Adviezen

RvA no. RA/10-22-LV

Uitgebracht op : 07/06/2022
Publicatie datum: 19/10/2022

Ontwerplandsverordening, strekkende tot goedkeuring van de vervreemding van de domaniale gronden, eigendom van het Land Curaçao, gelegen aan de J.B. Gorsiraweg no.1, kadastraal bekend als Stadsdistrict, Sectie A, nummers 1768, 1798, 5595, 5819, 5996 en 4681, groot respectievelijk 425, 975, 690, 62, 367 en 488 m2, met een totale oppervlakte van 3007m2 (drieduizendzeven vierkante meters), allen te Willemstad, plaatselijk bekend als “Consulate General of the United States of America” (Landsverordening goedkeuring vervreemding domaniale gronden J.B. Gorsiraweg no. 1) 
(zaaknummer 2021/008271)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 28 maart 2022 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 6 juni 2022, bericht de Raad u als volgt.

  1. Algemeen
  1. Inleiding

      De ontwerplandsverordening, strekkende tot goedkeuring van de vervreemding van de domaniale gronden, eigendom van het Land Curaçao, gelegen aan de J.B. Gorsiraweg no.1, kadastraal bekend als Stadsdistrict, Sectie A, nummers 1768, 1798, 5595, 5819, 5996 en 4681, groot respectievelijk 425, 975, 690, 62, 367 en 488 m2, met een totale oppervlakte van 3007m2 (drieduizendzeven vierkante meters), allen te Willemstad, plaatselijk bekend als ‘Consulate General of the United States of America’ (Landsverordening goedkeuring vervreemding domaniale gronden J.B. Gorsiraweg no. 1) (hierna: het ontwerp), heeft tot doel goedkeuring te verlenen aan de verkoop van een zestal domaniale gronden  door de openbare rechtspersoon Curaçao (hierna: het Land) aan de rechtspersoon “United States of America” (hierna: de USA). De Raad wijst erop dat de koopovereenkomst die ten grondslag ligt aan het ontwerp in strijd is met het bepaalde in artikel 3:14 van het BW, de artikelen 2, tweede lid, en 3, eerste lid, van de Landsverordening domaniale gronden (hierna: Lvdg) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Voorts wijst hij op het belang van herziening van de Lvdg en het gronduitgiftebeleid van de overheid in het licht van het in dit advies aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 26 november 2021[1]. De Raad gaat in dit advies op deze onderwerpen in.

  1.  De feiten

De Raad gaat, afgaande op de bij het adviesverzoek gevoegde stukken, uit van de volgende vaststaande feiten:

  • Bij notariële aktes van 1 oktober 1999 en 20 september 2002 zijn vier percelen, kadastraal bekend als Stadsdistrict, Sectie A, nummers 1768, 1798, 5595, 5819 door de rechtsvoorganger van het Land aan de USA in erfpacht uitgegeven.

-     Op 14 februari 2019 heeft de heer Jeffrey A. Hanley, Management Officer, namens de USA, het verzoek gedaan om het bestaande erfpachtrecht op bovengenoemde vier percelen te verlengen tot 60 jaar en dat recht uit te breiden op twee extra percelen kadastraal bekend als Stadsdistrict, Sectie A, nummers 5996 en 4681. Tegelijkertijd heeft hij het verzoek gedaan om bovengenoemde zes percelen, kadastraal bekend als Stadsdistrict, Sectie A, nummers 1768, 1798, 5595, 5819, 5996 en 4681 (hierna: de domeingronden) van het Land te kopen.  

-     Bij ministeriële beschikking van 6 juni 2019, nummer 2019/014658 (hierna: de oorspronkelijke beschikking), heeft de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de Minister) besloten tot uitgifte in erfpacht aan de USA van de domeingronden.

  • In de oorspronkelijke ministeriële beschikking staat onder meer dat;
    • het recht van erfpacht op de domeingronden wordt verleend voor een periode van 60 jaren voor de bouw van een “New Consulate Compound” met alle bijbehorende functies en doeleinden (hierna: het NCC-project);
    • de USA het recht van erfpacht op de domeingronden, in de periode van 12 tot 18 maanden gerekend vanaf de datum waarop een taxatierapport is uitgebracht, kan omzetten in eigendomsrecht voor een koopprijs die wordt bepaald door drie lokale taxateurs en in overeenstemming  met lokale Curaçaose regelgeving en beoordelingspraktijken;
    • de overeengekomen verkoopprijs op de dag waarop de erfpachtovereenkomst is gesloten NAf 850.000,- bedraagt;
    • bij de aankoop van de domeingronden het betaalde bedrag aan erfpacht in mindering zal worden gebracht op de verkoopprijs.
  • In het taxatierapport d.d. 13 mei 2019 is de marktwaarde van de domeingronden op NAf 850.000,- vastgesteld door een taxatiecommissie bestaande uit drie taxateurs. De USA en de Uitvoeringsorganisatie Domeinbeheer van het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning hebben ieder één taxateur aangewezen. De taxateurs die door de Uitvoeringsorganisatie Domeinbeheer en de USA zijn aangewezen, hebben de derde taxateur aangewezen.
  • Het risico bestond dat de oorspronkelijke ministeriële beschikking wegens tijdsverloop zou komen te vervallen. In verband daarmee heeft notaris Hu-a-ng, namens de USA, op 12 november 2019 aan de Minister verzocht om heruitgifte in erfpacht en aankoop van de domeingronden. Ook heeft hij aan de Minister verzocht om de termijn te verlengen waarbinnen de USA het recht heeft om het erfpachtrecht op de domeingronden om te zetten in eigendomsrecht.

    Bij ministeriële beschikking van 23 december 2019, nummer 2019/046927, (hierna: de tweede ministeriële beschikking) heeft de Minister weer besloten tot uitgifte in erfpacht aan de USA van de domeingronden;

  • Bij de tweede ministeriële beschikking heeft de Minister besloten tot uitgifte in erfpacht van de domeingronden onder dezelfde voorwaarden als in de oorspronkelijke ministeriële beschikking, behoudens voor wat de geldigheidsduur van het recht tot omzetting van het erfpachtrecht op de domeingronden in eigendomsrecht betreft. Dit recht is in de tweede ministeriële beschikking verlengd tot 24 maanden na de datum van een taxatierapport.
  • Bij notariële akte d.d. 13 februari 2020 (hierna: de notariële akte), waaraan de ministeriële beschikking d.d. 23 december 2019, nummer 2019/046927 ten grondslag ligt, heeft het Land het recht van erfpacht op de domeingronden ten behoeve van de USA gevestigd.
  • Op 5 maart 2020 heeft de USA het recht van erfpacht op de domeingronden voor een bedrag van NAf 135.315,- afgekocht.
  • Bij ministeriële beschikking van 30 april 2021, nummer 2021/100676 (hierna: de derde ministeriële beschikking), heeft de Minister besloten de termijn te verlengen, waarbinnen de USA gebruik kan maken van het recht tot omzetting van het erfpachtrecht op de domeingronden in eigendomsrecht, tot 36 maanden na datum van een taxatierapport.
  • De USA wenst het recht van erfpacht op de domeingronden prijs te geven vlak vóór dat deze aan haar in eigendom worden overgedragen.
  • Op 17 november 2021 zijn de domeingronden geherwaardeerd door de taxatiecommissie aangezien het proces tot vervreemding van de domeingronden lang op zich heeft laten wachten. 
  • Uit het advies van de Uitvoeringsorganisatie Domeinbeheer van 3 februari 2022 (zaaknummer 2021/008271) blijkt dat de United States Department of State een advocaat en een notaris in Curaçao heeft ingehuurd om hem samen met het Consulaat van America bij te staan tijdens het proces tot aankoop van de domeingronden.
  • Ook blijkt uit dat advies dat er uitvoerig uitwisseling is geweest van relevante wet- en regelgeving van het Land met betrokkenen. Daarbij is volgens genoemd advies met nadruk gekeken naar de beschikkingsbevoegdheid van onder meer de Minister en de regering bij de uitgifte in erfpacht en de verkoop van domeingronden.
  • Voorts volgt uit laatstgenoemd advies dat de relevante wet- en regelgeving van het Land door een beëdigde vertaler zijn vertaald naar het Engels. Daarnaast zijn de medewerkers van het Consulaat van America en de United States Department of State op de hoogte van de stappen die door het Land genomen dienen te worden voordat de verkoop van de domeingronden gerealiseerd kan worden.
  • Verder is volgens dat advies contact geweest met een medewerker van Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: WJZ) voor uitleg over de te doorlopen procedure bij de verkoop van de domeingronden en ter voorbereiding van de concepten[2].
  • Tot slot volgt uit dat advies dat de uitvoering van het NCC-project nog niet is gestart. De domeingronden zijn onbebouwd. Het zijn gronden die leiden tot de eigendomsgrond van het Consulaat van America. Deze domeingronden hebben geen zelfstandige functie. Bovendien kunnen de domeingronden niet bestemd worden voor beleidsdoeleinden mede gelet op hun grootte, ligging en de ontsluiting (beperkte toegankelijkheid).

3.  Het wettelijke kader

a.  Het Burgerlijk Wetboek

Artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) bepaalt dat een uit het burgerlijk recht voortvloeiende bevoegdheid niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Dit artikel is vooral van belang voor situaties waarin de regering zelf een privaatrechtelijke bevoegdheid wil uitoefenen[3]. Een privaatrechtelijke bevoegdheid is een bevoegdheid die krachtens privaatrecht kan toekomen aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen, soms ook aan andere organisatorische verbanden[4]. Zo is de bevoegdheid van de regering om als eigenaar tot verkoop van de domeingronden over te gaan een privaatrechtelijke bevoegdheid. Geschreven en ongeschreven regels die haar handelen als regering beheersen kunnen medebepalend zijn voor de uitoefening van haar privaatrechtelijke bevoegdheden. Geschreven regels van publiekrecht, die het handelen van de regering bij de verkoop van de domeingronden beheersen, zijn opgenomen in de Lvdg.  Men moet bij de ongeschreven regels van publiekrecht vooral denken aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur[5]. De regering is dus bij de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid onderworpen aan zowel de regels van het privaatrecht, in dit geval het privaatrechtelijke contractenrecht, als aan de geschreven en ongeschreven regels van het publiekrecht.   

b.  De geschreven regels van publiekrecht

1° De Lvdg

De Lvdg geeft de kaders aan waarbinnen de regering zijn bevoegdheid tot het beheer van domaniale gronden en domaniale rechten kan uitoefenen.  De wetgever bedoelt met het begrip ‘beheer van domaniale gronden en domaniale rechten’ twee soorten handelingen, namelijk vervreemdingen en daden van beheer[6]. Vervreemding van domaniale gronden en domaniale rechten brengt een verandering in de eigendom en vermogenstoestand van het Land met zich mee. In dat kader schrijft artikel 2 van de Lvdg - als algemeen beginsel - voor dat vervreemding slechts kan geschieden wanneer het in het belang van het Land wenselijk is. Dit betekent volgens de memorie van toelichting behorende bij de Lvdg dat de regering bij vervreemding van domaniale gronden en domaniale rechten steeds zal moeten motiveren welk landsbelang de desbetreffende vervreemding rechtvaardigt. Zowel in het advies van WJZ d.d. 20 september 2021 (met kenmerk WJZ’21/0119) als in dat van de Sectordirecteur Verkeer en Vervoer van het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: Sectordirecteur VV) wordt hierop gewezen. In beide adviezen staat dat de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de memorie van toelichting) nader uitleg moet geven van wat het landsbelang is om tot de vervreemding van de domeingronden over te gaan. De Raad constateert echter dat de regering genoemde adviezen niet heeft opgevolgd. Immers, uit de memorie van toelichting blijkt niet welk landsbelang de vervreemding van de domeingronden rechtvaardigt. 

Ook de Raad adviseert de regering het landsbelang voor de vervreemding van de domeingronden nader in de memorie van toelichting te motiveren.

2° De verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lvdg moet een rechtsgeldige verkoop van domaniale gronden of domaniale rechten met een verkoopwaarde boven NAf 50.000,- aan twee voorwaarden voldoen. Die domaniale gronden of domaniale rechten dienen in het openbaar te worden verkocht. Ook behoeft die verkoop de goedkeuring bij landsverordening. Artikel 3, eerste lid, van de Lvdg is een dwingende wetsbepaling. Dit houdt in dat er daarvan niet mag worden afgeweken. In dit geval bedraagt de verkoopwaarde van de domeingronden NAf 850.000,-. Dit betekent dat artikel 3, eerste lid, van de Lvdg op deze verkoop van toepassing is. Echter, uit de stukken, gevoegd bij het adviesverzoek - waaronder de koopoptie die het Land bij notariële akte aan de USA heeft verleend – maakt de Raad op dat het niet de bedoeling is om deze domeingronden in het openbaar te verkopen.

3° Het bevoegde bestuursorgaan

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Lvdg heeft de regering de bevoegdheid tot het vervreemden van domaniale gronden en domaniale rechten met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens de Lvdg gesteld. Die bevoegdheid heeft de wetgever verderop in de Lvdg afgebakend. Zo bepaalt artikel 3, eerste lid, van de Lvdg dat de verkoop van domaniale gronden en rechten met een verkoopwaarde boven NAf 50.000,- goedkeuring bij landsverordening behoeft. Dit betekent dat de Staten daarbij betrokken dienen te zijn. In dit geval heeft de Minister bij ministeriële beschikking tot uitgifte in erfpacht van de domeingronden aan de USA een bindend aanbod tot verkoop van de domeingronden aan de USA gedaan, zonder daartoe bevoegd te zijn. Dat aanbod is gedaan zonder de ontbindende voorwaarde van goedkeuring door de regering (Raad van Ministers) en zonder voorbehoud van goedkeuring door de Staten. Zowel WJZ als de Sectordirecteur VV hebben in hun adviezen daarop gewezen. Uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken (o.a. het advies van WJZ) blijkt dat de Raad van Ministers geen mandaat aan de Minister heeft verleend om over de verkoop van de domeingronden te beslissen. Daarnaast maakt de Raad uit de artikelen 1 en 2 van het Mandaat- en machtigingslandsbesluit domaniale gronden d.d. 9 maart 2012 nummer 12/1904 op dat alleen de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten over daden van beheer en niet die over vervreemding van domaniale gronden en domaniale rechten aan de Minister is gemandateerd.

De Raad is daardoor van oordeel dat de Minister onbevoegd was het bindende aanbod tot verkoop van de domeingronden aan de USA te doen. De Minister heeft in strijd gehandeld met artikel 2, tweede lid, van de Lvdg.

4°De koopoptie

Een koopoptie is een onvoorwaardelijk recht dat, door uitoefening daarvan, een koopovereenkomst tot stand doet komen, onder de voorwaarden die in de optie zijn uitgedrukt. In de verlening van een koopoptie ligt dus een bindend aanbod (tot verkoop) besloten. Dit betekent dat het Land de domeingronden - in ieder geval binnen de in de koopoptie vastgestelde termijn - niet aan een ander te koop mag aanbieden. Doet hij dat toch, dan schendt hij zijn verplichting ten opzichte van de USA en is hij daardoor schadeplichtig. De koopovereenkomst komt bij een koopoptie door een enkele verklaring van de gerechtigde tot stand[7]. Bij schrijven van 12 november 2019 heeft notaris Hu-a-ng, namens de USA, aan de Minister verzocht de domeingronden aan de USA in eigendom over te dragen. De Raad vat dat verzoek op als een door de USA afgelegde verklaring dat hij de domeingronden wil kopen. De Raad is van oordeel dat de Minister de domeingronden aan de USA heeft verkocht in strijd met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg. Op grond hiervan is een koopovereenkomst tot stand gekomen, die het beoogde rechtsgevolg mist, omdat de Staten de verkoop van de domeingronden nog niet bij landsverordening hebben goedgekeurd. Ook mist die verkoop het beoogde rechtsgevolg omdat die niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Voor de redenen hiervoor verwijst de Raad naar onderdeel ‘I.5 De gevolgen van de strijdigheid van de koopovereenkomst met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg’ van dit advies.

c.  De ongeschreven regels van het publiekrecht 

De vereiste van openbare verkoop

Bij de uitoefening van privaatrechtelijke bevoegdheden door de overheid moet zij ook rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vereiste van openbare verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten, opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg, garandeert dat een ieder die dat wenst de gelegenheid krijgt naar de domaniale gronden of domaniale rechten mee te dingen.  Ook voorkomt het dat in strijd met het verbod van willekeur wordt gehandeld. De vereiste van openbare verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten draagt dus bij aan de naleving van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Door in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Lvdg de domeingronden niet openbaar te verkopen is volgens de Raad ook in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het willekeurverbod. Immers, het gelijkheidsbeginsel strekt tot het bieden van gelijke kansen. De in de wet verankerde mogelijkheid om mee te dingen naar de domeingronden is aan eventuele potentiële andere gegadigden ontnomen.

d.  Conclusie

De Raad concludeert dat de Minister bij de verkoop van de domeingronden artikel 3:14 van het BW heeft geschonden. De Minister heeft voorts in strijd gehandeld met het bepaalde in de artikelen 2, tweede lid, en 3, eerste lid, van de Lvdg. Door de domeingronden onderhands en niet openbaar te verkopen heeft hij tevens in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel en het willekeurverbod.

4. De gevolgen van het onbevoegd gedaan bindend aanbod tot verkoop van de domeingronden door de Minister

De vraag komt op of het Land, ondanks de bevoegdheidsoverschrijding van de Minister, toch voorwaardelijk gebonden is aan de koopovereenkomst. Volgens de literatuur kan het Land op twee manieren toch daaraan voorwaardelijk gebonden zijn. In de eerste plaats kan het Land voorwaardelijk gebonden worden als de door de Minister onbevoegd gesloten koopovereenkomst door het bevoegde bestuursorgaan, in dit geval de regering, wordt bekrachtigd (artikelen 3:57 en 3:58 van het BW). Uit de memorie van toelichting[8] leidt de Raad af dat de regering geen bezwaar heeft tegen de vervreemding van de domeingronden aan de USA, onder voorbehoud van goedkeuring daarvan door de Staten.  Een besluit van de Raad van Ministers (de regering) tot bekrachtiging van het besluit van de Minister tot het aangaan van de koopovereenkomst en een landsbesluit sec waarin de Minister gemachtigd is om een bindend aanbod tot verkoop van de domeingronden te doen ontbreekt in de stukken, die gevoegd zijn bij het adviesverzoek. Indien de regering die beslissing heeft bekrachtigd of voornemens is deze te bekrachtigen is/kan sprake zijn van heling van de onbevoegd gesloten koopovereenkomst. Echter, zal die bekrachtiging geen effect sorteren, doordat de koopovereenkomst nietig is. In het onderdeel ‘I.5. De gevolgen van de strijdigheid van de koopovereenkomst met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg’ van dit advies zal de Raad verder daarop ingaan.  

In de tweede plaats kan er voorwaardelijke gebondenheid aan de koopovereenkomst voor het Land ontstaan als de USA op grond van gedragingen of verklaringen van de regering erop mocht vertrouwen dat de Minister het bevoegde bestuursorgaan was om tot verkoop van de domeingronden te beslissen. Overeenkomstig vaste jurisprudentie neemt de rechter niet snel aan dat er sprake is van toerekenbare schijn. Uit de feiten kan de Raad niet opmaken of de regering iets heeft gedaan waardoor bij de USA het vertrouwen is gewekt dat de Minister bevoegd was om het bindende aanbod tot verkoop van de domeingronden te doen. Dat de minister deel uitmaakt van de regering doet daaraan niet af. Het is vaste rechtspraak dat in een kleinschalige samenleving als de onze, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet makkelijk wordt gegeven, het van groot belang is dat regels inzake de bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen[9]. Daarom bindt volgens de rechter een overeenkomst aangegaan zonder dat deze regels inzake bevoegdheden en formele besluitvorming zijn nageleefd (…) het Land in beginsel niet.

Uit de feiten blijkt dat de USA zowel een notaris als een advocaat in de arm heeft genomen om hem bij te staan in het proces tot aankoop van de domeingronden. Ook is er uitvoerig uitwisseling geweest van relevante wet- en regelgeving van het Land met betrokkenen. Daarbij is met nadruk gekeken naar de beschikkingsbevoegdheid van onder meer de Minister en de regering bij de uitgifte in erfpacht en de verkoop van domeingronden. De Raad vindt dat de USA over de nodige deskundigheid beschikte om te kunnen weten dat de Minister niet bevoegd was om een bindend aanbod tot koop van de domeingronden aan hem te doen. De mate van professionaliteit van de wederpartij speelt zeker een rol bij de vaststelling of er sprake is van gebondenheid van het bevoegde bestuursorgaan wegens opgewekte schijn/vertrouwen. 

Op grond van de feiten gebaseerd op de stukken, gevoegd bij het adviesverzoek, is de Raad van oordeel dat in dit geval geen sprake is van voorwaardelijke gebondenheid van het Land wegens toerekenbare schijn van bevoegdheid van of opgewekte vertrouwen door de Minister.

Naar het oordeel van de Raad kan het Land in beginsel alleen gebonden worden aan de onbevoegd door de Minister gesloten koopovereenkomst mits de regering de koopovereenkomst onder voorbehoud van goedkeuring door de Staten uitdrukkelijk bekrachtigt. In dit geval zijn er evenwel meer aspecten met betrekking tot de totstandbrenging van een rechtsgeldige koopovereenkomst waarmee rekening moet worden gehouden.  Voor deze aspecten verwijst de Raad naar onderdelen ‘I.5. De gevolgen van de strijdigheid van de koopovereenkomst met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg’ en ‘I.6.  Mogelijke oplossingsrichtingen voor een rechtsgeldige verkoop van de domeingronden’ van dit advies. 

5. De gevolgen van de strijdigheid van de koopovereenkomst met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg

Een andere vraag die rijst is wat de gevolgen zijn van de strijdigheid van de koopovereenkomst met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg. Rechtshandelingen tot vervreemding van domaniale gronden en domaniale rechten zijn op grond van artikel 10, tweede lid, van de Lvdg nietig als zij zonder de in de Lvdg vereiste goedkeuring bij landsverordening worden aangegaan.  Niettemin zwijgt de Lvdg over het rechtsgevolg van het niet openbaar verkopen van domaniale gronden en domaniale rechten met een verkoopwaarde van NAf 50.000,- of meer.

Het rechtsgevolg van het niet in het openbaar verkopen van domaniale gronden en domaniale rechten boven genoemde verkoopwaarde wordt bepaald door de regels van het verbintenissenrecht. Conform artikel 3:40, eerste lid, van het BW is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde nietig. Het tweede lid van artikel 3:40 van het BW schrijft voor dat strijd met een dwingende wetsbepaling ook tot nietigheid van de rechtshandeling leidt. Het tweede zinsdeel van laatstgenoemd artikellid formuleert evenwel een uitzondering op de hoofdregel van nietigheid opgenomen in het eerste zinsdeel van artikel 3:40, tweede lid, van het BW. Volgens het tweede zinsdeel is de rechtshandeling vernietigbaar indien de bepaling uitsluitend het belang van één partij bij een meerzijdige rechtshandeling op het oog heeft. Volgens de wetgever heeft het eerste zinsdeel van artikel 3:40, tweede lid, van het BW alleen betrekking op gevallen waarin het verrichten van de rechtshandeling (bij een overeenkomst: de contractsluiting) als zodanig met de wet in strijd is[10].

Bij deze onderhandse koopovereenkomst gaat het dus om de vraag of de contractsluiting in strijd is met de dwingende wetsbepaling opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg. Het sluiten van een onderhandse koopovereenkomst inzake de domeingronden is in strijd met de wet. Artikel 3, eerste lid, van de Lvdg strekt niet alleen tot bescherming van een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling. Dit betekent dat de onderhandse koopovereenkomst inzake de domeingronden wegens strijd met artikel 3, eerste lid, van de Lvdg nietig is. Die onderhandse koopovereenkomst wordt van rechtswege geacht niet tot stand te zijn gekomen.

Daardoor kan die verkoop naar de mening van de Raad niet bij landsverordening worden goedgekeurd. De regering dient zich ook aan de wet, waaronder de Lvdg te houden. Overigens doet een goedkeuring van die nietige verkoop met terugwerkende kracht bij landsverordening deze niet herleven. Gelet op de onregelmatigheden die zich bij de verkoop van de domeingronden hebben voorgedaan, bestaat volgens de Raad de mogelijkheid dat de USA het Land op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zal stellen voor eventuele schade die hij door deze koopovereenkomst heeft geleden (6:162 BW). Naar het oordeel van de Raad zijn de misslagen die bij de verkoop van de domeingronden zijn gemaakt niet te redresseren door een goedkeuringslandsverordening. Om te bewerkstelligen dat alsnog een rechtsgeldige verkoop van de domeingronden aan de USA kan plaatsvinden kan de wetgever in theorie zich bedienen van een aantal wettelijke instrumenten, dat hierna kort besproken zal worden. 

6.  Mogelijke oplossingsrichtingen voor een rechtsgeldige verkoop van de domeingronden

a.  De onderhandse verkoop van onroerende zaken in Nederland

Tot voor kort was een overheidslichaam in Nederland vrij om onroerende zaken onderhands te verkopen. In het arrest d.d. 26 november 2021 heeft de Hoge Raad die vrijheid aan banden gelegd. Volgens de Hoge Raad staat het een overheidslichaam niet vrij te beslissen met wie en onder welke voorwaarden hij een verkoopovereenkomst over een onroerende zaak sluit. Op dat punt verschilt in het contractenrecht de positie van een overheidslichaam met die van een private partij, die deze beslissing wel volledig zelf mag nemen, aldus de Hoge Raad.

Uit dat arrest volgt dat een overheidslichaam bij de onderhandse verkoop van onroerende zaken gehouden is de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen[11]. Uit het gelijkheidsbeginsel - dat strekt tot het bieden van gelijke kansen - vloeit voort dat een overheidslichaam dat een onroerende zaak wil verkopen ruimte moet bieden aan potentiële kopers om mee te dingen naar deze onroerende zaak. Volgens de Hoge Raad geldt dit alleen indien er meerdere gegadigden zijn of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten formuleren aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd[12]

Echter, bestaat er volgens de Hoge Raad op de verplichting van een overheidslichaam om mededingingsruimte te bieden aan potentiële gegadigden een uitzondering. Volgens de Hoge Raad dient het overheidslichaam die ruimte niet te bieden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop.  In dit geval is wel vereist dat het overheidslichaam zijn voornemen tot de onderhandse verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekendmaakt dat een ieder daar kennis van kan nemen. Daarbij dient hij te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts een serieuze gegadigde in aanmerking komt.

Een Nederlands voorbeeld waarbij de mededingingsruimte bij onderhandse verkoop van onroerende zaken niet geboden hoeft te worden, is de verkoop van snippergroen[13]. In een dergelijk geval staat vast en kan redelijk worden aangenomen dat er slechts één gegadigde (de rechthebbende van het aan het snippergroen aangrenzende perceel) voor de aankoop van de snippergroen in aanmerking komt.

In de memorie van toelichting voert de regering als argument voor het onderhands verkopen van de domeingronden aan dat de domeingronden al geruime tijd aan de USA in erfpacht zijn uitgegeven en dat ze niet geschikt zijn voor uitgifte aan een derde. Dit laatste omdat de domeingronden geen zelfstandige functie hebben. Bovendien kunnen de domeingronden niet bestemd worden voor beleidsdoeleinden mede gelet op hun grootte, ligging en ontsluiting (zie het advies van de Uitvoeringsorganisatie Domeinbeheer van 3 februari 2022). Verder gaat het om stroken grond die leiden tot een perceel dat het Consulaat van America al in eigendom heeft.

Volgens de Raad levert het gestelde in de memorie van toelichting een objectieve en gerechtvaardigde grond op om de domeingronden onderhands te verkopen. In dit geval staat bij voorbaat vast of mag redelijkerwijs worden aangenomen dat alleen de USA serieus in aanmerking komt voor de aankoop van de domeingronden. Naar de mening van de Raad is hier sprake van een uitzonderlijk geval waardoor onderhandse verkoop van de domeingronden mogelijk zou kunnen zijn. Echter, is een dergelijke verkoop op grond van de Lvdg in samenhang met het BW niet toegestaan.

b.  Algemene benadering: wijziging van artikel 10, eerste lid, van de Lvdg

Het staat volgens de Raad vast dat de Lvdg en het gronduitgiftebeleid van de regering met het oog op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021 herzien moeten worden. Immers onder meer de onderhandse verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten onder het drempelbedrag van NAf 50.000,- dient aan de criteria vastgesteld door de Hoge Raad voor onderhandse verkoop van onroerende zaken in dat arrest te voldoen (zie artikel 3, tweede lid, van de Lvdg). Naar het oordeel van de Raad kan als oplossing voor de hierboven genoemde problematiek vooruitlopend op de algehele herziening van de Lvdg en het gronduitgiftebeleid van de regering een voorstel tot wijziging van artikel 10, eerste lid, van de Lvdg bij de Staten worden ingediend ter goedkeuring. In dat wijzigingsvoorstel moet, in het licht van het hierboven aangehaalde arrest, in artikel 10, eerste lid, van de Lvdg de mogelijkheid worden opgenomen om af te wijken van de openbare verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten boven een verkoopwaarde van NAf 50.000,- na daartoe verkregen goedkeuring bij landsverordening. Ook moeten procedurele regels in de Lvdg worden opgenomen. Gedacht wordt aan de verplichting van tijdige bekendmaking van het voornemen van de regering om tot onderhandse verkoop van domaniale gronden en domaniale rechten over te gaan, die de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest heeft gesteld (zie onderdeel ‘I.6.a. De onderhandse verkoop van onroerende zaken in Nederland’ van dit advies). In het wijzigingsvoorstel moet ook een motiveringsplicht worden opgenomen ingeval op grond van objectieve, toetsbare en redelijke gronden bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de verkoop.

De regering wordt aanbevolen om met voortvarendheid het formele wetgevingstraject over de wijziging van de Lvdg te initiëren. Pas na goedkeuring van de ontwerplandsverordening tot wijziging van de Lvdg door de Staten en de inwerkingtreding van de gewijzigde Lvdg, kan de regering overgaan tot het aangaan van een nieuwe koopovereenkomst met de USA overeenkomstig de regels in de gewijzigde Lvdg. Het behoeft geen betoog dat bij deze verkoop de regels in de Lvdg inzake het daartoe bevoegde bestuursorgaan strikt in acht moeten worden genomen.  De Raad meent dat deze algemene benadering voor de oplossing van deze problematiek conform de beginselen van goede wetgeving en een democratische rechtstaat is.

c.  Concrete benadering: incidentele wetgeving

De mogelijkheid bestaat om voor dit specifiek geval in een bijzondere landsverordening af te wijken van de Lvdg. Daarbij moet de wetgever wel deugdelijk motiveren waarom hij in dit specifiek geval van de Lvdg afwijkt. De literatuur definieert incidentele wetgeving als impulsieve wetgeving die aangenomen wordt voor één concreet geval (ook: ad hoc wetgeving genoemd). Daarbij wordt een eenmalige uitzondering op de algemene regels gemaakt, of worden de algemene regels voor één concreet geval gewijzigd wanneer het (politiek) gewenste resultaat in dat ene concrete geval niet met deze algemene, reeds bestaande regels kan worden bereikt. Deze manier om dit probleem op te lossen staat echter naar de mening van de Raad op gespannen voet met de kenmerken van goede wetgeving in een democratische rechtstaat. Een dergelijke aanpak kan naar de mening van de Raad een ongewenste precedentwerking hebben. De consistentie van wettelijke regelingen komt onder druk te staan door de drang om steeds weer uitzonderingen te willen maken voor specifieke situaties.    

De Raad adviseert de regering voor de oplossing van deze problematiek de in het onderdeel ‘I.6.b. Algemene benadering: wijziging van artikel 10, eerste lid, van de Lvdg’ van dit advies geschetste benadering te volgen. 

II.  Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a.  Het begrip ‘vervreemding’

Het begrip ‘vervreemding’ is ruim. Het betekent ‘het in andere handen doen overgaan’ of ‘het overdragen’[14]. De Lvdg bevat voorschriften over vervreemding van domaniale gronden en domaniale rechten door verkoop, ruiling en schenking[15]. De Raad maakt uit het ontwerp en de memorie van toelichting op dat het de bedoeling is dat het Land de domeingronden verkoopt aan de USA. Echter wordt in het opschrift, de overweging, de voorgestelde artikelen 1 en 3 van het ontwerp gesproken over het ruime begrip ‘vervreemding’. De Raad vindt dat de titel van de overdracht van de domeingronden uitdrukkelijk in het ontwerp en de memorie van toelichting moet worden vermeld. De titel van overdracht is de rechtsverhouding die ten grondslag ligt aan de overdracht en deze rechtvaardigt. In dit geval is verkoop de titel van overdracht van de domeingronden .

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen. 

b.  De grondslag voor het afwijken van artikel 3, eerste lid, van de Lvdg

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Lvdg kan het vervreemden of bezwaren van domaniale gronden of andere rechten op een andere manier dan die in de artikelen 4 tot en met 9 omschreven, alleen geschieden na daartoe verkregen goedkeuring bij landsverordening. De Raad constateert dat artikel 10, eerste lid, van de Lvdg in de overwegingen van het ontwerp wordt aangehaald als grondslag voor het betrekken van de Staten. De verwijzing naar dit artikellid is naar het oordeel van de Raad niet juist. In dit geval is afgeweken van artikel 3, eerste lid van de Lvdg. Artikel 10, eerste lid, van de Lvdg opent niet de mogelijkheid om na daartoe verkregen goedkeuring bij landsverordening van artikel 3, eerste lid af te wijken.  Het is daarom niet mogelijk om op grond van artikel 10, eerste lid, van de Lvdg af te wijken van de manier van het verkopen van domaniale gronden of domaniale rechten omschreven in artikel 3, eerste lid, van de Lvdg na het verkrijgen van goedkeuring daarvoor bij landsverordening. 

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

c.  Het recht van erfpacht

In het voorgestelde artikel 1 staat dat op de domeingronden die in eigendom worden overgedragen aan de USA het recht van erfpacht rust. Uit de memorie van toelichting kan de Raad opmaken dat de USA vóór de overdracht zijn erfpachtrecht op de domeingronden zal prijsgeven. De Minister neemt apart een beschikking die daartoe strekt. De notariële akte tot prijsgeving van het recht van erfpacht op de domeingronden kan niet eerder worden verleden dan nadat de verkoop van de domeingronden bij landsverordening is goedgekeurd en gepubliceerd. De notariële akte tot overdracht in eigendom van de domeingronden door het Land aan de USA zal na het prijsgeven van het recht van erfpacht door de USA worden verleden. Dit betekent dat de USA een onbezwaard eigendomsrecht op de domeingronden verkrijgt. De Raad vindt het daarom niet juist om in artikel 1 van het ontwerp te vermelden dat op de domeingronden het recht van erfpacht rust. Als de regering in de memorie van toelichting uitlegt dat op de domeingronden een recht van erfpacht ten behoeve van de USA rust en dat het voor de overdracht zal worden prijsgegeven is dat voldoende.

De Raad adviseert de regering artikel 1 van het ontwerp aan te passen.

2.  De memorie van toelichting

a.  Uitbreiding van de toelichting

De memorie van toelichting bevat een verantwoording van de regeling. De Raad merkt op dat de memorie van toelichting te summier uitleg geeft van het proces van de verkoop van de domeingronden. Belangrijke feiten die gedurende dit proces van belang zijn, staan daar niet in. Zo maakt de memorie van toelichting geen melding van het feit dat de termijn waarbinnen de USA het recht van erfpacht op de domeingronden kan omzetten in eigendomsrecht bij de derde ministeriële beschikking voor de tweede keer is verlengd. De memorie van toelichting vermeldt ook niet dat de taxatiecommissie de domeingronden op 17 november 2021 heeft geherwaardeerd en dat hun marktwaarde nog steeds NAf 850.000,- bedraagt. Ook het resultaat van de juridische toetsing van deze verkoop is vermeldingswaardig.

De Raad adviseert de regering de regeling uitgebreider in de memorie van toelichting te verantwoorden.

b.  De financiële paragraaf

Op grond van artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 moet een financiële paragraaf in de memorie van toelichting worden opgenomen. De memorie van toelichting bevat geen financiële paragraaf. In deze paragraaf moet in ieder geval – zoals vermeld in het advies van 7 maart 2022 (zaaknummer 2021/008271) van de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer  (pagina 2) – worden aangegeven dat het ontwerp geen negatieve budgettaire  gevolgen voor het Land heeft.

De Raad adviseert de regering om een financiële paragraaf in de memorie van toelichting op te nemen.

III.  Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

De Raad van Advies heeft ernstige bezwaren tegen het ontwerp en adviseert de regering om het niet bij de Staten in te dienen. Immers, het wetgevingstraject van het ontwerp kan pas worden gecontinueerd na goedkeuring van de ontwerplandsverordening tot wijziging van artikel 10, eerste lid, van de Lvdg door de Staten (zie onderdeel ‘I.6. Mogelijke oplossingsrichtingen voor een rechtsgeldige verkoop van domeingronden’ van dit advies) en de inwerkingtreding van deze wijziging van de Lvdg.  

Willemstad, 7 juni 2022

de Ondervoorzitter,                                                     de Secretaris,

____________________                                             _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/10-22-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het ontwerp

De aanhef

Ingevolge aanwijzing 83, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna:Awr) bevat het opschrift zo mogelijk enige materiële aanduiding van het onderwerp van de regeling. In het tweede lid van die aanwijzing staat dat het opschrift beknopt wordt gehouden. De Raad vindt dat het opschrift te lang is en hij stelt voor dat beknopter te maken.

Ingevolge artikel 1 van de Lvdg wordt onder domaniale gronden verstaan alle onroerende zaken van de rechtspersoon het Land. Daar het begrip ‘domaniale gronden’ al inhoudt dat de betreffende gronden aan het Land toebehoren stelt de Raad voor in het opschrift ‘eigendom van het Land Curaçao’ te schrappen. Hij stelt voor het opschrift als volgt te laten luiden:

LANDSVERORDENING van de                   strekkende tot goedkeuring van de verkoop van de domaniale gronden gelegen aan de J.B. Gorsiraweg no. 1, met een totale oppervlakte van 3007m2 (Landsverordening goedkeuring van de verkoop domaniale gronden J.B. Gorsiraweg no. 1)

De overwegingen

In aanwijzing 88 van de Awr staat dat in de overwegingen voor het ontwerp de strekking van en, indien daartoe aanleiding is, het motief tot de vaststelling van de regeling in hoofdzaak kort worden weergegeven.  De Raad vindt dat de eerste overweging uit een te lange zin bestaat. Hij stelt voor die zin met inachtneming van bovengenoemde aanwijzing als volgt te laten luiden:

dat het wenselijk is dat de openbare rechtspersoon Curaçao de domaniale gronden gelegen aan de J.B. Gorsiraweg no. 1 met een totale oppervlakte van 3007m2 (drieduizendzeven vierkante meters) verkoopt aan de rechtspersoon “United States of America”;

De Raad stelt voor de overige informatie die betrekking heeft op de titel van de vervreemding (dus de verkoop van de domeingronden) in het lichaam van het ontwerp op te nemen (in artikel 1 van het ontwerp).

Artikel 1

De Raad stelt voor artikel 1 korter te maken door dit in verschillende leden te splitsen. Ook stelt de Raad voor de oppervlakte van elk perceel uitgedrukt in vierkante meters in letters uit te schrijven. Tevens stelt de Raad voor ‘gulden’ te vervangen door ‘Nederlands-Antilliaanse guldens’.

Artikel 3

De Raad stelt voor “Landsverordening” te vervangen door “landsverordening” en ‘vervreemding’ door ‘van de verkoop’..

2. De memorie van toelichting

Algemeen

De Raad stelt voor consequent te zijn met de termen die in de memorie van toelichting worden gebruikt. Zo wordt soms de term ‘regering’ en soms ‘landsregering’ gebruikt. Ook wordt soms ‘percelen’ en soms ‘percelen grond’ gebruikt. De term ‘perceel’ betekent een stuk grond. De Raad stelt voor ‘perceel grond’ of ‘percelen grond’ telkens te vervangen door ‘perceel’ of ‘percelen’.

De Raad stelt voor de memorie van toelichting ten behoeve van de duidelijkheid daarvan op boven aangehaalde punten te screenen. 

Pagina 1

De aanhef

Voor het wijzigingsvoorstel van de aanhef van de memorie van toelichting verwijst de Raad naar het wijzigingsvoorstel dat hij hierboven in het onderdeel ‘1. Ontwerp’ onder ‘Aanhef’ heeft gedaan.

Onderdeel ‘1. Algemeen deel’

De Raad stelt voor de eerste zin onder ‘1. Algemeen deel’ korter te maken ten behoeve van de leesbaarheid daarvan. Ook stelt hij voor ‘van erfpacht’ te schrappen en ‘uit gegeven’ te vervangen door ‘uitgegeven’.  Verder stelt de Raad voor ‘het Land Curaçao’ te vervangen door ‘openbare rechtspersoon Curaçao’.

De Raad stelt voor de tweede zin onder ‘1. Algemeen deel’ korter te maken ten behoeve van de leesbaarheid daarvan. De Raad stelt voor in die zin de volgende wijzigingen aan te brengen:

  • de eerste ‘om’ te vervangen door ‘van’;
  • ‘medewerker’ te vervangen door ‘de medewerkers’;
  • ‘VVRP’ te vervangen door ‘Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning’;
  • ‘stadsdistrict’ te vervangen door ‘Stadsdistrict’; en
  • het Land Curaçao’ te vervangen door ‘het land Curaçao’.

De Raad stelt voor in de een voorlaatste zin onder ‘1. Algemeen deel’ de woorden ‘mogelijke aankoop’ te vervangen door ‘de mogelijke aankoop’ en ‘gulden’ te vervangen door ‘Nederlands-Antilliaanse guldens’.

De Raad stelt voor in de voorlaatste zin onder ‘1. Algemeen deel’ ‘de Ministeriële beschikking’ te vervangen door ‘de ministeriële beschikking’.

Pagina 2

De Raad stelt voor in het tweede tekstblok, eerste zin, de volgende wijzigingen aan te brengen:

  • ‘mogelijkerwijs’ te schrappen;
  • ‘on’ te vervangen door ‘kon’;
  • ‘6 maanden’ te vervangen door ‘zes maanden’;
  •  ‘de betreffende erfpachtpercelen’ te vervangen door ‘de desbetreffende percelen in erfpacht’; en
  • ‘betreffende percelen’ te vervangen door ‘ de desbetreffende percelen’.

De Raad stelt voor in het derde tekstblok ‘de taxatierapport’ te vervangen door ‘het taxatierapport’ en ‘na de datum gereedkomen van rapport’ te vervangen door ‘na de datum van dat rapport’.

De Raad stelt voor in het vierde tekstblok, eerste zin ‘De betreffende akte’ te vervangen door ‘De desbetreffende notariële akte is’ en ‘bekende’ te vervangen door ‘bekend’.

De Raad stelt voor de zinsopbouw van de tweede zin van het vierde tekstblok te herformuleren en in de tweede zin ‘Ministeriële Beschikking’ te vervangen door ‘ministeriële beschikking’ en de datum van die beschikken te vermelden.

De Raad vindt dat de voorlaatste en de laatste zin van het vierde tekstblok onduidelijk zijn. Zo staat er in de voorlaatste zin ‘wederom uitgegeven aan de USCG’. Niet duidelijk is of het hier gaat om het wederom uitgeven in erfpacht of om de overdracht in eigendom. Ook sluiten die zinnen  niet goed aan op hetgeen daarvoor staat. De Raad stelt voor die zinnen beter te formuleren.

De Raad stelt voor in het laatste tekstblok, eerste zin, ‘percelen grond’ te vervangen door ‘de desbetreffende percelen’ en ‘omdat is gebleken dat de desbetreffende percelen geruime tijd in erfpacht zijn uitgegeven aan USCG’ te vervangen door ‘omdat ze geruime tijd in erfpacht zijn uitgegeven aan USCG’ en na USCG een punt te plaatsen en een nieuwe zin te beginnen luidende: Daarnaast hebben ze geen zelfstandige functie en daardoor zijn ze niet geschikt voor uitgifte aan derden.

De Raad stelt voor in het laatste tekstblok, tweede zin ‘Land Curaçao’ te vervangen door ‘de openbare rechtspersoon Curaçao’ en ‘onder voorwaarde dat deze percelen verkocht worden aan USCG’ te vervangen door ‘onder de voorwaarde dat de openbare rechtspersoon Curaçao deze percelen aan haar verkoopt’.

De voorlaatste en de laatste zin van het laatste tekstblok zijn onvoldoende duidelijk. Aan de ene kant volgt door het gebruik van het hulpwerkwoord “kan” in de voorlaatste zin dat de regering over de verkoop van de domeingronden aan de USCG twijfelt.  Aan de andere kant volgt uit de laatste zin dat de regering daar geen bezwaar tegen heeft, mits de verkoop door de Staten wordt goedgekeurd. De Raad stelt voor de formulering van die zinnen nader te bekijken.   

Pagina 3

In de eerste zin staat dat krachtens artikel 10, eerste lid van de Lvdg vervreemding van domaniale gronden goedkeuring bij landsverordening behoeft. De Raad merkt op dat die zin geen juiste weergave is van wat er in artikel 10, eerste lid, van de Lvdg staat. Bovendien kan artikel 10, eerste lid, van de Lvdg niet als grondslag voor dit ontwerp worden gebruikt (zie  onderdeel ‘II. 1.b. De grondslag voor het afwijken van artikel 3, eerste lid, van de Lvdg’ van dit advies). De Raad stelt daarom voor de eerste zin te schrappen. 

De Raad stelt voor de laatste volzin beknopter te maken. De kadastrale aanduiding van de domeingronden staat al voorin in de memorie van toelichting. Een herhaling van deze gegevens aan het slot van die toelichting is niet nodig.  

 

[1] ECLI:NL:HR:2021:1778

[2] Om welke concepten het hier gaat is onduidelijk. Aangenomen wordt dat het hier gaat om het concept van een ministeriële beschikking tot uitgifte in erfpacht van de domeingronden en het concept van een landsverordening tot goedkeuring van de verkoop van de domeingronden.

[3] Prof. mr. W.H. M. Reehuis en mr. A.H.T. Hesiterkamp, “Het Nederlands burgerlijk recht”, “Goederenrecht”, Pitlo deel 3. Kluwer 2012 dertiende druk, pagina 21

[4] Van Wijk en Konijnenbelt & van Male, “Hoofstukken van Bestuursrecht”, Kluwer-Deventer-2014, pagina 170

[5] Prof. mr. W.H. M. Reehuis en mr. A.H.T. Hesiterkamp “Het Nederlands burgerlijk recht”, “Goederenrecht” Pitlo deel 3. Kluwer 2012 dertiende druk, pagina 21

[6] Memorie van toelichting op de Lvdg, pagina 2

[7] Uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwaarden van 30 augustus 2016 (ELCLI:NLLGHARL:2016:6966)

[8] Pagina 2, voorlaatste en laatste alinea, van de memorie van toelichting

[9] GEA 25 april 2016, ECLI:NL:OGEAC:2016:9 en GHvJ 2 mei 2017, 71273/14-H 231/16, ECLI:NL:OGHACMB:2016:157 2 mei 2017, 71273/14-H 231/16, ECLI:NL:OGHACMB:2016:157

[10] Nieuwenhuis, J.H., Stolker, C.J.J.M., Valk, W.L. Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek, boeken 1,2,3,4, en 5 Kluwer achtste druk, pagina’s 1532 en 1533

[11] ECLI:NL:HR:2021:1778

[12] Het gelijkheidsbeginsel brengt volgens de Hoge Raad ook met zich mee dat het overheidslichaam openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot:

1 het voornemen tot verkoop van de onroerende zaak;

2. de selectieprocedure;

3. het tijdschema en;

4. de toe te passen selectiecriteria.

Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen op zodanige wijze dat een ieder daarvan kennis kan nemen.

[13] Snippergroen grenst aan een perceel waarop zich een of meer woningen of andere bebouwing bevinden en dienen als uitbreiding van de bestemming tuin.

[14] Artikel 3:84 van het BW

[15] Memorie van toelichting op de Lvdg, pagina 2