Adviezen

RvA no. RA/07-16-LV

Uitgebracht op : 06/04/2016
Publicatie datum: 15/12/2022

Ontwerplandsverordening houdende regels ten aanzien van modellen (Modellenlandsverordening)

(zaaknummer 2015/038409)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 11 januari 2016 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 4 april 2016, bericht de Raad u als volgt.

I. Algemeen

1.  De noodzaak voor het ontwerp

In de aanhef van de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) worden als beweegredenen voor het vaststellen van een regeling ten aanzien van de registratie van modellen aangevoerd het TRIPS verdrag van 1994, en de op 2 juli 1999 te Genève tot stand gekomen Akte bij de overeenkomst van s’Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid (hierna: de Akte). In het onderdeel “Algemeen deel” op pagina 1 van de memorie van toelichting bij het ontwerp (hierna: de memorie van toelichting) wordt ten aanzien van deze beweegredenen gesteld dat:

  1. al geruime tijd de behoefte bestaat aan een regeling waarbij modellen afzonderlijk bescherming zullen genieten;
  2. ontwerpers herhaaldelijk hebben aangegeven dat zij een andere bescherming wensen, dan via het auteursrecht of de onrechtmatige daad;
  3. in het ontwerp bepalingen worden voorgesteld die zijn ingegeven door de wens van Curaçao om toe te treden tot de Akte.

De Raad vindt dat de in de memorie van toelichting aangevoerde beweegredenen in deze onvoldoende worden onderbouwd. Met de gegeven onderbouwing wordt weinig zicht gegeven op de intensiteit van de behoefte en de kenmerken van de doelgroep. Verder geeft de onderbouwing onvoldoende zicht op hoe groot de wens bij Curaçao werkelijk is om nu tot de Akte toe te treden.

In aanwijzing 4, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt ten aanzien van nieuwe regelingen gesteld dat de noodzaak tot het ontwerpen moet komen vast te staan. Uit de memorie van toelichting en de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken kan niet worden opgemaakt of onderzoek is gepleegd naar de relevante feiten en omstandigheden en mocht dat wel het geval zijn geweest wat de concrete onderzoeksresultaten zijn geweest. Volgens de toelichting op aanwijzing 5, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving is kennis van de relevante feiten en omstandigheden noodzakelijk om tot een verantwoorde besluitvorming te komen. De Raad heeft op dit moment onvoldoende zicht op de concrete feiten en omstandigheden die tot dit ontwerp hebben genoodzaakt. 

De Raad adviseert de regering de uit de relevante feiten en omstandigheden verkregen kennis zodanig in de memorie van toelichting te concretiseren dat een duidelijker zicht kan worden verkregen op de behoefte tot dit ontwerp. 

2.   Nieuwheidsonderzoek

In de laatste alinea van onderdeel “1. Inleiding” van de memorie van toelichting (pagina 2) is aangegeven dat een van de eisen die het ontwerp stelt voor bescherming is dat het model nieuw moet zijn (artikel 5 van het ontwerp). In deze alinea is verder opgenomen dat in sommige landen die de technische en financiële middelen bezitten, voor de vaststelling van dit vereiste een nieuwheidsonderzoek wordt gedaan. Gesteld wordt dat het bekostigen van een dergelijk onderzoek voor een klein land als Curaçao moeilijk is te verwezenlijken en dat men dus in Curaçao hiervan moet afzien.

Het kostenaspect wordt hier aangevoerd als reden om af te zien van een nieuwheidsonderzoek. Tegenover dit kostenaspect staat de behoefte aan extra bescherming voor de ontwerpers van modellen die als een van de belangrijkste beweegredenen voor het ontwerp is aangevoerd. Het is niet duidelijk of danwel in welke mate is afgewogen of met het achterwege laten van een nieuwheidsonderzoek in de bescherming van de ontwerpers wordt tekortgeschoten. In de memorie van toelichting is niet  toegelicht wat een nieuwheidsonderzoek inhoudt en wat de effecten of risico’s zullen zijn van het weglaten daarvan. De vaststelling dat Curaçao niet over het documentatiemateriaal beschikt dat nodig is, is volgens de Raad geen gedegen motivering om van deze beschermingsmogelijkheid af te zien. Uit de memorie van toelichting blijkt in ieder geval niet welke inspanningen zijn gedaan om wel over het benodigde documentatiemateriaal te kunnen beschikken danwel of BIE op andere wijze over de nodige informatie kan beschikken.

Opmerkelijk is de slotopmerking in voornoemd onderdeel van de memorie van toelichting dat door het ontbreken van een nieuwheidsonderzoek de administratieve voorbereiding voor de invoering van de Modellenlandsverordening, eenvoudiger kan plaats vinden.  Het komt de Raad voor dat de bescherming van de ontwerper voor dient te gaan aan een administratief voordeel. Eventuele financiële risico's als gevolg van het achterwege laten van een nieuwheidsonderzoek dienen gedekt te worden om te voorkomen dat de (internationale) reputatie van de openbare rechtspersoon Curaçao, die op basis van artikel 12 van de Landsverordening BIE garant staat voor de insolventie van het BIE, wordt geschaad.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting nader toe te lichten wat de waarde is van een nieuwheidsonderzoek en welke de risico’s kunnen zijn van het achterwege laten daarvan.

3.   Uitvoeringsvoorschriften

In diverse artikelen van het ontwerp wordt een grondslag geschapen voor vaststelling van nadere regels bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. In bijvoorbeeld artikel 11, eerste lid, wordt gesteld dat met inachtneming van de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gestelde vormvereisten en tegen betaling van de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen,  bepaalde verschuldigde rechten, de vordering tot opeising bij het Bureau voor de Intellectuele Eigendom van Curaçao (hierna: het BIE) moet worden ingeschreven. In artikel 12, derde lid, is bepaald dat de aanvraag vervalt, indien niet binnen de gestelde termijn voldaan is aan de bepalingen van het landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Voorkomen moet worden dat de uitvoering van de Modellenlandsverordening in het gedrang komt  door het ontbreken van de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen normen. Om deze reden adviseert de Raad de regering, in overeenstemming met aanwijzing 142 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, in artikel 40 van het ontwerp te bepalen dat de onderhavige landsverordening in werking treedt op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

4.   Financiële gevolgen

Volgens onderdeel “3. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting (pagina 3) zal het BIE zelf de financiële gevolgen verbonden aan het ontwerp dragen door kostendekkend te functioneren en voldoende financiële middelen te generen om onafhankelijk van de overheid te blijven opereren. Dit laatste zou tevens de reden zijn voor het onderliggend voorstel. De verwachting is zelfs dat na verloop van tijd de bescherming van modellen in Curaçao, inkomsten voor het BIE en Curaçao zal opleveren. De Modellenlandsverordening zal derhalve geen financiële gevolgen hebben voor Curaçao. Opmerkelijk is echter deze slotconclusie als gesteld wordt dat de omvang van het financieel beslag nog niet goed zou zijn te overzien. De Raad plaatst, evenals het Ministerie van Financiën in zijn brief d.d. 9 oktober 2015 (zaaknummer 2015/038409),  een kanttekening bij de aanname van het BIE dat het ontwerp geen financiële gevolgen zal hebben voor de overheid. De omstandigheid dat de omvang van het financieel beslag nog niet goed is te overzien, houdt risico’s in voor de begroting van de overheid. Immers ingevolge artikel 12 van de Landsverordening BIE staat de openbare rechtspersoon Curaçao garant voor een insolventie van het BIE. De Raad merkt in dit kader op dat de Directeur van het BIE geacht wordt steeds zicht te hebben op de beleids- en financiële risico’s voor het BIE. Genoemde directeur dient namelijk ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Landsverordening BIE, bij de indiening van de jaarlijkse begroting door middel van zijn prognoses steeds zicht te geven op de beleids- en financiële risico’s van de werkzaamheden van het BIE voor de eerstvolgende vijf jaar. Om bovengenoemde redenen kan niet volstaan worden met slechts een toezegging van het BIE dat er geen financiële gevolgen voor de overheid zullen zijn.

In onderdeel “3. Financiële gevolgen” van de memorie van toelichting dient, gezien aanwijzingen 157, onderdeel h, en 159 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en artikel  11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010, tenminste een indicatie te worden gegeven van de verwachte kosten en ontvangsten verbonden aan de uitvoering van de Modellenlandsverordening.

De Raad adviseert de regering  in de memorie van toelichting een onderbouwing te geven van de verwachte kosten en ontvangsten verbonden aan de uitvoering van de Modellenlandsverordening voor het BIE.

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a.   Recht van voorrang (artikel 1, onderdeel j)

Bij de definiëring van het begrip “recht van voorrang” in artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp wordt verwezen naar het recht bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (hierna: Verdrag van Parijs). Uit de definitie van voornoemd begrip kan niet worden opgemaakt wat het recht, bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van Parijs inhoudt. De inhoud van laatstgenoemd artikel wordt in het eerste tekstblok op pagina 8 van de memorie van toelichting gegeven. Volgens de Raad voegt de verwijzing naar artikel 4 van het Verdrag van Parijs in artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp in wezen weinig toe aan het begrip van deze verdragsbepaling. Volgens aanwijzing 59, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt verwijzing naar andere bepalingen vermeden, indien de toegankelijkheid van de regeling daardoor onnodig wordt geschaad.

De Raad adviseert de regering artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp zodanig aan te passen dat uit dit artikelonderdeel zelf kan worden opgemaakt wat het recht van voorrang inhoudt.

b.   Uitzonderingen op modelbescherming (artikel 4, derde lid)

Aan het slot van artikel 4, derde lid, van het ontwerp is opgenomen de zinsnede “met uitzondering van computerprogramma’s en in het algemeen ieder tweedimensionaal en driedimensionaal voortbrengsel.” Geconstateerd is dat er een discrepantie bestaat tussen het bepaalde in voornoemd artikel en de toelichting daarop. In de tweede alinea op pagina 2 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat in deze landsverordening is gekozen om de term “model” te gebruiken voor de aanduiding van zowel tekeningen (het tweedimensionale uiterlijk van een voortbrengsel) als modellen (de driedimensionale uiterlijke vormgeving van een voorwerp). 

De Raad adviseert de regering bovenvermelde discrepantie weg te nemen.

c.   Duidelijkheid regeling (Artikel 7, tweede lid)

Volgens aanwijzing 7 van de Aanwijzingen voor de regelgeving dient gestreefd te worden naar duidelijkheid van regelingen. Volgens de Raad is artikel 7, tweede lid, van het ontwerp niet duidelijk.

De Raad adviseert de regering het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het ontwerp te verduidelijken.

d.   Onderzoek naar aanleiding van een aanvraag (artikel 12, vierde lid)

In artikel 12, vierde lid, van het ontwerp wordt met betrekking tot de toepassing van de aanvraag verwezen naar het bepaalde in artikel 16. Artikel 16 geeft een regeling voor de opschorting van de publicatie op verzoek. Echter, in de toelichting op artikel 12, vierde lid, wordt met betrekking tot het in artikel 16 bepaalde, verwezen naar de strijd van het model met de goede zeden of de openbare orde. De procedure die gevolgd moet worden ingeval sprake is van strijd met de goede zeden of de openbare orde wordt geregeld in artikel 17 van het ontwerp.

Gezien de toelichting op artikel 12 van het ontwerp adviseert de Raad de verwijzing in artikel 12 naar artikel 16 te vervangen door artikel 17 en de toelichting op het eerstgenoemd artikel dienovereenkomstig aan te passen.

e.   Akte van registratie (artikel 14, eerste lid)

In artikel 14, eerste lid, van het ontwerp, wordt bepaald dat het BIE de aanvraag inschrijft en de akte van registratie maakt. Het ontwerp regelt niet aan welke formele vereisten de akte van registratie moet voldoen.

De Raad adviseert de regering  in het ontwerp te bepalen aan welke formele vereisten de akte van registratie moet voldoen.

f.    Publicatie van inschrijving van aanvragen (artikel 14, tweede lid)

In artikel 14, tweede lid, van het ontwerp wordt in verband met de publicatie verwezen naar het bepaalde in artikel 15 van het ontwerp. Artikel 15 heeft betrekking op modellengemachtigden. De Raad ziet het verband niet tussen de bepaling in artikel 15 en die in artikel 14, tweede lid.

De Raad adviseert de regering in 14, tweede lid, van het ontwerp naar het juiste artikel te verwijzen.

g.   Modellengemachtigden (artikel 15, tweede lid)

In artikel 15, tweede lid, van het ontwerp wordt bepaald wie naast advocaten als modellengemachtigde in de zin van de Modellenlandsverordening worden toegelaten. Op grond van voornoemd artikel worden alleen toegelaten de in Curaçao gevestigde natuurlijke personen die hun beroep maken van het verlenen van bemiddeling in modelaangelegenheden en die erkend zijn door en ingeschreven bij het BIE. Als vereiste voor die natuurlijke personen wordt gesteld dat zij erkend moeten zijn en ingeschreven bij het BIE. De Raad mist een bepaling in het ontwerp waarin de erkenning en de inschrijving van de modellengemachtigden nader wordt geregeld. 

De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande aan te passen. 

h.  Staatsemblemen (artikel 17)

In het opschrift van artikel 17 van het ontwerp is opgenomen “Strijd met staatsemblemen, de goede zeden of de openbare orde”. De term “staatsemblemen” komt echter als zodanig niet aan de orde in artikel 17.  Deze term komt ook niet aan de orde in artikel 9, onderdelen d of e, waarnaar verwezen wordt in artikel 17, eerste lid.

De Raad adviseert de regering het ontwerp rekening houdend met het voorgaande aan te passen.

i.   Rechtsbescherming

1°. Rechtsmiddel (artikel 17, zesde lid)

In de tweede volzin van artikel 17, zesde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat de nietigheid eerst intreedt nadat de termijn voor het instellen van het in het vijfde lid bedoelde rechtsmiddel ongebruikt is verstreken dan wel nadat het verzoek om een bevel tot inschrijving en publicatie te geven onherroepelijk is afgewezen. In artikel 17, vijfde lid, is als rechtsmiddel opgenomen een vordering bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Voor de Raad is onduidelijk waarom in dit geval gekozen is voor beroep in één instantie en adviseert daarom de regering om deze keuze in de memorie van toelichting te motiveren.

2°. Verhouding met de Landsverordening administratieve rechtspraak

Aangezien het BIE op grond van de Landsverordening BIE een publiekrechtelijke rechtspersoon is, werpt de vraag zich op of het ontwerp niet langs de publiekrechtelijke weg had moeten worden ingericht. De Raad mist in de memorie van toelichting een motivering waarom de rechtsbescherming niet via het openstellen van beroep op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak tegen de beschikkingen van het BIE wordt geregeld in plaats van via een vordering bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De Raad adviseert de regering de in het ontwerp gekozen rechtsbescherming, met inachtneming van het bovenstaande, in de memorie van toelichting te motiveren.

j.   Extra recht (artikel 18, vierde lid)

In artikel 18, vierde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat het recht bedoeld in de eerste volzin van artikel 18, vierde lid, nog betaald kan worden binnen zes maanden die volgen op de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving, indien gelijktijdig een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bepaald extra recht wordt betaald. Goed beschouwd is dat extra recht een (bestuurlijke) boete.

De Raad adviseert de regering dat extra recht dan ook als een bestuurlijke boete in het ontwerp te regelen.

k.  Bepalingen van de Akte (artikel 19)

In artikel 19 van het ontwerp wordt bepaald dat de internationale aanvragen geschieden volgens de bepalingen van de Akte. Welke bepalingen hier bedoeld worden en wat zij inhouden kan noch uit de tekst van het ontwerp noch uit de memorie van toelichting worden opgemaakt, hetgeen de toegankelijkheid van het ontwerp beperkt.

De Raad adviseert de regering de bepalingen van de Akte waarop gedoeld wordt met het oog op het vergroten van de toegankelijkheid van de regeling in het ontwerp zelf op te nemen en uit te werken.

l.  Strafrechtelijke middelen (artikel 22, tweede lid)

In de toelichting op artikel 22, tweede lid, van het ontwerp (pagina 15) is opgenomen dat het tweede lid een ruime mogelijkheid creëert voor het optreden van rechters. Volgens deze toelichting zou hierdoor ook het strafrecht kunnen worden toegepast op modelinbreuken. Het een en ander conform artikel 61 van het TRIPS verdrag dat de mogelijkheid biedt aan de lidstaten om te voorzien in strafrechtelijke procedures in geval van opzettelijke inbreuk op modelrechten, die op commerciële schaal plaatsvindt.

Artikel 61 van het TRIPS verdrag geeft ook een opsomming van mogelijke sancties waaronder vrijheidsstraffen en/of geldboetes die voldoende zijn om afschrikkend te werken, in overeenstemming met het niveau van de straffen opgelegd voor strafbare feiten van overeenkomstige zwaarte. Die sancties zijn niet meegenomen in het ontwerp. Uit de toelichting op artikel 22 van het ontwerp kan niet worden opgemaakt waarom in het kader van de bescherming van de ontwerpers niet voor die  strafrechtelijke alternatieven is gekozen.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting rekening houdend met het voorgaande en aanwijzing 8, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving aan te passen.

m. Opleggen van bevel (artikel 22, vierde lid)

In artikel 22, vierde lid, van het ontwerp wordt gesteld dat een bevel kan worden opgelegd aan de persoon die de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit heeft. Niet duidelijk is wie dat bevel oplegt.

De Raad adviseert de regering in het kader van de duidelijkheid van de regeling, zoals opgenomen in aanwijzing 7 van de Aanwijzing voor de regelgeving, in artikel 22, vierde lid, van het ontwerp aan te geven wie dat bevel oplegt.

n.   Licentie (artikel 30)

In de memorie van toelichting (pagina 19) is opgenomen dat artikel 30 de mogelijkheden van de licentie regelt. De mogelijkheden die er zijn worden in de toelichting op artikel 30 genoemd. In het ontwerp komt echter alleen aan de orde dat:

-     het uitsluitend recht op een model voorwerp van een licentie kan zijn (artikel 30, eerste lid);

-     het uitsluitend recht op een model door de houder daarvan kan worden ingeroepen tegen een licentiehouder die handelt in strijd met de gegeven bepalingen van de licentieovereenkomst (artikel 30, tweede lid);

-     de doorhaling van de inschrijving van de licentie in het register plaats vindt op gezamenlijk verzoek van de merkhouder en de licentiehouder (artikel 30, derde lid).

Geconstateerd wordt dat het  ontwerp niet regelt  wat een licentie in het kader van dit ontwerp inhoudt en hoe het wordt verkregen. Het ontwerp regelt ook niet dat er een licentieovereenkomst is en wat de inhoud daarvan is. Verder regelt het ontwerp niet de wijze van registratie van een licentie. 

De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

o.   Merkhouder (artikel 30, derde lid)

In artikel 30, derde lid, van het ontwerp is opgenomen dat de doorhaling van de inschrijving van de licentie in het register slechts plaatsvindt op gezamenlijk verzoek van de merkhouder en de licentiehouder. Onduidelijk is waarom in het derde lid de term “merkhouder” is opgenomen terwijl in het tweede en het vierde lid gesproken wordt van de houder van het uitsluitend recht op een model.

De Raad adviseert de regering de in artikel 30 van het ontwerp gebruikte terminologie met inachtneming van het bovenstaande te heroverwegen.

p.  Geschillenbeslechting (artikel 36, eerste lid)

In artikel 36, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat alleen de rechter bevoegd is uitspraak te doen in gedingen, die op de Modellenlandsverordening zijn gegrond.

De Raad adviseert de regering expliciet in artikel 36, eerste lid, van het ontwerp aan te geven welke rechter bedoeld wordt.

2. De memorie van toelichting

a.   Omschrijving van het recht van voorrang

Op pagina 8 van de memorie van toelichting wordt in het eerste tekstblok is aangegeven dat in artikel 5, vijfde lid, van het ontwerp het recht van voorrang is gedefinieerd. Geconstateerd wordt dat genoemd artikel 5 geen vijfde lid heeft. Het recht van voorrang is in artikel 1, onderdeel j, van het ontwerp omschreven.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

b.   Wettelijke datum van de inschrijving

In de laatste volzin op pagina 11 van de memorie van toelichting is ten aanzien van artikel 14 van het ontwerp aangegeven dat de wettelijke datum van de inschrijving de datum is van de indiening van de aanvraag. Volgens de Raad wordt in de memorie van toelichting een norm gesteld. Aangezien op grond van  aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving een toelichting niet gebruikt mag worden voor het stellen van nadere regels, wordt voorgesteld om voornoemde norm in het ontwerp zelf te regelen.

c.   Inschrijvingsbewijs

In de toelichting op artikel 14 van het ontwerp (pagina 11) is opgenomen dat het BIE een  inschrijvingsbewijs afgeeft van de aanvragen. Het afgeven van een inschrijvingsbewijs is een norm.

Aangezien op grond van aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving de toelichting niet gebruikt mag worden voor het stellen van nadere regels adviseert de Raad de regering voornoemde norm in het ontwerp zelf te regelen.

d.   Reproductie

In de toelichting op artikel 14 van het ontwerp wordt de term “reproductie” gebruikt. Deze term komt in de tekst van artikel 14 niet voor.

De Raad adviseert de regering om voornoemd onderdeel van de memorie van toelichting nader toe te lichten.

e.   Schadevergoeding

In de voorlaatste volzin van de toelichting op artikel 14 van het ontwerp (pagina 12) wordt verwezen naar schadevergoeding geregeld in artikel 20, eerste lid van het ontwerp Volgens de Raad wordt schadevergoeding geregeld in artikel 21 van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering het betreffende onderdeel van de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

f.    Geheimhouding

In de laatste volzin van de toelichting op artikel 14 van het ontwerp (pagina 12) is opgenomen dat de geheimhouding ten aanzien van de stukken betreffende de aanvraag en inschrijving na publicatie eindigt. Volgens de Raad wordt hier een norm gesteld. Aangezien op grond van aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving de toelichting niet gebruikt mag worden voor het stellen van nadere regels, adviseert de Raad de regering voornoemde norm in het ontwerp zelf te regelen.

g.   De geïnformeerde gebruiker

Op pagina 14 van de memorie van toelichting is in de toelichting op artikel 20 van het ontwerp opgenomen dat de geïnformeerde gebruiker sneller eenzelfde algemene indruk constateert in vergelijking met de gewone gebruiker, zodat ook minder snel inbreuk wordt vastgesteld. Het is niet duidelijk wat met het gestelde “zodat ook minder snel inbreuk wordt vastgesteld” bedoeld wordt.

De Raad adviseert de regering voornoemd onderdeel in de memorie van toelichting te verduidelijken.

h.   Schorsingsregel

Artikel 20, tweede lid, van het ontwerp geeft een opsomming van wat onder het begrip “gebruik” moet worden verstaan. In de laatste volzin van de toelichting op artikel 20, tweede lid, is opgenomen het begrip “plaatsing onder een schorsingsregeling”. Dit begrip komt echter niet voor in artikel 20, tweede lid.

De Raad adviseert de regering, met inachtneming van het bovenstaande, een nadere toelichting in de memorie van toelichting op te nemen.

i.    Het stellen van nadere regels

Volgens aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt de toelichting niet gebruikt voor het stellen van nadere regels. Geconstateerd wordt dat de toelichting op artikel 21 van het ontwerp diverse normen bevat die in het ontwerp zelf dienen te worden opgenomen. De Raad geeft als voorbeeld de volgende normen:

1°. De rechter die de schadevergoeding vaststelt bij het constateren van een inbreuk op artikel 21 kan rekening houden met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het uitsluitend recht op een model door de inbreuk heeft geleden.

2°. Deze bepaling stelt de rechter onder andere in staat om als alternatief in passende gevallen de schadevergoeding vast te stellen als een forfaitair bedrag, op basis van elementen als ten minste het bedrag aan royalties of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het model te gebruiken.

3°. De rechter kan bij wijze van schadevergoeding op vordering van de houder van het uitsluitend recht op een model bevelen tot de afgifte aan deze houder, van de goederen die een inbreuk maken op een modelrecht, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de productie van die goederen zijn gebruikt. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de eiser te betalen vergoeding.

De Raad adviseert de regering de betreffende normen in het ontwerp op te nemen en de memorie van toelichting aan te passen.

j.    Het stellen van nadere regels met betrekking tot nevenvorderingen

Volgens aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt de toelichting niet gebruikt voor het stellen van nadere regels. Geconstateerd wordt dat de toelichting op artikel 22 van het ontwerp diverse normen bevat die in het ontwerp zelf dienen te worden opgenomen. De Raad geeft als voorbeeld de volgende normen:

1°. De rechter moet bij de beoordeling van deze vordering rekening houden met de verhouding tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen, alsmede met belangen van derden. Tevens kan de rechter bij de beoordeling van een vordering als  bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het ontwerp rekening houden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen, alsmede met de belangen van derden.

2°. Voor zover het nationale recht hier niet in voorziet, kan de rechter op grond van deze bepaling tegen de vermeende inbreukmaker of tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om op een modelrecht inbreuk te maken, op vordering van de houder van een uitsluitend recht op een model een voorlopig bevel uitvaardigen strekkende bijvoorbeeld tot het voorkomen van een dreigende inbreuk op een modelrecht, of waardoor tijdelijk de voortzetting van de vermeende inbreuk op een modelrecht wordt verboden, indien wenselijk op straffe van een dwangsom, of waarbij aan de voortzetting van de vermeende inbreuk op een modelrecht de voorwaarde wordt verbonden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de houder.

3°. De rechter kan op vordering van de houder van een uitsluitend recht op een model in een gerechtelijke procedure wegens inbreuk, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de goederen en diensten, waarmee die inbreuk is gepleegd, aan de houder mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt.

4°. Een nevenvordering die naar aanleiding van artikel 22 mogelijk is, is dat de rechter op vordering van de houder van een uitsluitend recht op een model een bevel kan uitvaardigen tot staking van diensten van tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op zijn modelrecht te maken.

5°. De rechter kan ook op vordering van de eiser gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van informatie over de uitspraak worden getroffen. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de  houder van het recht te betalen vergoeding.

De Raad adviseert de regering de betreffende normen in het ontwerp op te nemen en de memorie van toelichting aan te passen.

k.   Merkhouder

In de toelichting op het derde lid van artikel 30 (pagina 19) is opgenomen dat de doorhaling van de licentie alleen mogelijk is door een gezamenlijk verzoek van de merkhouder en de licentiehouder. Volgens de Raad dient in plaats van “de merkhouder” de modelhouder te worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsveror- dening bij de Staten in te dienen, nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

 

Willemstad, 6 april 2016

de Ondervoorzitter,                                                               de Secretaris,

__________________________                                           ____________________

mevr. mr. drs. B.J. Doran-Scoop                                          mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/07-16-LV

 

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

a. Het ontwerp

1.   Aanhef

Voorgesteld wordt om het woord “om” in de eerste regel van de overweging weg te laten.

Ook wordt voorgesteld om in de tweede regel van de overweging “overeenkomst” te vervangen door “Overeenkomst”.

2.   Artikelen 4, derde lid en 7

Uitzonderingen op de modelbescherming worden in twee verschillende artikelen  opgenomen, namelijk in de artikelen 4, derde lid, en 7 van het ontwerp. Voorgesteld wordt de uitzonderingen op de modelbescherming in één artikel onder te brengen.

3.   Artikel 5, vijfde lid

Aan het einde van artikel 5 is de aanduiding “5.” voor een vijfde lid opgenomen. Aangezien artikel 5 geen vijfde lid heeft, wordt voorgesteld om voornoemde aanduiding weg te laten.

4.   Artikel 6, derde lid

Voorgesteld wordt om in artikel 6, derde lid, de zinsnede “Normaal gebruik in de zin van het eerste lid van dit artikel” in overeenstemming met aanwijzing 61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving te vervangen door “Normaal gebruik in de zin van het eerste lid, onderdeel a,”.

5.   Artikel 7, tweede lid

In de laatste zinsnede van artikel 7, tweede lid, van het ontwerp, wordt verwezen naar de in artikel 3, eerste lid, gestelde voorwaarden. Laatstgenoemd artikel heeft echter slechts één lid en heeft betrekking op de verlenging van de indieningstermijn. De betreffende voorwaarden zijn opgenomen in artikel 4, vierde lid,van het ontwerp.

Voorgesteld wordt de verwijzing in artikel 7, tweede lid, van het ontwerp naar artikel 3, eerste lid, te vervangen door artikel 4, vierde lid.

6.   Artikel 11, eerste lid

In de eerste volzin van artikel 11, eerste lid, is term “(mede) ontwerper van het model” opgenomen. Volgens aanwijzing 50 van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden volzinnen of zinsneden niet tussen haakjes geplaatst. Het gebruik van haakjes kan ook tot gevolg hebben dat de tekst minder duidelijk wordt voor de lezer. Om deze reden wordt voorgesteld om voornoemd artikellid met weglating van de haakjes aan te passen. Het vorenstaande geldt ook voor artikel 11, tweede lid.

7.   Artikel 12, eerste lid

In de tweede volzin van artikel 12, eerste lid,  is tussen haakjes geplaatst het zinsdeel (respectievelijk enkelvoudige en meervoudige aanvraag). Volgens aanwijzing 50 van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden volzinnen of zinsneden niet tussen haakjes geplaatst. Om deze reden wordt voorgesteld de haakjes in voornoemd artikellid weg te laten.

8.  Artikel 12, tweede lid

Voorgesteld wordt een komma te plaatsen achter het woord “landsbesluit” in de eerste regel van artikel 12, tweede lid.

9.  Artikel 18, zevende lid

In artikel 18, zevende lid, van het ontwerp wordt verwezen naar de verplichtingen voortvloeiende uit het derde lid. Het derde lid heeft betrekking op de maximale geldigheidsduur van een inschrijving van een aanvraag van de houder van een model. De verplichtingen waarnaar artikel 18, zevende lid, verwijst zijn volgens de Raad opgenomen in artikel 18, vierde lid.

Voorgesteld wordt de verwijzing  in artikel 18, zevende lid, van het ontwerp naar het derde lid te vervangen door het vierde lid.

10. Artikel 22, derde lid

Voorgesteld wordt om in artikel 22, derde lid, de zinsnede “de in dit artikel onder 1 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen” overeenkomstig aanwijzing 61 van de  Aanwijzingen voor de regelgeving te vervangen door “de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, uit te oefenen”.

11. Artikel 23, zesde lid

In artikel 23, zesde lid, van het ontwerp worden de begrippen “Staten” en “Staat” gehanteerd. Volgens aanwijzing 55, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt het woord “land” gebruikt ter aanduiding van Curaçao als onderdeel van het Koninkrijk. De Raad ziet dat in de toelichting op artikel 23, zesde lid, (pagina 16 van de memorie van toelichting) ook de term “land” wordt gehanteerd.

Voorgesteld wordt om de begrippen “landen” en “land” te hanteren in plaats van de begrippen “Staten” en “Staat”.

12. Artikel 24, vierde lid

Voorgesteld wordt in artikel 24, vierde lid, de zinsnede “in het geval bedoeld in dit artikel, tweede lid” overeenkomstig aanwijzing 61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving  te vervangen door “ in het geval, bedoeld in het tweede lid,” .

13. Artikel 25, vierde lid

In artikel 25, vierde lid, is opgenomen “voor het gehele gebied van Curaçao”.

Voorgesteld wordt slechts Curaçao te hanteren zoals gehanteerd in artikel 25, vijfde lid.

14. Artikel 29

Voorgesteld wordt het woord “vastgesteld” in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, te vervangen door “vastgelegd”.

In artikel 29,  tweede lid, onderdeel b, is opgenomen “het gehele gebied van Curaçao”. Voorgesteld wordt dit onderdeel aan te passen in overeenstemming met artikel 25, vijfde lid.

15. Artikel 30, vierde lid

Voorgesteld wordt in de laatste volzin van  artikel 30, vierde lid, de zinsnede “artikel 21, leden één tot en met vier” overeenkomstig aanwijzing 61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving te vervangen door “artikel 21, eerste tot en met het vierde lid.

16. Artikel 31

Voorgesteld wordt de komma aan het einde van de eerste volzin van artikel 31 weg te laten.

17. Artikel 32

In artikel 32, eerste lid, wordt de Auteursverordening 1913 genoemd. Voorgesteld wordt de vindplaats van de Auteursverordening 1913 in een voetnoot op te nemen.

18. Artikel 34

In artikel 34, eerste lid, onderdeel c, wordt het woord “van” een aantal keren gebruikt. In het kader van de duidelijkheid van de regeling wordt voorgesteld het woord “van” na het woord “alsmede” weg te laten.

Ook wordt voorgesteld in artikel 34, derde lid, de zinsnede “het, eerste lid onder b,” te vervangen door “het in het eerste lid, onder b,”.

19. Het opschrift van hoofdstuk IX

Voorgesteld wordt het opschrift “Rechterlijke bevoegdheid” van hoofdstuk IX te wijzigen omdat deze aanduiding geen betrekking heeft op de inhoud van de artikelen die onder genoemd hoofdstuk vallen.

20. Artikel 37, tweede lid

In artikel 37, tweede lid, is opgenomen “voor dit gehele gebied”. Voorgesteld wordt dit onderdeel aan te passen in overeenstemming met artikel 25, vijfde lid.

21. De artikelen 37, 38 en 39

Voorgesteld wordt in het kader van de efficiëntie van de regeling de bepalingen in hoofdstuk X “Overige bepalingen”, hoofdstuk XI “Overgangsbepalingen” en hoofdstuk XII “Slotbepalingen” in één hoofdstuk te plaatsen.

b. De memorie van toelichting

1. Algemeen deel

Aan het einde van het onderdeel “1. Inleiding” van het algemene deel van de memorie van toelichting wordt uitgelegd wat een model is (pagina 2). Het komt de Raad voor dat pas nadat is uitgelegd wat een model is, gesproken kan worden over de behoefte om een regeling te treffen voor de bescherming van modellen. 

Voorgesteld wordt de memorie van toelichting rekening houdend met het voorgaande aan te passen.

2.   Artikel 9

In de eerste volzin van de tweede alinea van de toelichting op artikel 9 (pagina 9) wordt verwezen naar artikel 27, onder lid 1b.

Voorgesteld wordt overeenkomstig aanwijzing 61 van de Aanwijzingen voor de regelgeving hier op te nemen artikel 27, eerste lid, onderdeel b.

3.   Artikel 12

Voorgesteld wordt in de eerste volzin van de laatste alinea van de toelichting op artikel 12 (pagina 11) de zinsnede “Lid 4 bepaalt” te vervangen door “In het vierde lid wordt bepaald”

4.   Artikel 14

In de voorlaatste volzin van de toelichting op artikel 14 van het ontwerp (pagina 12) wordt verwezen naar de schadevergoeding geregeld in artikel 20, eerste lid ven het ontwerp. Volgens de Raad wordt de schadevergoeding geregeld in artikel 21 van het ontwerp. Voorgesteld wordt de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

5.   Artikel 33

Volgens de toelichting op aanwijzing 160 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is het overbodig in de toelichting een parafrase van een artikel op te nemen. Om deze reden wordt voorgesteld de toelichting op artikel 33 weg te laten.

 

 

___________  _______________