Adviezen

RvA no. RA/24-22-LV

Uitgebracht op : 09/11/2022
Publicatie datum: 17/11/2022

Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening openbare orde (P.B. 2015, no. 31) (Zittingsjaar 2021-2022-203)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 1 september 2022, dat de Raad op 6 september 2022 heeft ontvangen, om het oordeel van de Raad inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 7 november 2022, bericht de Raad u als volgt.

I. Algemeen

1. Aspecten waarmee rekening gehouden moet worden in het initiatiefontwerp

a. De voorfase van de initiatiefontwerplandsverordening

De Raad heeft in het verleden geadviseerd over een drietal adviesverzoeken, waarin hetzelfde beoogd werd als met de onderhavige initiatiefontwerplandsverordening (hierna: initiatiefontwerp), namelijk het stellen van een verbod op het verstrekken van plastic draagtassen en ander plastic en polystyreen materiaal die op den duur schade kunnen toebrengen aan de natuur en het milieu. Op 3 mei 2018 ontving de Raad een adviesverzoek over de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Warenlandsverordening (P.B. 1997, no. 334) (Zittingsjaar 2017-2018-125), waarover de Raad op 25 juli 2018 het advies genummerd RvA no. RA/17-18-LV heeft uitgebracht.

Vervolgens ontving de Raad op 7 februari 2019 van de Staten een gewijzigd initiatiefontwerplandsverordening inhoudende een wijziging van de Warenlandsverordening. Hierover heeft de Raad op 9 april 2019 het advies genummerd RvA no. RA/04-19-LV uitgebracht. In beide door de Raad uitgebrachte adviezen zijn de initiatiefnemers in overweging gegeven om de gekozen wetssystematiek te veranderen door niet de Warenlandsverordening maar de Landsverordening openbare orde te wijzigen. Dit advies werd door de initiatiefnemers opgevolgd en op 6 augustus 2020 ontving de Raad een adviesverzoek inhoudende een initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening openbare orde. Hierover heeft de Raad op 7 oktober 2020 het advies genummerd RvA no. RA/31-20-LV uitgebracht (hierna: het advies van 7 oktober 2020).

De Raad zal in het hiernavolgende ingaan op een aantal punten, waarvoor de aandacht van de initiatiefnemer wordt gevraagd. Het gaat hierbij onder meer om aspecten die in de eerdere door de Raad uitgebrachte adviezen zijn genoemd maar die niet zijn opgevolgd en waarover in de memorie van toelichting niet wordt uitgeweid.

De Raad is van oordeel dat deze aspecten de kwaliteit van het initiatiefontwerp ten goede zullen komen.

b. De bestuurlijke boete

In het advies van 7 oktober 2020 heeft de Raad gewezen op het feit dat de Landsverordening openbare orde de bestuursrechtelijk sanctie bestuurlijke boete niet kent[1]. Voorgesteld is toen om in het initiatiefontwerp een bepaling op te nemen waarin geregeld wordt dat na artikel 78 van de Landsverordening openbare orde een of meerdere artikel(en) word(t)en opgenomen waarin de bestuurlijke boete als sanctie wordt gesteld.

Volgens de voorlaatste zin van de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp kan het  in strijd handelen met de verbodsbepalingen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden aangepakt. De Raad ziet het in zijn advies van 7 oktober 2020 gedane voorstel echter niet terug in het initiatiefontwerp. Voorts wordt in de memorie van toelichting ook niet uitgeweid over het niet opvolgen ervan.

Teneinde het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van de Landsverordening openbare orde mogelijk te maken, adviseert de Raad het initiatiefontwerp op dit punt aan te passen.

c. Het aanvullen van de begripsbepaling van de Landsverordening openbare orde

1º. De term ‘naar hun aard bestemd voor eenmalig gebruik’

In de onderdelen a en b van het in het initiatiefontwerp voorgestelde artikel 26a van de Landsverordening openbare orde wordt de term ‘naar hun aard bestemd voor eenmalig gebruik’ gehanteerd. De Raad heeft in zijn advies van 7 oktober 2020 geadviseerd om deze term in de begripsbepaling van de Landsverordening openbare orde op te nemen (artikel 1) [2].

Het is immers niet duidelijk op welke wijze beoordeeld moet worden of een product naar haar aard bestemd is voor eenmalig gebruik.

Dit advies is echter niet opgevolgd en in de memorie van toelichting wordt niet aangegeven om welke reden het opnemen ervan achterwege is gebleven.

De Raad adviseert om artikel 1 van de Landsverordening openbare orde met het begrip ‘naar hun aard bestemd voor eenmalig gebruik’ aan te vullen.

2º. De term ‘niet biologisch afbreekbaar’

In onderdeel a van het in het initiatiefontwerp voorgestelde artikel 26a van de Landsverordening openbare orde wordt de term ‘niet biologisch afbreekbaar’ gehanteerd. In het advies van 7 oktober 2020 heeft de Raad geadviseerd om deze term in de begripsbepaling van de Landsverordening openbare orde op te nemen (artikel 1) omdat het niet duidelijk is wat onder ‘niet biologisch afbreekbaar’ moet worden verstaan[3]. Dit advies is echter niet opgevolgd en in de memorie van toelichting wordt niet aangegeven om welke reden het opnemen ervan achterwege is gebleven.

De Raad adviseert om artikel 1 van de Landsverordening openbare orde met het begrip ‘niet biologisch afbreekbaar’ aan te vullen.

d. De plaats van de nieuw in te voegen verbodsbepaling

In de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening openbare orde die de Raad op 6 augustus 2020 heeft ontvangen is door initiatiefnemers voorgesteld om het verbod op het verstrekken van plastic draagtassen en ander plastic en polystyreen materiaal in een nieuw artikel 16a van de desbetreffende landsverordening op te nemen. De Raad heeft toen in zijn advies van 7 oktober 2020 geadviseerd om de verbodsbepaling in een nieuw artikel 20a van genoemde landsverordening op te nemen omdat dit beter passend zou zijn[4]. Het is de Raad opgevallen dat dit advies niet opgevolgd is en dat door de initiatiefnemer voorgesteld wordt om de verbodsbepaling in een nieuw artikel 26a van de Landsverordening openbare orde op te nemen. Het is niet duidelijk om welke reden de initiatiefnemer hiervoor kiest.

Op basis van een analyse van de volgorde van de bepalingen in paragraaf “2. Maatregelen ter bevordering van de openbare orde, rust, veiligheid en reinheid” van de Landsverordening openbare orde is de Raad nog steeds van oordeel dat de verbodsbepaling beter zou passen in een nieuw artikel 20a van die landsverordening. Artikel 16 gaat immers over handelsreclame of propaganda terwijl artikel 26 regels over afvalstoffen ten behoeve van de inzameldienst (lees: Selikor N.V.) geeft. Artikel 20 op zijn beurt gaat over, kortgezegd, het vervuilen van de openbare weg met afval of resten van etenswaren, bussen, papier of andere voorwerpen of stoffen. Dit laatste artikel is qua onderwerp en inhoud meer in overeenstemming met het verbod op het verstrekken en aanbieden van plastic draagtassen en ander plastic en polystyreen materiaal.

De Raad adviseert om de verbodsbepaling in een nieuw artikel 20a van de Landsverordening openbare orde op te nemen.

2. Het beleid van de regering versus de bedoeling van het initiatiefontwerp

a. De afspraak om te komen tot het initiatiefontwerp

In paragraaf 3 ‘Ontwikkelingen in Curaçao’ van de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp (hierna: de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur en de initiatiefnemer(s) van het initiatiefontwerp in samenspraak hebben besloten dat er een parlementair initiatief zal komen om het verstrekken van plastic draagtassen, bekers, rietjes en polystyreen bekers en bakken bij landsverordening te verbieden[5]. In de stukken gevoegd bij het adviesverzoek ontbreekt een schriftelijke weergave van deze afspraak.

De Raad adviseert om (op zijn minst in een voetnoot) aan te geven van wanneer dit akkoord dateert en wat in hoofdlijnen afgesproken is tussen de regering en de initiatiefnemers.

b. De status van het beleidsrapport van de regering

De Raad heeft wel het beleidsrapport ‘Strategie: Uitfasering van Plastics. Beleidsgrondslagen voor de transitie naar duurzaamheid 2021-2026’ bij het adviesverzoek aangetroffen[6]. Of het hierbij gaat om een officieel door de Raad van Ministers vastgesteld beleidsrapport is niet uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken gebleken[7]. In de memorie van toelichting wordt slechts aangegeven dat het door de regering is ontwikkeld en dat de onderhavige initiatiefontwerplandsverordening niet direct haar grondslag daarin vindt[8]. Het beleidsrapport dient volgens de initiatiefnemer wel als aanknopingspunt.

De Raad adviseert om in de memorie van toelichting aan te geven wat de status is van dit beleidsrapport.

c. Uitzonderingsgeval in verband met voedselveiligheid

In punt 3 van onderdeel c ‘Wettelijke invulling’ van paragraaf 9 ‘Beleidsinstrumenten en interventies’ van het bovengenoemde beleidsrapport van de regering wordt aangegeven dat er situaties zijn waarbij plastic tasjes of plastic artikelen wel aanvaardbaar zijn[9]. Bij het meenemen van etenswaren spelen volgens dit beleidsrapport voedselveiligheidsaspecten mee. Om die reden zullen volgens het beleidsrapport plastic tassen die noodzakelijk zijn vanwege functionaliteit of voedselveiligheid uitgezonderd worden van het verbod. De Raad ziet dit uitzonderingsgeval niet terug in het initiatiefontwerp. Uit de memorie van toelichting blijkt zelfs het tegenovergestelde aangezien met het initiatiefontwerp wordt beoogd om plastic draagtassen die bij snacks en restaurants worden verstrekt of aangeboden geheel te verbieden[10]. Voedselveiligheid is volgens de Raad een belangrijk aspect waarmee voldoende rekening gehouden moet worden. Hierover wordt echter niet uitgeweid in de memorie van toelichting.

De Raad is van oordeel dat duidelijkheid gecreëerd moet worden ten aanzien van deze discrepantie door in het initiatiefontwerp een grondslag te creëren om bij lagere regelgeving te bepalen dat een soort plastic of polystyreen goed slechts voor bepaalde doeleinden en onder bepaalde voorwaarden gebruikt mag worden. Indien de initiatiefnemer van mening is dat het voorgaande geen optie is dan geeft de Raad in overweging om in de memorie van toelichting toe te lichten om welke reden geen uitzondering gemaakt wordt.

3. De financieel-economische gevolgen van het initiatiefontwerp

De voorgestelde wijzigingen in het initiatiefontwerp kunnen volgens de Raad financiële - en/of economische gevolgen hebben voor verschillende sectoren.

a. Effect op overheid en horecasector

1°. De gevolgen voor de overheidsbegroting

Volgens de financiële paragraaf van de memorie van toelichting (pagina 9) gaat de initiatiefnemer ervan uit dat met de inwerkingtreding van het verbod, opgenomen in het voorgestelde artikel 26a van de Landsverordening openbare orde, de invoerrechten uit de betrokken plastic en foam producten nagenoeg zullen verdwijnen. De initiatiefnemer verwacht dat tegelijkertijd de invoerrechten uit alternatieve producten zullen stijgen.

Uit de tabel in de financiële paragraaf blijkt dat in 2018, ten opzichte van 2017, de invoerrechten voortvloeiende uit plastic en foam producten zijn afgenomen terwijl de invoerrechten uit alternatieve producten zijn toegenomen. Het totaalbedrag aan invoerrechten gegenereerd in 2018 (NAf 661.797) uit zowel de plastic en foam producten als de alternatieve producten is hoger dan in 2017 (NAf 611.034). Uit de financiële paragraaf kan niet duidelijk worden opgemaakt of de invoerrechten uit alternatieve producten op jaarbasis structureel minimaal op hetzelfde niveau zullen liggen als de invoerrechten gegenereerd uit de betreffende plastic en foam producten. De Raad is van mening dat het verwachte totaalbedrag aan invoerrechten uit uitsluitend de alternatieve producten – indien er geen import plaatsvindt van plastic en foam producten - niet op voorhand in te schatten is. Echter aangezien in dit geval de omvang van de invoerrechten op jaarbasis niet noemenswaardig zijn, zullen de effecten op de overheidsbegroting van eventuele tegenvallende opbrengsten uit invoerrechten, marginaal zijn.

In het licht van het bovenstaande adviseert de Raad het gestelde in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting over de verwachte opbrengsten uit invoerrechten te nuanceren.

2°. De gevolgen voor bedrijven in de horeca

In dit verband is het wellicht relevant inzicht te krijgen in de verhouding tussen de prijzen van de alternatieve producten en die van de betreffende plastic en foam producten. Immers, hogere prijzen voor de alternatieve producten zullen de opbrengsten uit invoerrechten opwaarts beïnvloeden en tegelijkertijd negatief uitwerken op de bedrijfskosten en de winstgevendheid voor de betreffende bedrijven in de horecasector.

In het licht hiervan adviseert de Raad in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting in te gaan op de prijsverhouding tussen de alternatieve producten en de betreffende plastic en foam producten. In geval van (aanzienlijk) duurdere alternatieve producten wordt geadviseerd om in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de doorwerking ervan in de bedrijfskosten en winstgevendheid van de betreffende bedrijven en aan te geven of/hoe getracht zal worden deze eventuele financiële gevolgen te mitigeren.

b. Kosten toezicht en handhaving voor uitvoering van de Landsverordening openbare orde

In de financiële paragraaf van de memorie van toelichting wordt vermeld dat het initiatiefontwerp geen extra beslag zal leggen op ’s Lands kas, omdat zowel toezicht als handhaving onderdeel zullen blijven uitmaken van de reguliere toezicht- en opsporingstaken van de bestaande team(s).

Volgens de Raad is het – zoals aangegeven in het advies van 5 oktober 2020[11] - toch mogelijk dat de uitvoering van de onderhavige landsverordening, als gevolg van de nieuwe taken verband houdende met toezicht en handhaving, zal leiden tot capaciteitsuitbreiding bij de controlerende instanties. Dit kan extra kosten met zich meebrengen waarmee rekening gehouden zal moeten worden in de overheidsbegroting. 

De Raad acht het van belang dat aannemelijk gemaakt wordt dat het initiatiefontwerp geen extra beslag zal leggen op ’s Lands kas. In dit verband adviseert de Raad om een inschatting te laten maken van de benodigde fte’s ter uitvoering van de uit de onderhavige landsverordening voortvloeiende toezicht- en opsporingstaken en voorts aan te laten geven of deze past binnen de capaciteiten van de controlerende instanties. Echter indien capaciteitsuitbreiding noodzakelijk is, wordt geadviseerd de daarmee gemoeide verwachte extra kosten te laten kwantificeren, de dekking daarvan aan te laten geven en de laatste volzin van de financiële paragraaf van de memorie van toelichting conform te herformuleren.

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het initiatiefontwerp

a. De definitie van de termen ‘plastic’ en ‘polystyreen’

De Raad heeft eerder in zijn adviezen over het verbod op het verstrekken van plastic draagtassen en ander polystyreen materiaal geadviseerd om in de landsverordening die gewijzigd wordt definities op te nemen van de termen ‘plastic’ en ‘polystyreen’. In artikel I van het initiatiefontwerp is een definitie opgenomen. De Raad geeft echter in overweging om de definitie van deze twee termen in het kader van de rechtszekerheid uit te breiden of meer sluitend te maken. Aanbevolen wordt bijvoorbeeld om rechtsvergelijkend onderzoek te verrichten, waarbij elders in het Koninkrijk gekeken wordt hoe het één en ander is geregeld. De Raad verwijst daarbij als voorbeeld naar het tweede, vijfde en twaalfde lid van het nieuwe artikel 31a van de Eilandsverordening afvalstoffen dat bij de Eilandsverordening verbod op wegwerp plastic Bonaire is ingevoerd[12] en naar artikel 1 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik van Nederland[13].

De Raad adviseert om artikel I van het initiatiefontwerp aan te passen.

b. Discrepantie ten aanzien van biologisch vervaardigde en afbreekbare plastic tassen

In artikel I van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 26a in de Landsverordening openbare orde op te nemen. In onderdeel a van het voorgestelde artikel 26a wordt bepaald dat het bij het verhandelen van goederen verboden is om onder meer uit plastic vervaardigde tassen met hengsel die naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik en niet biologisch afbreekbaar zijn, te verstrekken of aan te bieden. Uit de eerste en tweede zin van de tweede alinea van de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp volgt dat het verbod op alle uit plastic vervaardigde tassen met hengsels ziet, waaronder ook de biologisch vervaardigde plastic draagtassen. Volgens het initiatiefontwerp worden, met andere woorden, plastic tassen met hengsel die wel biologisch afbreekbaar zijn toegestaan, maar de toelichting kent deze begrenzing niet.

De Raad is van oordeel dat deze discrepantie gecorrigeerd dient te worden.

2. De memorie van toelichting

a. Uitvoeringsregelingen

Uit paragraaf 3 ‘Ontwikkelingen in Curaçao’ van de memorie van toelichting volgt dat het de bedoeling is om in de loop der tijd geleidelijk aan meer soorten plastic- en foam producten toe te voegen aan de lijst van verboden producten[14]. Als voorbeelden hiervan worden plastic bestek, borden, vuilniszakken en drinkflessen alsmede polystyreen borden genoemd. Het is niet duidelijk om welke reden de genoemde producten niet meteen   in het initiatiefontwerp toegevoegd kunnen worden bij de opgesomde verboden producten. Indien dit naar de mening van de initiatiefnemer niet mogelijk is dan dient in de memorie van toelichting duidelijk gemaakt te worden in welk tijdsbestek deze producten wel opgenomen zullen worden.

De Raad is bovendien van oordeel dat de lijst van verboden producten zo nodig bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, uitgebreid kan worden. Om dit mogelijk te maken dient in artikel I van het initiatiefontwerp een grondslag in de Landsverordening openbare orde geschapen te worden om de nodige uitvoeringsregels vast te kunnen stellen. Concreet betekent dit dat aan het voorgestelde artikel 26a van de Landsverordening openbare orde een lid moet worden toegevoegd, waarin bepaald wordt dat bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, andere plastic- en polystyreen producten op de lijst van verboden producten opgenomen kunnen worden.

De Raad adviseert om artikel I van het initiatiefontwerp aan te passen.

 b. De Kaderwet Milieu

In paragraaf 5 ‘Kaderwet Milieu’ van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur momenteel een nieuwe landsverordening aan het ontwikkelen is, waarmee beoogd wordt om alle ‘milieu-issues’ efficiënt en effectief aan te pakken[15]. Vervolgens worden twee artikelen van deze kaderwet besproken. De Raad is van oordeel dat het prematuur is om in de memorie van toelichting een tweetal artikelen te bespreken van een ontwerp van een wettelijke regeling, waarvan het nog niet vaststaat of dit daadwerkelijk door de wetgever vastgesteld zal worden, binnen welk tijdsbestek en met welke inhoud (reikwijdte). Voldoende is om te vermelden dat de regering bezig is met een conceptkaderwet over het milieu.

De Raad adviseert om de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

c. Bestuursrechtelijke inbeslagname

In de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp wordt aangegeven dat de verboden producten door de ambtenaren belast met toezicht op de regeling voorlopig in beslag kunnen worden genomen[16]. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan volgens de initiatiefnemer bepaald worden hoe gehandeld dient te worden met deze in beslag genomen producten.

Bestuursrechtelijke inbeslagname geschiedt in principe alleen als er sprake is van het opleggen van de sanctie bestuursdwang. Bestuursdwang is een herstelsanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. In de artikelen 75 tot en met 78 van de Landsverordening openbare orde wordt de bestuursdwang geregeld. Daarin komt echter geen bepaling over de bestuursrechtelijke inbeslagneming voor. Indien de initiatiefnemer van oordeel is dat bestuursrechtelijke inbeslagname, al dan niet van plastic- en polystyreenproducten, mogelijk moet zijn, dan dient daartoe een bepaling in de Landsverordening openbare orde te worden opgenomen. Concreet betekent dit dat in een nieuw onderdeel C van het initiatiefontwerp artikel 75 zodanig moet worden gewijzigd dat daarin de bestuursrechtelijke inbeslagname in het algemeen wordt geregeld. Daarnaast dient ook in genoemd artikel de mogelijkheid geschapen te worden om bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels te stellen over de wijze waarop gehandeld dient te worden met in beslag genomen goederen. 

De Raad adviseert om artikel I van het initiatiefontwerp aan te passen.

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het initiatiefontwerp en adviseert om daarmee rekening te houden voordat het initiatiefontwerp in behandeling wordt genomen.

 

Willemstad, 9 november 2022

de wnd. Ondervoorzitter,                                                         de Secretaris,

_____________________                                                       _____________________

dr. J. Sybesma                                                                         mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/24-22-LV

 

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

 

1. Het initiatiefontwerp

  1. Het opschrift

Voorgesteld wordt om tussen ‘P.B.’ en ‘2015’ een spatie op te nemen.

b. De overweging

Voorgesteld wordt om ‘polystyreenbekers’ te vervangen door ‘polystyreen bekers’.

c. Artikel I

In navolging van lid 1 tot en met 3 van aanwijzing 175 van de Aanwijzingen voor de regelgeving adviseert de Raad om artikel I van het initiatiefontwerp in te delen in twee onderdelen. In onderdeel A wordt artikel 1 van de Landsverordening openbare orde gewijzigd en in onderdeel B wordt een nieuw artikel 26a (of 20a) daarin opgenomen:

‘Artikel I

De Landsverordening openbare orde wordt als volgt gewijzigd:

  1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzgd:

Onder vernummering van onderdeel h tot i, wordt een nieuw onderdeel h ingevoegd, luidende:

h. plastic of polystyreen: (……………..);

  1. Na artikel 26 (of 20) wordt een nieuw artikel 26a (of 20a) ingevoegd, luidende:’

d. Artikel I, onderdeel A

Voorgesteld wordt om in de definitie van plastic of polystyreen ‘dat als’ te vervangen door ‘die als’ en ‘kan’ te vervangen door ‘kunnen’.

e. Artikel I, onderdeel B

Voorgesteld wordt in artikel 26a, tweede lid, (of 20a) ‘verstrekt’ te vervangen door ‘verstrekt of aangeboden’.

2.  De memorie van toelichting

a. Algemeen

Het is de Raad opgevallen dat het onderhavige initiatiefontwerp op 29 augustus 2022 door alleen één initiatiefnemer bij de Staten is ingediend. In de memorie van toelichting wordt echter steeds gesproken over ‘initiatiefnemers’, dus in het meervoud. Voorgesteld wordt om de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

b. Het opschrift

Voorgesteld wordt om tussen ‘P.B.’ en ‘2015’ een spatie op te nemen.

c. Bronvermelding

Het is de Raad opgevallen dat de bronvermelding van de verschillende publicaties of overheidsbesluiten waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen niet of niet op de juiste wijze worden opgenomen. De memorie van toelichting heeft onder andere tot doel om voor de toekomst een bron van informatie te zijn waaruit de beweegredenen van de wetgever kunnen blijken. Om deze reden is de Raad van oordeel dat in de memorie van toelichting in voetnoten aangegeven moet worden wat de juiste bron is van de hierna te noemen publicaties of overheidsbesluiten. In een bronvermelding dienen de titel, auteur, datum, plaats en paginanummers zoveel mogelijk te worden vermeld:

  • pagina 3, eerste alinea, eerste zin: de 2030 Agenda die door het Koninkrijk der Nederlanden als lid van de Verenigde Naties op 25 september 2015 is aangenomen;
  • pagina 3, eerste alinea, tweede zin: de Sustainable Development Goals (SDGs) waaraan de overheid van Curaçao zich gebonden zou hebben;
  • pagina 3, eerste alinea, vierde zin: het beleid van de regering ‘Strategie: Uitfasering van Plastics’;
  • pagina 4, laatste alinea, laatste zin: het persbericht uit Sint Maarten;
  • pagina 5, tweede alinea: de motie van de eilandsraad van Bonaire uit 2018;
  • pagina 5, voetnoten 7 en 8: de volledige titel, auteur, uitgave, datum en relevante pagina van die publicaties aangeven;
  • pagina 6, vierde alinea, eerste zin: de informatie van Selikor N.V.;
  • pagina 6, laatste alinea, eerste zin: de informatie van de Douane;
  • pagina 6, voetnoten 9 tot en 11: de volledige titel, auteur, uitgave, datum en relevante pagina van die publicaties aangeven.

 

  1. Pagina 3

Voorgesteld wordt om in de tweede zin van de eerste alinea ‘SDG’s’ te vervangen door ‘Sustainable Development Goals (SDG’s)’.

e. Pagina 4

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste zin van de eerste alinea een spatie op te nemen tussen ‘wordt’ en ‘jaarlijks’;
  • in een voetnoot de vindplaats van de in de eerste zin van de vijfde alinea genoemde Arubaanse Algemene Politieverordening (het afkondigingsblad) op te nemen;
  • in de tweede zin van de laatste alinea het woord ‘recentelijk’ te schrappen aangezien het ontwerp van Sint Maarten van het jaar 2013 dateert.

f. Pagina 5

Voorgesteld wordt om:

  • in een voetnoot de vindplaats van de in de eerste zin van de derde alinea genoemde Eilandsverordening verbod op wegwerp plastic (het afkondigingsblad) op te nemen;
  • in de laatste zin van de derde alinea ‘afbreekt’ te vervangen door ‘afbreken’.

 

g. Pagina 6

Voorgesteld wordt om in de tweede zin van de tweede alinea vóór ‘bakken’ een koppelteken op te nemen.

h. Pagina 7

Voorgesteld wordt om:

  • in de tweede zin van de tweede alinea vóór ‘bakken’ een koppelteken op te nemen;
  • in een voetnoot de vindplaats van de in de achtste zin van de tweede alinea genoemde Hinderverordening 1994 op te nemen en ‘Hinderverordening 1994’ te vervangen door ‘Hinderverordening Curaçao 1994’.

i. Pagina 8

Voorgesteld wordt om in de eerste zin van de vierde alinea ‘beoogt’ te vervangen door ‘beoogd’.

j. Pagina 10

Voorgesteld wordt om:

  • de tweede zin van de voorlaatste alinea te vervangen door ‘Deze informatie zal moeten dienen tot naleving van het ingevoerde verbod, waarbij het publiek gewezen zal worden op de consequenties van het niet naleven van het verbod.’;
  • in de eerste zin van de laatste alinea ‘mondjesmaat’ te vervangen door ‘in zekere zin’. 

k. Pagina 11

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste zin van de eerste alinea ‘SER’ te vervangen door ‘Sociaal Economische Raad (SER)’ en ‘voor het milieuschadelijke’ te vervangen door ‘voor het milieu schadelijke’;
  • in een voetnoot de datum en kenmerk van het advies van de Sociaal Economische Raad, bedoeld in de eerste zin van de eerste alinea, aan te geven;
  • in de zesde zin van de eerste alinea ‘raad’ te vervangen door ‘SER’;
  • in de laatste zin van de eerste alinea ‘der’ te vervangen door ‘de’ en ‘Raad’ door ‘SER’.
  • in de eerste zin van de tweede alinea ‘raad’ te vervangen door ‘Raad van Advies’ en vóór ‘wetsystematiek’ het woord ‘onderhavige’ op te nemen;
  • in een voetnoot de datum en kenmerk van het advies van de Raad van Advies, bedoeld in de eerste zin van de tweede alinea, aan te geven;
  • in de tweede zin van de derde alinea ‘opalle’ te vervangen door ‘op alle’;
  • in de laatste zin van de laatste alinea ‘of’ te schrappen.

 

l. Pagina 12

Voorgesteld wordt om in tweede zin van de laatste alinea ‘daarbij’ te schrappen.

 

__________________________

 

 

 

[1] Zie paragraaf I.2.b “De wijziging van de Landsverordening openbare orde versus een zelfstandige landsverordening”, laatste alinea, p. 3 van het advies van 7 oktober 2022.

[2] Zie paragraaf I.2.e.2°. “De term “naar hun aard bestemd voor eenmalig gebruik” (artikel I)”, p. 4, van het advies van 7 oktober 2022.

[3] Zie paragraaf I.2.e.3 “De term “niet biologisch afbreekbaar zijn” ”, p. 4, van het advies van 7 oktober 2022.

[4] Zie paragraaf I.2.f “De plaats van de nieuw in te voegen verbodsbepaling”, p. 4, van het advies van 7 oktober 2022.

[5] Zie pagina 6, derde alinea, van de memorie van toelichting.

[6] ‘Strategie: Uitfasering van Plastics. Beleidsgrondslagen voor de transitie naar duurzaamheid 2021-2026’, C. Profas, versie 0.1, referentie BO-Plan-02, jaar 2020.

[7] Wel verwijst de initiatiefnemer de Sociaal Economische Raad op naar dit beleidsrapport voor het vinden van antwoorden op vragen (pagina 11, eerste alinea, laatste zin van de memorie van toelichting).

[8] Zie de laatste zin van de eerste alinea op pagina 3 van de memorie van toelichting.

[9] Zie de derde alinea op pagina 19.

[10] Zie de tweede zin van de eerste alinea en de vijfde zin van de tweede alinea van de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp.

[11] RvA no. RA/31-20-LV pagina’s 3 en 4 onderdeel “d. Kosten als gevolg van toezicht en handhaving”.

[12] Ab. 2021, no. 11, Archiefnr. ER-2021000736

[13] Stb. 2021, 294

[14] Zie de tweede en derde volzin van de laatste alinea van paragraaf 3 ‘Ontwikkelingen in Curaçao’ op pagina 7 van de memorie van toelichting.

[15] Zie pagina 9, vierde alinea, van de memorie van toelichting.

[16] Zie pagina 12, vierde alinea, van de memorie van toelichting.