subtop boven het bedrag van NAf 263.000 ligt, zullen de gevolgen voor het loonhuis – gegeven de norm van NAf 263.000 - groot zijn. Een grote uitdaging bij deze landsverordening betreft dus de inpassing van de norm door de overheidsgelieerde entiteiten in hun loonhuis. Het laatste kan zelfs er toe leiden dat personeelsleden die voor wat betreft hun salaris thans al onder de bezoldigingsnorm zitten straks vanwege het streven naar het behoud van de onderlinge verhoudingen van de salarissen in de overheidsgelieerde entiteit, in salaris achteruit zullen gaan.

Het aanpassen van het  loonhuis is een interne aangelegenheid van de overheidsgelieerde entiteit. Vanwege de complexiteit van deze aanpassing kan het in bepaalde gevallen voorkomen dat de betrokken overheidsgelieerde entiteit enige tijd nodig heeft om in het kader van de uitvoering van de onderhavige landsverordening het loonhuis aan te passen. Dit aanpassingsproces moet op een verantwoorde wijze plaatsvinden ter minimalsering van het risico van het onstaan van onrust op de werkvloer, zeker als de personen die thans onder de norm liggen straks toch achteruit zullen gaan in salaris.

De Raad vraag de aandacht van de regering voor het bovenstaande.

  1. De hoogte van de bezoldiging van ministers versus de Minister-President

In onderdeel “Bezoldigingsnorm (artikel 4)” van de toelichting op de derde nota van wijziging wordt op pagina 19, in de derde alinea – onder “Artikel 54” – vermeld dat met ingang van 1 juli 2020 de bezoldiging van de ministers NAf 12.714 bedraagt, verhoogd met 12,5%. Volgens de Raad komt de bezoldiging van de ministers - verhoogd met 12,5% - uit op NAf 14.303,25.

Voorts wordt op dezelfde pagina, in het laatste tekstblok waar het salaris van de Minister-President als basis wordt gebruikt voor de berekening van de normering van de topinkomens, ook uitgegaan van een bedrag van NAf 14.303,25.

De regering wordt gevraagd de gehanteerde bedragen op juistheid te controleren en eventuele correcties aan te brengen in de bedoelde passages.

  1. Inhouding pensioenpremie door werkgever

Op pagina 21 in het eerste tekstblok van de toelichting op de derde nota van wijziging wordt vermeld dat het Land en overheidsgelieerde entiteiten, waarvan het personeel bij het Algemeen Pensioenfonds Curaçao is verzekerd, als werkgevers een pensioenpremie van 12% op het loon inhouden. Volgens de Raad is de werkgeversbijdrage opgenomen in de totale pensioenpremie 12% en houden de werkgevers 6% (en niet 12%) over het loon in, zijnde het werknemersdeel van de pensioenpremie. De regering wordt gevraagd het percentage in de bedoelde passage aan te passen.

  1. Inhoudelijke opmerkingen
  1. De derde nota van wijziging
  1. De termen “topfunctionaris” en “toezichthoudende orgaan” (onderdeel B, punt 3[13]; artikel 1 van het ontwerp)

In punt 3 van onderdeel B van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om onderdeel d van het eerste lid van artikel 1 van het ontwerp te wijzigen door de term “topfunctionaris” te introduceren. Een “topfunctionaris” is volgens dit onderdeel onder meer een lid van het hoogste uitvoerende en toezichthoudende orgaan van een overheidsgelieerde entiteit. In de toelichting op punten 3, 4 en 5 van dit onderdeel B (pagina 12) wordt aangegeven wat onder het begrip “toezichthoudende orgaan” wordt verstaan. De Raad is van oordeel dat deze definitie niet in de toelichting doch in het eerste lid van artikel 1 van het ontwerp opgenomen dient te worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel B van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De reikwijdte (onderdeel C; artikel 2 van het ontwerp)

1º.  Van toepassing zijn op

In onderdeel C van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 2 van het ontwerp te wijzigen. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 wordt bepaald op welke entiteiten de landsverordening van toepassing is. In het tweede lid van dat artikel worden een aantal ambten, functionarissen of entiteiten uitgesloten. De vraag is of alle bepalingen van de landsverordening van toepassing zullen zijn op de ambten, functionarissen of entiteiten op wie de landsverordening wel van toepassing is. Ter illustratie, de landsverordening is van toepassing op de Raad van Advies, maar niet op de Ondervoorzitter, de leden of de aldaar bij het Secretariaat werkzame ambtenaren. De landsverordening geldt wel ten aanzien van externe adviseurs met wie een civielrechtelijke overeenkomst wordt gesloten. Ten aanzien van externe adviseurs zal nooit een ontslagvergoeding als bedoeld in artikel 5 van de landsverordening worden overeengekomen. Het een en ander betekent dus dat niet alle bepalingen van de landsverordening van toepassing zullen zijn op de in het tweede lid van artikel 2 van het ontwerp bedoelde ambten, functionarissen of entiteiten. De Raad is van oordeel dat met inachtneming van aanwijzing 64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving duidelijk bepaald dient te worden welke regels op welke ambten, functionarissen of entiteiten van toepassing zullen zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. Andere organen

In artikel 2 wordt de reikwijdte van de landsverordening bepaald. In de toelichting op onderdeel C van de derde nota van wijziging waarin artikel 2 wordt besproken (pagina 17, eerste volzin) wordt aangegeven dat de toepassing van het onderhavige ontwerp uitgebreid wordt met de staatsorganen. De Raad vraagt zich af of naast de in het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 genoemde staatsorganen en rechtspersonen die bij of krachtens landsverordening zijn ingesteld geen derde categorie opgenomen moet worden waaronder onder meer de organen zoals de Kustwacht en de Raad voor de Rechtshandhaving worden ondergebracht.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

3º. De Kinderombudsman

In onderdeel a van het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 wordt bepaald dat de landsverordening van toepassing is op de Ombudsman. De Raad is van oordeel dat de landsverordening tevens van toepassing zou moeten zijn op de Kinderombudsman.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel a van het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

4º. De Ombudsman

Volgens het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp is de landsverordening, in afwijking van het eerste lid, niet van toepassing op de in de onderdelen a tot en met g genoemde staatsorganen, ambtsdragers of functionarissen. Uit de derde en vierde volzin van de toelichting op onderdeel C van de derde nota van wijziging, waarin artikel 2 wordt behandeld (pagina 17), begrijpt de Raad dat de genoemde staatsorganen, ambtsdragers  of functionarissen uitgezonderd worden omdat hun rechtspositie al  in de betreffende wettelijke regeling is vastgelegd. Het is de Raad opgevallen dat de Ombudsman niet in deze opsomming voorkomt. De rechtspositie van de Ombudsman wordt bij of krachtens artikel 7 van de Landsverordening Ombudsman geregeld. Op 13 augustus 2019 is door de regering bij de Staten een ontwerplandsverordening ingediend ter uitvoering van artikel 7 van de Landsverordening Ombudsman.[14] Deze landsverordening is op 20 november 2021 in werking getreden.[15] Gezien de gekozen wetgevingstechniek, waarbij staatsorganen, ambtsdragers of functionarissen wier rechtspositie al in een wettelijke regeling is geregeld niet onder de reikwijdte van de onderhavige landsverordening vallen, moet naar het oordeel van de Raad ook de Ombudsman (en de Kinderombudsman) buiten de reikwijdte van deze landsverordening vallen. Om dit te bewerkstelligen moet de Ombudsman (en de Kinderombudsman) in de opsomming van het tweede lid van artikel 2 van het ontwerp expliciet genoemd worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

5º. De ondervoorzitter van de Raad van Advies

In onderdeel b van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat de onderhavige landsverordening niet van toepassing zal zijn op de voorzitter en de leden van de Raad van Advies. Uit de artikelen 65 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) en 1 van de Landsverordening Raad van Advies volgt dat de Gouverneur van Curaçao de voorzitter is van de Raad van Advies. De rechtspositie van de Gouverneur wordt bepaald door het Rijksbesluit rechtspositie Gouverneurs.[16] De Raad is van oordeel dat niet de Gouverneur als voorzitter van de Raad maar de Ondervoorzitter van de Raad als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Landsverordening Raad van Advies,  in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 2 van het ontwerp genoemd moet worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel b van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

6º. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie

In het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald op welke staatsorganen en overheidsgelieerde entiteiten de onderhavige landsverordening van toepassing is. In die opsomming wordt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) niet genoemd. In de toelichting op onderdeel C van de derde nota van wijziging, waarin artikel 2 wordt behandeld (pagina 17), wordt slechts aangegeven dat de landsverordening niet van toepassing is op het Hof, echter zonder nadere motivering.

In de brief d.d. 10 september 2020, met kenmerk Pr. 094/2020, van de President van het Hof en van de Voorzitter van de Beheerraad van het Hof wordt gemotiveerd om welke reden de leden van het Hof, de rechter-plaatsvervangers in eerste aanleg en het niet rechtsprekend personeel niet onder het toepassingsbereik van de landsverordening zouden moeten vallen. De Raad is van oordeel dat de leden van het Hof en de rechter-plaatsvervangers in eerste aanleg niet onder het toepassingsbereik van de landsverordening moeten vallen omdat hun rechtspositie geregeld wordt in het Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof. Ten aanzien van het niet rechtsprekend personeel dat volgens de President van het Hof en de Voorzitter van de Beheerraad van het Hof door de rechtspersoon het Hof worden benoemd dient door de regering in de toelichting van de derde nota van wijziging deugdelijk gemotiveerd te worden waarom zij niet onder het toepassingsbereik van de landsverordening zouden moeten vallen.

De Raad adviseert de regering om in de toelichting op het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging nader te motiveren om welke reden het Hof, en meer in het bijzonder het niet rechtsprekend personeel van het Hof, niet onder de reikwijdte van de landsverordening moet vallen.

7°. Politieke ambtsdragers, leden van het openbaar ministerie, het Hof en ambtenaren

In de onderdelen a, e, f en g van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat de onderhavige landsverordening, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, niet van toepassing is op politieke ambtsdragers, leden van het openbaar ministerie, het Hof en ambtenaren. Indien politieke ambtsdragers, leden van het openbaar ministerie, het Hof en ambtenaren niet in het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 worden genoemd kan volgens de Raad geen sprake zijn van een afwijking ten aanzien van deze functionarissen of organen in het tweede lid van dat artikel. De Raad is van oordeel dat, met inachtneming van aanwijzing 66 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en onder het schrappen van deze onderdelen van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp, een aparte artikel(lid) opgenomen dient te worden waarin de landsverordening niet van toepassing wordt verklaard op politieke ambtsdragers, leden van het openbaar ministerie, het Hof en ambtenaren.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de onderdelen a, e, f, en g van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

8°. Gelijkgestelden, arbeidscontractanten en werklieden

Uit onderdeel g van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 van het ontwerp blijkt dat de landsverordening niet van toepassing zou moeten zijn op ambtenaren. In het laatste tekstblok van de toelichting op onderdeel C van de derde nota van wijziging, waarin artikel 2 wordt behandeld (pagina 18), is aangegeven dat het vooralsnog niet de bedoeling is dat de landsverordening van toepassing is op ambtenaren omdat het salaris van een ambtenaar de bezoldigingsnorm van artikel 4, eerste lid, niet kan overschrijden. De hiervoor gegeven reden geldt naar het oordeel van de Raad ook voor gelijkgestelden, namelijk degenen met wie de openbare rechspersoon Curaçao een arbeidsovereenkomst is aangegaan (arbeidscontractanten) en de werklieden die werkzaamheden verrichten voor de openbare rechtspersoon Curaçao.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het onderdeel g van het tweede lid van het voorgestelde artikel 2 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De bezoldigingsnorm (onderdeel C; artikel 4 van het ontwerp)

1º. De verantwoording ten aanzien van uitzonderingen

In onderdeel C van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 4 van het ontwerp te wijzigen. In de tweede volzin van het tweede lid van dit voorgestelde artikel 4 wordt bepaald dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, uitzonderingen kunnen worden vastgesteld ten aanzien waarvan de in de eerste volzin van dat artikellid bedoelde maximale bezoldigingen buiten toepassing zullen blijven. Uit de toelichting op onderdeel C van de derde nota van toelichting, waarin artikel 4 wordt besproken (pagina 20, zesde volzin van het laatste tekstblok), volgt dat in het bedoelde landsbesluit, houdende algemene maatregelen, in ieder geval zal worden vastgesteld hoe verantwoording dient te worden afgelegd ten aanzien van de uitzonderingen. Dat het afleggen van verantwoording in het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, opgenomen moet worden dient volgens de Raad, mede gezien aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, uit (het tweede lid van) het voorgestelde artikel 4 van het ontwerp zelf te blijken en niet uit de toelichting.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde artikel 4 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. Het opnieuw vaststellen van bedragen

In het derde lid van het voorgestelde artikel 4 van het ontwerp wordt bepaald dat als er veranderingen optreden in de geldelijke voorzieningen van ministers of in de bezoldiging van ambtenaren dit met zich mee zal brengen dat de bezoldigingsnorm van maximaal NAf 263.000,- , het forfaitaire deel van NAf 30.000,- en de ontslagvergoeding van maximaal NAf 88.000,- bij ministeriële regeling met algemene werking opnieuw vastgesteld zullen worden. Het is niet duidelijk of deze bedragen volgens dezelfde formules als waarin ze op dit moment berekend zijn opnieuw vastgesteld zullen worden of dat van deze formules afgeweken zou mogen worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde artikel 4 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Het einde van het dienstverband (onderdeel C; artikel 5 van het ontwerp)

In onderdeel C van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 5 van het ontwerp te wijzigen. In het tweede lid van het voorgestelde artikel 5 wordt bepaald dat de bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, voor de toepassing van deze landsverordening, aangemerkt wordt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. De datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt wordt volgens het artikellid aangemerkt als de datum waarop het dienstverband is geëindigd. Het is niet duidelijk of deze bepaling in het geval van ziekte van de topfunctionaris ook dient te gelden. Bovendien is in dat geval niet duidelijk welke datum als datum waarop het dienstverband is geëindigd moet worden gehanteerd.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde artikel 5 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Het oordeel van de externe deskundige (onderdeel C; artikel 6 van het ontwerp)

In onderdeel C van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 6 van het ontwerp te wijzigen. Deze wijziging houdt in dat een externe deskundige als bedoeld in artikel 121, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, een oordeel zal moeten geven over de gegevens die door een overheidsgelieerde entiteit in het financieel verslaggevingsdocument worden opgenomen. Het een en ander tenzij op grond van de tweede volzin van het voorgestelde artikel 6 van het ontwerp bij ministeriële regeling met algemene werking anders is bepaald. De Raad is van oordeel dat, gelet op aanwijzing 19, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, deze bevoegdheid niet aan een minister gedelegeerd dient te worden. Dat een externe deskundige niet over de door een entiteit in een verslaggevingsdocument opgenomen gegevens hoeft te oordelen dient volgens de Raad bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld te worden. Daarin dient ook bepaald te worden in welke gevallen en op welke gronden het oordeel van de externe deskundige achterwege zou kunnen blijven.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde  artikel 6 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De rechtsgevolgen van een overschrijding van het bezoldigingsmaximum (onderdeel C; artikel 7 van het ontwerp)

1°. De terugvordering

In onderdeel C van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 7 van het ontwerp te wijzigen. Volgens het eerste en tweede lid van dit voorgestelde artikel 7 zijn overeengekomen betalingen voor een hogere bezoldiging of wegens de beëindiging van een dienstverband die boven het bezoldigingsmaximum, vastgesteld in de landsverordening, uitgaan, onverschuldigd betaald. Deze onverschuldigde betalingen kunnen teruggevorderd worden. Het is niet duidelijk welk orgaan c.q. organisatieonderdeel van de overheid belast is met de terugvordering. In de toelichting op onderdeel C van de derde nota van wijziging waarin artikel 7 (“Rechtsgevolgen overschrijding bezoldigingsmaximum”) wordt besproken (pagina’s 23 en 24), wordt in de achtste volzin van het eerste tekstblok aangegeven dat het bevoegde orgaan van de overheid en de overheidsgelieerde entiteit het bedrag waarmee het bezoldigingsmaximum is overschreden altijd kan terugvorderen. De Raad is van oordeel dat in het ontwerp bepaald moet worden welk orgaan c.q. organisatieonderdeel van de overheid onder “het bevoegde orgaan van de overheid” moet worden begrepen.

Voorts wordt volgens de Raad door de bovenaangehaalde passage uit de toelichting de indruk gewekt dat het bevoegde orgaan van de overheid en de overheidsgelieerde entiteit altijd, gezamenlijk en ten aanzien van alle overschrijdingen bevoegd zijn om de terugvordering uit te voeren. Indien dit het geval moet zijn, dan dient het een en ander in de tekst van het ontwerp, en niet in de toelichting, opgenomen te worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde  artikel 7 in onderdeel C van de derde nota van wijziging en de toelichting daarop aan te passen.

2°. Rechterlijke uitspraak

In de tweede volzin van het tweede lid van het voorgestelde artikel 7 van het ontwerp wordt bepaald dat betalingen die het maximumbezoldigingsbedrag overschrijden onverschuldigd zijn betaald, tenzij de betaling voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak. De Raad is van oordeel dat de desbetreffende rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde moet zijn gegaan en dat hiertegen geen rechtsmiddel meer mogelijk moet zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het voorgestelde  artikel 7 in onderdeel C van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De openbaarmakingsplicht (onderdeel F; artikel 12 van het ontwerp)

1º. De aanbieding van het verslaggevingsdocument

In onderdeel F van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 12 van het ontwerp te wijzigen. Uit het voorgestelde artikel 12 volgt dat er een verslaggevingsdocument zal worden opgesteld door de overheidsgelieerde entiteiten. Het is niet duidelijk wanneer en of dit verslaggevingsdocument aan de minister moet worden aangeboden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel F van de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. Een beperking of vrijstelling van de openbaarmakingsplicht; gevallen en gronden

Uit het derde lid van dit artikel 12 volgt dat bij ministeriële regeling met algemene werking voorzien kan worden in een beperking of vrijstelling van de openbaarmakingsplicht. Het is niet duidelijk op welke gronden en in welke gevallen een beperking kan worden opgelegd of vrijstelling kan worden gegeven ten aanzien van deze openbaarmakingsplicht. In de toelichting op onderdeel F van de derde nota van wijziging (pagina 28, eerste volzin van het eerste tekstblok) wordt aangegeven dat het stellen van beperkingen en het geven van vrijstellingen met het oog op vermindering van administratieve lasten als gevolg van de informatieverplichtingen die gelden op grond van de onderhavige landsverordening moet geschieden. In het licht van aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is de Raad van oordeel dat bovengenoemde reden niet uit de toelichting doch uit de landsverordening zelf dient te blijken. Bovendien moet het stellen van nadere regels ten aanzien van het stellen van beperkingen en het verlenen van vrijstellingen, in navolging van aanwijzing 19, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, niet bij ministeriële regeling met algemene werking maar bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden geregeld.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel F van de derde nota van wijziging aan te passen.

3º. De verklaring van de topfunctionaris

In de tweede volzin van het derde lid van het voorgestelde artikel 12 van het ontwerp wordt bepaald dat de minister kan bepalen dat bij het ontbreken van een financieel verslaggevingsdocument, de topfunctionaris een verklaring aan deze minister kan afgeven inzake de naleving van de landsverordening. Het is niet duidelijk in welke gevallen en op welke gronden een financieel verslaggevingsdocument mag ontbreken.

Uit de formulering van de tweede volzin van het derde lid van het voorgestelde artikel 12 volgt geen verplichting voor de topfunctionaris om bij het ontbreken van een verslaggevingsdocument een verklaring af te geven. Volgens de Raad kan dit met zich meebrengen dat in een kalenderjaar geen openbaarmaking van de gegevens over de naleving van de landsverordening bij een specifieke overheidsgelieerde entiteit zal plaatsvinden. De Raad is van oordeel dat hiermee een correcte uitvoering van de regels in de landsverordening in gedrang zal komen.

Tenslotte is niet duidelijk wat voor soort verklaring de topfunctionaris moet overleggen, welke gegevens deze verklaring in ieder geval moet bevatten, of het mondeling of schriftelijk kan plaatsvinden, binnen welke termijn het ingediend moet worden en wat de rest van de procedure tot het indienen ervan moet inhouden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel F van de derde nota van wijziging aan te passen.

4º. De openbaarmaking en de kosten

Volgens het vierde lid van het voorgestelde artikel 12 van het ontwerp wordt het financieel verslaggevingsdocument openbaar gemaakt. Uit dat artikel volgt niet duidelijk door welk orgaan of welke entiteit en op welke wijze deze openbaarmaking dient te geschieden en door wie de eventuele kosten die hieraan verbonden zijn gedragen zullen worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel F van de derde nota van wijziging aan te passen.

5º. De verantwoordelijke

Op grond van het vijfde lid van het voorgestelde artikel 12 van het ontwerp kan de minister een digitale meldplicht in het leven roepen. Volgens dit artikellid zal deze verplichting aan het daartoe bevoegde orgaan van de overheidsgelieerde entiteit toekomen. De Raad is van oordeel dat de term “het daartoe bevoegde orgaan van de overheidsgelieerde entiteit” vervangen kan worden door de term “verantwoordelijke” genoemd in punt 6 van onderdeel B van de derde nota van wijziging (onderdeel m van het eerste lid van het voorgestelde artikel 1 van het ontwerp).

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel F van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De overgangsbepaling (onderdeel I; artikel 14 van het ontwerp)

1º. De overgangsperiode van twee jaren

In onderdeel I van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om artikel 14 van het ontwerp, waarin het overgangsrecht wordt geregeld, te wijzigen. In het eerste lid van dit voorgestelde artikel 14 wordt bepaald dat een voorafgaand aan de inwerkingtreding van de landsverordening tussen partijen overeengekomen bezoldiging, die meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, binnen een periode van twee jaar in drie gelijke delen teruggebracht moet worden tot het geldende maximum. De Raad vraagt zich af of deze bepaling praktisch uitvoerbaar zal blijken te zijn, meer in het bijzonder het gedeelte van de drie gelijke delen binnen twee jaar. In de toelichting op onderdeel I van de derde nota van wijziging waarin artikel 14 (“Overgangsbepaling”) wordt besproken (pagina 29), wordt in de laatste volzin van het eerste tekstblok aangegeven dat de Nederlandse regering als voorwaarde voor het verstrekken van de derde tranche van liquiditeitssteun aan Curaçao de voorgestelde overgangsperiode heeft gesteld. Uit een brief van Wetgeving en Juridische Zaken d.d. 26 oktober 2021, met kenmerk WJZ’21/0154 (zaaknummer 2021/010294), volgt dat de RMR heeft geëist dat er een overgangstermijn van twee jaren wordt aangehouden. De Raad is van oordeel dat in de landsverordening de duur van de overgangsperiode vastgesteld moet worden maar dat de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven overgelaten kan worden aan de overheidsgelieerde entiteiten zelf. Het een en ander aangezien er verschillende soorten overheidsgelieerde entiteiten bestaan die niet allemaal gebonden zijn aan dezelfde soorten regels op het gebied van personeelsbeheer.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel I van de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. De ontslagvergoeding

In het derde lid van het voorgestelde artikel 14 van het ontwerp wordt bepaald dat een ontslagvergoeding die voorafgaande aan de inwerkingtreding van de landsverordening is overeengekomen, ten hoogste twee jaar na de inwerkingtreding zal mogen gelden. De Raad vraagt zich af of deze bepaling praktisch uitvoerbaar zal blijken te zijn. In de gevallen dat contractueel bedongen is dat een topfunctionaris bij ontslag op eigen verzoek aanspraak heeft op een ontslagvergoeding is het  niet uitgesloten dat het bepaalde in voornoemd artikel teweeg zal brengen dat topfunctionarissen (met ruime werkervaring) vóór het verstrijken van bedoelde twee jaren vrijwillig ontslag zullen nemen. 

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel I van de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Bijlage 2

In artikel 1, onderdeel a, onder 2º en 4º van het ontwerp wordt verwezen naar bijlage 2 bij het ontwerp. In Bijlage 2 is een lijst van overheidsgelieerde entiteiten opgenomen die voor meer dan vijftig procent rechtstreeks door het land Curaçao worden gesubsidiëerd of bekostigd of die vennootschappen of stichtingen zijn in de zin van de Landsverordening corporate governance. De betiteling van de lijst luidt “Stichtingen en verenigingen”. De Raad is van oordeel dat nagegaan dient te worden of er overheidsgelieerde entiteiten zijn die de rechtsvorm van een vereniging hebben waardoor de onderhavige landsverordening daarop van toepassing zou moeten zijn.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Overig
  1. Inleiding

In het onderhavig adviesverzoek heeft de Raad, naast een eerste, tweede en derde nota van wijziging ook een gewijzigd ontwerp ontvangen. De bedoeling van een gewijzigd ontwerp is om een integraal beeld van het ontwerp, zoals gewijzigd bij de nota’s van wijziging, te geven. Met andere woorden een gewijzigd ontwerp is een soort doorlopende tekst van een bij de Staten aanhangig gemaakte ontwerplandsverordening. De door de Raad in grote lijnen verrichte analyse van het aangeboden gewijzigd ontwerp heeft de Raad aanleiding gegeven om in dit advies in te gaan op een aantal punten die in de tekst van dit gewijzigd ontwerp voorkomen maar niet in de derde nota van wijziging en die met het oog op de kwaliteit van wetgeving volgens de Raad van belang kunnen zijn. Deze punten zullen hierna besproken worden.[17]

  1. De definitiebepaling

1º. De definitie van ‘overheidsgelieerde entiteit”

In onderdeel a van het eerste lid van artikel 1 van het gewijzigd ontwerp wordt onder meer in onder 3° en 4° bepaald wat onder een overheidsgelieerde entiteit dient te worden verstaan. Volgens subonderdeel 3° is een overheidsgelieerde entiteit een krachtens het Tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek opgerichte vennootschap waarvan de aandelen voor meer dan 50% rechtstreeks of door tussenkomst van een derde in handen zijn van land Curaçao als bedoeld in bijlage 3 bij deze landsveordening. Een overheidsgelieerde entiteit kan ook volgens subonderdeel 4° een vennootschap of stichting zijn als bedoeld in de Landsverordening corporate governance en voorkomende op bijlage 2 en 3 van de onderhavige landsverordening. In onderdeel k van artikel 1 van de Landsverordening corporate governance wordt bepaald dat een vennootschap een naamloze of besloten vennootschap met een statutaire zetel in Curaçao is en waarvan de aandelen deels of in het geheel, rechtstreeks of door tussenkomst van een derde in handen zijn van Curaçao. Deze laatste definitie van “vennootschap” in de Landsverordening corporate governance is heel ruim. Onder deze definitie vallen ook de entiteiten genoemd onder 3º van onderdeel a van het eerste lid van artikel 1 van het gewijzigd ontwerp. Hierdoor is niet duidelijk om welke reden onderdeel 3º in onderdeel a van het eerste lid van artikel 1 van het ontwerp gehandhaafd moet worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. De termen “consultant” en “adviseur”

In onderdeel d van het eerste lid van artikel 1 van het gewijzigd ontwerp wordt de definitie van topfunctionaris gegeven. Volgens het tweede subonderdeel kan een topfunctionaris, kortgezegd, een consultant of een adviseur zijn. De Raad mist in de begripsbepaling een nadere definiëring van de termen “consultant” en “adviseur”.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

3º. De term “ter beschikking stellen”

In onderdeel f van het eerste lid van artikel 1 van het gewijzigd ontwerp wordt bepaald wat onder de term “partijen” moet worden verstaan. Een partij kan, voor zover relevant, een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn die de topfunctionaris ter beschikking stelt. De Raad mist een nadere onderbouwing in de toelichting van deze ter beschikking stelling.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de toelichting op de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Aanpassing van de bijlagen behorende bij het ontwerp

In het tweede lid van artikel 1 van het gewijzigd ontwerp wordt bepaald dat de bijlagen genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen worden aangepast indien een overheidsgelieerde entiteit niet op de lijst voorkomt of na de datum van totstandkoming van de landsverordening wordt opgericht of ingesteld. In het tweede lid van artikel 1.3 van de NWnt worden een viertal gevallen bepaald waarin de in die wet genoemde bijlagen gewijzigd kunnen worden. De gevallen betreffen niet alleen het toevoegen van overheidsgelieerde entiteiten maar ook het verwijderen van deze entiteiten, het wijzigen van gebruikte aanduidingen en het aanbrengen van redactionele verbeteringen. 

De Raad is van oordeel dat deze gevallen zich ook zouden kunnen voordoen voor Curaçao en adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het tweede lid van artikel 1 van het ontwerp aan te passen. 

  1. De termen “directeur” en “bestuur”

In de artikelen 8 en 9 van het gewijzigd ontwerp worden de termen “directeur” en “bestuur” van overheidsgelieerde entiteiten genoemd. In de derde nota van wijziging is de term “topfunctionaris” geïntroduceerd. De Raad is van oordeel dat de termen “directeur” en “bestuur” in de artikelen 8 en 9 van het gewijzigd ontwerp in de derde nota van wijziging vervangen moeten worden door de term “topfunctionaris”.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. De bevordering naar een hogere functie en het daarbij horende hogere loon

Volgens artikel 9 van het gewijzigd ontwerp blijft een verhoging van de bezoldiging achterwege hoewel de topfunctionaris of het personeel van een overheidsgelieerde entiteit hiervoor in aanmerking komen. De Raad wijst de regering op rechtsoverweging 6.4 van de uitspraak van het Constitutioneel Hof van Sint Maarten (hierna: het Constitutioneel Hof) van 1 november 2021 in zaak 01/2021, aangespannen door de Ombudsman van Sint Maarten tegen de regering van Sint Maarten. Daarin wordt, kortgezegd, door het Constitutioneel Hof bepaald dat de tekst van een dergelijke bepaling als artikel 9 van het gewijzigd ontwerp een uitleg toestaat op grond waarvan voor een reële bevordering naar een hogere functie binnen dezelfde entiteit wel een hogere bezoldiging is toegelaten. Hoewel de betreffende uitspraak niet van toepassing is op de rechtsorde van Curaçao volgt daaruit wel een motivering waarom het van belang is  voor met name de toepassing van artikel 9 van het gewijzigd ontwerp. Overplaatsingen binnen een entiteit moeten mogelijk blijven in verband met het groei-traject van het personeel. Aan de andere kant staat het bevorderen van een personeelslid naar een hogere functie maar zonder dat daarbij een hogere bezoldigingsschaal wordt toegekend op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Volgens de Raad zijn deze argumenten ook van toepassing op de uitleg van het voorgestelde artikel 9 van het gewijzigd ontwerp.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging en de toelichting aan te passen.

  1. Toezicht

1º. De bevoegdheid om inzage te verlangen

In artikel 11 van het gewijzigd ontwerp wordt het toezicht geregeld. In onderdeel b van het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat de toezichthouder bevoegd is om inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en daarvan afschriften mee te nemen. De Raad is van oordeel dat de toezichthouder daarnaast ook de bevoegdheid moet krijgen om kopieën van deze informatie te maken en deze daartoe tijdelijk mee te nemen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. Het betreden van plaatsen

In onderdeel d van het tweede lid van artikel 11 van het gewijzigd ontwerp wordt bepaald dat de toezichthouder bevoegd is om alle plaatsen te betreden met uitzondering van woningen of tot bewoning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner. De Raad is van oordeel dat de toezichthouder zich zou mogen laten vergezellen door een door hem aangewezen persoon of personen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Sanctie

1º. De verboden handelingen of nalaten

In artikel 13 van het gewijzigd ontwerp wordt de sanctie last onder dwangsom geregeld. In het eerste lid van artikel 13 wordt bepaald ten aanzien van welke verboden handelingen of nalaten de sanctie van last onder dwangsom kan worden opgelegd. Het gaat hierbij om de artikelen 3 (het bezoldigingsmaximum), 4 (de bezoldigingsnorm), 12 (de openbaarmaking) en 14 (de overgangsbepaling). De Raad is van oordeel dat ook tegen de handelingen of nalaten opgenomen in de artikelen 5 (de ontslagvergoeding), 7a, derde lid (informatie over cumulatie), 8 (publicatie in het Landscourant) en 12a (de meldplicht van de externe deskundige) een sanctie moet worden gesteld.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

2º. De beschikking

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 13 van het gewijzigd ontwerp wordt bepaald dat van een last onder dwangsom mededeling wordt gedaan door plaatsing in de Landscourant. De Raad is van oordeel dat plaatsing in de Landscourant pas kan geschieden als de beschikking inhoudende de last onder dwangsom onherroepelijk is geworden. In de fase voordat de beschikking onherroepelijk is geworden, kan immers nog bezwaar en beroep worden aangetekend door de betrokkene en kan er sprake zijn van een onterecht opgelegde last onder dwangsom. Aangezien de uitoefening van de bevoegdheid prematuur kan zijn en kan leiden tot reputatieschade bij de vermeende overtreder waarvoor het land Curaçao aansprakelijk zou kunnen zijn, is het aanbevelenswaardig om in de derde nota van wijziging aan het tweede lid van het voorgestelde artikel 13 van het (gewijzigd) ontwerp een volzin toe te voegen waarin wordt bepaald dat de beschikking tot het opleggen van de last onder dwangsom pas in de Landscourant wordt geplaatst als deze onherroepelijk is geworden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

3º. De last onder dwangsom

De Raad mist in artikel 13 van het gewijzigd ontwerp een bepaling waarin het mogelijk wordt gemaakt om bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels te stellen met betrekking tot de te volgen procedure bij het toepassen van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Daarnaast dienen ook regels opgenomen te worden over onder meer de grondslagen voor de vaststelling van de hoogte van de last onder dwangsom, de vermelding van bepaalde gegevens van de overtreder bij de toepassing van de last per overtreding en de basis-, minimum- en maximumbedragen  voor elke categorie naar zwaarte van de overtreding.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp bij de derde nota van wijziging aan te passen.

4º. Invorderen bij dwangbevel

In het zesde lid van artikel 13 van het gewijzigd ontwerp wordt bepaald dat de minister de vanwege het opleggen van een last onder dwangsom opgeëiste bedragen bij dwangbevel kan invorderen. De Raad mist in het ontwerp regels met betrekking tot de invordering bij dwangbevel die zich onder meer uitstrekken over de vormgeving en inhoud van een dwangbevel, de kosten, de verschuldigde rente, de aanmaningsbevoegheden, het wel of niet van toepassing zijn van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van executoriale titels, het verzet tegen een dwangbevel en de verjaring.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande het ontwerp bij de derde nota van wijziging aan te passen. 

  1. Publiekrechtelijke rechtspersoon

In onderdeel I van artikel 15 van het gewijzigd ontwerp wordt voorgesteld om onderdeel g van artikel 1 van de Landsverordening corporate governance te wijzigen. In dat artikelonderdeel zal een definitie van het begrip “rechtspersoon” worden gegeven. In onderdeel k van artikel 1 van genoemde landsverordening is het begrip “vennootschap” omschreven. Door de gebruikte omschrijving heeft het begrip “vennootschap” alleen betrekking op privaatrechtelijke rechtspersonen. Voor een gedegen onderscheid tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen is de Raad van oordeel dat in plaats van een definitie van “rechtspersoon” in het voorgestelde onderdeel g van artikel 1 beter een definitie van “publiekrechtelijke rechtspersoon” moet worden opgenomen. Onderzocht dient te worden of alle (publiekrechtelijke) rechtspersonen zonder meer onder het regime van de Landsverordening corporate governance kunnen vallen of dat er geen specifieke regels in bedoelde landsverordening opgenomen dienen te worden die rekening houden met de inrichting van de onderscheiden categorieën publiekrechtelijke rechtspersonen.

Als voorbeeld kan de Kamer van Koophandel en Nijverheid dienen. In de Landsverordening op de Kamers van Koophandel en Nijverheid worden geen onderwerpen geregeld ten aanzien waarvan besluitvorming door een minister aan de orde is omtrent een of meer van de onderwerpen genoemd in de Landsverordening corporate governance.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen. 

  1. De inwerkingtreding

Volgens artikel 18 van het ontwerp - zoals gewijzigd in onderdeel J van de  derde nota van wijziging – vervalt de Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip ligt in elk geval na 30 juni 2023 en dat overigens in overeenstemming is met een evaluatie van de stand van zaken van de openbare financiën, zoals blijkt uit de meerjarenbegroting. Teneinde duidelijkheid te verschaffen aan betrokken partijen omtrent de te evalueren indicatoren die bepalen wanneer de landsverordening zal komen te vervallen, wordt gevraagd deze indicatoren in het ontwerp middels de derde nota van wijziging concreet te benoemen.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande de derde nota van wijziging aan te passen.

  1. Bijlage 2

In onderdeel L van de derde nota van wijziging wordt voorgesteld om Bijlage 2, behorende bij artikel 1, onderdeel a, onder 2º en 4º van het ontwerp, te wijzigen. Volgens onderdeel 2 van dit onderdeel L wordt aan Bijlage 2 de Stichting HNO Holding toegevoegd. In de lijst van Bijlage 2 wordt ook het Curaçao Medical Center genoemd als zijnde een overheidsgelieerde entiteit. De Raad is van oordeel dat naast de Stichting HNO Holding ook de juiste juridische benaming van de Curaçao Medical Center moet worden gebruikt, zoals de HNO Transitie en Exploitatie N.V. en HNO Vastgoed & Beheer N.V. Daarnaast dienen HNO Transitie en Exploitatie N.V. en HNO Vastgoed & Beheer N.V. ook in de juiste bijlage geplaatst te worden.

De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het bovenstaande onderdeel L van de derde nota van wijziging aan te passen.

 

III.  Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

De Raad van Advies heeft een aantal bezwaren bij de ontwerpnota van wijziging en adviseert de regering om de ontwerpnota van wijziging niet bij de Staten in te dienen, tenzij het is aangepast.

Willemstad, 13 december 2021

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

 

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/32-21-LV

Zowel de derde nota van wijziging als de toelichting daarop heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

  1. De derde nota van wijziging
  1. De aanhef

Voorgesteld wordt om de aanhef “Het ontwerp wordt gewijzigd als volgt:” in navolging van aanwijzing 185, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving te vervangen door “Het ontwerp wordt als volgt gewijzigd:”.

  1. De verdere onderverdeling van de onderdelen A, B, C en L

Voorgesteld wordt om in de onderdelen A, B, C en L de verdere onderverdeling in navolging van aanwijzing 185, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving te vervangen door a, b, c enzovoorts in plaats van 1, 2, 3 enzovoorts.

  1. Onderdeel C; artikel 2

Voorgesteld wordt om in navolging van onderdeel c van het eerste lid van aanwijzing 77 van de Aanwijzingen voor de regelgeving achter onderdeel f van het tweede lid van artikel 2 een puntkomma op te nemen.

  1. Onderdeel F; artikel 12

Voorgesteld wordt om de volgorde van de artikelleden 3 en 4 te verwisselen aangezien in het derde lid van een beperking of vrijstelling van de openbaarmakingsplicht wordt gesproken en pas in het vierde lid over een openbaarmakingsplicht.

  1. De toelichting
  1. Pagina 11

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste volzin van het eerste tekstblok achter “effectief” de zinsnede “zullen zijn” op te nemen;
  • in de eerste volzin van het laatste tekstblok achter “Onderdeel A” het woord “Overwegingen” op te nemen.
  1. Pagina 12

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het tweede tekstblok achter “Onderdeel B” de zinsnede “Artikel 1” op te nemen.

  1. Pagina 16

Voorgesteld wordt om de vindplaats van de in de eerste volzin van het eerste tekstblok genoemde wettelijke regeling in een voetnoot op te nemen.

  1. Pagina 19

Voorgesteld wordt om in de vijfde volzin van het voorlaatste tekstblok achter “voorziening” het woord “ministers” op te nemen.

  1. Pagina 20

Voorgesteld wordt om in de derde volzin van het derde tekstblok “Krachtens het vijfde lid” te vervangen door “Krachtens het tweede lid”.

  1. Pagina 21

Voorgesteld wordt om in de eerste zin van het eerste tekstblok “vermeerder” te vervangen door “vermeerderd”.

  1. Pagina 23

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste volzin van het tweede tekstblok “Boek 2 BW” te vervangen door “Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)”;
  • in de tweede volzin van het tweede tekstblok “Burgerlijk Wetboek” te vervangen door “BW”;
  • in de vierde volzin van het tweede tekstblok, aangezien het voorgestelde artikel 6 van het ontwerp geen artikelleden heeft, de zinsnede “in het eerste lid” te schrappen.
  1. Pagina 24

Voorgesteld wordt om in de eerste volzin van het laatste tekstblok de eerste “dienstbetrekkingen” te vervangen door “dienstbetrekking”.

  1. Pagina 27

Voorgesteld wordt om de juiste aanhaling en vindplaats van de in de derde volzin van het eerste tekstblok genoemde uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie op te nemen.

  1. Pagina 28

Voorgesteld wordt om de eerste volzin van het vierde tekstblok te herschrijven.

  1. Pagina 30

Voorgesteld wordt om in de laatste volzin van het eerste tekstblok “uitwijzen” te vervangen door “uit te wijzen”.

 

[1] Zie bijvoorbeeld de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 14 augustus 2020, met kenmerk 2020-0000474105, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

[2] Zittingsjaar 2020-2021-175.

[3] Zie pagina 9 van de desbetreffende memorie van toelichting.

[4] Niet uitgesloten werd dat er nog meer aanpassingen van het ontwerp waren die al dan niet het gevolg zijn geweest van het advies van 1 december 2020 van de Raad en waarmee onvoldoende rekening is gehouden. De Raad heeft het echter in het ongevraagde advies van 10 maart 2021 wenselijk geacht om vanwege de zwaarwegendheid van de in dat ongevraagde advies behandelde twee punten, zich in dat advies tot de bespreking van die punten te beperken.

[5] Zie pagina 11, eerste volzin van het eerste tekstblok van de toelichting op de derde nota van wijziging.

[6] Zie in het advies van 21 september 2020 onderdeel I.7, pagina’s 6 tot en met 9 en in het advies van 1 december 2021 onderdeel I.2, pagina’s 2 tot en met 5.

[7] Zie paragraaf 3 “De rechtvaardiging voor de inbreuk” op pagina’s 5 tot en met 7 van de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening houdende vaststelling van regels voor overheidsgelieerde entiteiten (Landsverordening eerste tranche optimalisering overheidsgelieerde entiteiten), Zittingsjaar 2020-2021-187.

[8] “Advies rechtmatigheid onmiddellijke werking inkomensnormen (semi-)publieke sector in het licht van het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM”, Prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik en mr. B. Barentsen, 21 september 2009, pagina 9, eerste tekstblok.

[9] Zie ook aanwijzing 126, eerste en derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin wordt bepaald dat aan een regeling slechts terugwerkende kracht wordt verleend indien daarvoor een bijzondere reden bestaat. Indien het een belastende regeling is, dan wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht verleend.

[10] “Advies rechtmatigheid onmiddellijke werking inkomensnormen (semi-)publieke sector in het licht van het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM”, Prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik en mr. B. Barentsen, 21 september 2009, pagina 9, eerste tekstblok.

[11] Zie in dit kader ook aanwijzing 157, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving waarin, kortgezegd, wordt bepaald dat in de toelichting de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen opgenomen dienen te worden.

[12] Zie de Landsverordening inkorting arbeidsvoorwaarden 2020 (P.B. 2020, no. 158), de Landsverordening geldelijke voorzieningen ministers (P.B. 2021, no. 77) en de Landsverordening geldelijke voorzieningen Staten (P.B. 2021, no. 78).

[13] Gemakshalve zal de Raad de verdere onderverdeling van de onderdelen van de derde nota van wijziging aanhouden zoals deze door de regering is opgenomen. Volgens aanwijzing 185, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving dient deze onderverdeling niet te bestaan uit cijfers doch uit de letters a, b, c enzovoorts. In de bijlage bij dit advies zal hierop nader ingegaan worden. 

[14] Zittingsjaar 2018-2019-146.

[15] P.B. 2021, no. 122.

[16] Stb. 2010, 357.

[17] Als uitgangspunt wordt hierbij dus de tekst van het gewijzigd ontwerp (dus inclusief de derde nota van wijziging, no. 12) genomen.